5. Gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt de niet ter terechtzitting verschenen verdachte die is ingeschreven in een GBA of wiens feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland of wiens adres in het buitenland bekend is, indien aan hem een dagvaarding op rechtsgeldige wijze wordt betekend, geacht zijn aanwezigheidsrecht te hebben prijsgegeven. In een dergelijk geval kan op grond van art. 280 Sv verstek worden verleend en kan een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd –zoals in de onderhavige zaak - de verdediging voeren. In de onderhavige zaak bestaan aanwijzingen dat verdachte niet vrijwillig afstand deed van zijn aanwezigheidsrecht: achteraf kan worden vastgesteld dat verdachte zich – blijkens de afwezigheid van enige opmerking hieromtrent in het proces verbaal van de terechtzitting in hoger beroep – kennelijk buiten medeweten van het hof, zijn advocaat en het openbaar ministerie ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in vreemdelingendetentie bevond, terwijl er van overheidswege voor hem geen transport naar de zitting was geregeld en zich bij de stukken geen afstandsverklaring bevindt. Als kern van het cassatiemiddel moet dan ook worden gezien dat verdachte zijn aanwezigheidsrecht niet heeft prijsgegeven.
6. Reeds eerder overwoog de Hoge Raad dat de mogelijkheid bestaat dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte, zoals ook in de voorliggende zaak aan de orde is, ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was. Daar in het onderhavige geval uit de detentieregistratiekaart van verdachte, opgevraagd d.d. 11 maart 2016, blijkt dat verdachte ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep was gedetineerd, moet de beslissing van het hof om het onderzoek ter terechtzitting buiten de aanwezigheid van de verdachte voort te zetten als onjuist worden aangemerkt. De omstandigheid dat de verdachte in persoon is gedagvaard voor de terechtzitting in hoger beroep en voorts de omstandigheid dat de raadsman van verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep ondanks de afwezigheid van zijn cliënt niet om aanhouding van de zaak heeft verzocht, doen aan het voorgaande overigens niet af.
7. Gelet op het evidente belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn brengt het vorenoverwogene mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
8. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG