ECLI:NL:PHR:2016:95

ECLI:NL:PHR:2016:95, Parket bij de Hoge Raad, 05-01-2016, 14/03912

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 05-01-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/03912
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:404
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001941

Samenvatting

Falende bewijsklacht. Gelet op de door het Hof vastgestelde f&o en in aanmerking genomen dat het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep en/of hasjiesj van meer dan 30 gram ingevolge art. 3 en 11 Opiumwet steeds een misdrijf oplevert, is het oordeel van het Hof dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie niet onbegrijpelijk en is het toereikend gemotiveerd.

Uitspraak

“Voortbouwend appel

(…)

Feit 1

Een criminele organisatie waarvan deel uitmaken [betrokkene 2] , [medeverdachte 7] , [betrokkene 1] en anderen (waaronder [verdachte] ).

Organisatie (p. 4/15 vonnis)

De rechtbank spreekt alleen over de coffeeshoporganisatie [A] .

Volgens de verdediging is echter aannemelijk dat sprake is van verschillende organisaties, die niet mogen worden vereenzelvigd nu voor deze vereenzelviging geen bewijs is.

De verdediging meent dat in dit dossier mogelijk drie afzonderlijk van elkaar opererende organisaties vallen te onderscheiden, ieder met hun eigen oogmerk.

1. Organisatie [betrokkene 2] c.s.? Oogmerk: parallelle handel in hash

De rechtbank heeft omtrent deze parallelle handel in haar vonnis niet besproken onder het kopje 'oogmerk tot het plegen van misdrijven' (p. 4/15). De rechtbank heeft ten aanzien van deze veronderstelde 'parallelle hashhandel' derhalve niet bewezen dat deze onderdeel uitmaakte van de bewezenverklaarde criminele organisatie.

Overigens heeft de rechtbank [verdachte] (onder feit 2) ook vrijgesproken voor vermeende betrokkenheid bij deze veronderstelde parallelle hashhandel.

2: Coffeeshop [A] ( [medeverdachte 7] en zijn medewerkers)

Bij pleidooi eerste aanleg is uitvoerig betoogd dat [betrokkene 2] nooit betrokken is geweest bij de exploitatie van de coffeeshop, maar dat uit tapgesprekken waaraan [betrokkene 2] heeft deelgenomen hooguit kan worden afgeleid dat [betrokkene 2] , buiten de coffeeshop(organisatie) om, al dan niet samen met [medeverdachte 7] , maar in ieder geval zonder medeweten van de werknemers van de coffeeshop (waaronder [verdachte] ) bezig is geweest met eigen handel.

De rechtbank heeft (onder 'deelname' op p. 5 en 6/15) overwogen dat [medeverdachte 7] eigenaar en baas was en dat bij zijn afwezigheid [betrokkene 2] 'een oogje in het zeil' moest houden. De rechtbank lijkt te overwegen dat daarmee bewezen kan worden dat [betrokkene 2] heeft deelgenomen aan de coffeeshoporganisatie.

De verdediging meent dat dit echter niet kan worden vastgesteld. Uit niets blijkt immers dat [betrokkene 2] op de hoogte was van een crimineel oogmerk van Coffeeshop [A] , terwijl het enkele 'oogje in het zeil houden' onvoldoende is om aan te nemen dat hij een rechtens relevant aandeel had in de veronderstelde criminele organisatie 'Coffeeshop [A] '. Ook blijkt niet dat [medeverdachte 7] op enig moment tijdens zijn verblijf in Marokko (vanaf 19 augustus 2012 tot en met de inval) aan [betrokkene 2] enige instructie heeft gegeven die verband houdt met de exploitatie van de coffeeshop, laat staan met de verwezenlijking van enig verondersteld crimineel oogmerk van de coffeeshop.

[verdachte] maakte ontegenzeglijk deel uit van de coffeeshoporganisatie van [medeverdachte 7] , maar [verdachte] betwist dat sprake is geweest van een crimineel oogmerk.

De rechtbank heeft als 'oogmerk tot het plegen van misdrijven' bewezenverklaard', zakelijk weergegeven (p. 4/15):

Niet-gedoogde handel in hennep en hasj, in het kader van de bevoorrading en bedrijfsvoering van de coffeeshop.

Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:

1. Op 27 november 2012 grote hoeveelheden hasj en hennep aangetroffen, waaronder in de coffeeshop ruim meer dan de toegestane hoeveelheid handelsvoorraad van 500 gram.

2. Verdachte [betrokkene 12] verklaart bij politie dat hij wiet aan coffeeshop leverde, soms één a twee keer in de week, met wisselende hoeveelheden van twee tot vijf kilo per keer en dat hij daarover met [verdachte] contact had. [verdachte] heeft verklaard dat [betrokkene 12] een vaste leverancier was.

3. [verdachte] heeft verklaard dat 'op afstand' van de coffeeshop stashplaatsen waren, teneinde zo nodig de handelsvoorraad te kunnen aanvullen.

De rechtbank concludeert vervolgens dat hieruit reeds volgt dat de gedoogvoorwaarden ruimschoots zijn overtreden.

De rechtbank voegt hier vervolgens een tweede argument aan toe waarom de gedoogvoorwaarden zouden zijn overtreden (p. 4/15):

"Het structurele karakter van die overtreding (opmerking raadsman: van de gedoogvoorwaarden) blijkt bovendien uit de bezoekersaantallen.

De rechtbank wijst vervolgens naar observaties van het aantal bezoekers in 2011 en observaties in 2012 en koppelt dit vervolgens aan camerabeelden vanuit de coffeeshop van 19 november 2012 tot en met 26 november 2012 en concludeert dat daaruit volgt dat een deel van de omzet niet wordt geregistreerd, welke bevinding, aldus de rechtbank, wordt bevestigd door de handgeschreven aantekening van [medeverdachte 5] (" [A] is miljoenenbedrijf dat moet worden bestuurd als een bedrijf' en "Van begin tot het eind liefst wit").

De rechtbank overweegt vervolgens:

"Vanwege de structurele overtreding van de gedoogvoorwaarden en het niet registreren van een groot gedeelte van de omzet, is naar het oordeel van de rechtbank niet langer sprake van een gedoogde coffeeshop, maar is de samenwerking tussen de in de coffeeshop werkzame personen aan te merken als een organisatie in de zin van artikel 140 Sr."

De rechtbank heeft vervolgens bewezen verklaard de gehele tenlastegelegde periode van 19 juli 2012 tot en met 27 november 2012.

De verdediging meent dat deze bewezenverklaring en de daartoe door de rechtbank gehanteerde overwegingen geen stand kunnen houden in hoger beroep. Hierna zullen beide oogmerken worden besproken, te weten 'structurele overtreding gedoogvoorwaarden' en 'belastingontduiking'.

Oogmerk 1.: Structurele overtreding gedoogvoorwaarden?

Op 26 en 27 november 2012 teveel handelsvoorraad

In eerste aanleg is uitvoerig betoogd dat in deze zaak hooguit kan worden bewezen dat op 26 en 27 november 2012 sprake is geweest van overtreding van de gedoogwaarde 'maximaal 500 gram handelsvoorraad in/nabij de coffeeshop'.

Korte toelichting: bedrijfsvoorraad op afstand is weliswaar een overtreding van de Opiumwet (terwijl de praktijk van de achterdeur volgens vele rechter weliswaar niet disculpeert, maar wel inkleurt), maar geen overtreding van het in deze zaak vigerende gedoogbeleid van de gemeente Utrecht (vastgesteld binnen het kader van de gepubliceerde gedoogvoorwaarden van justitie). Bij

bedrijfsvoorraad op afstand kan de coffeeshop dan ook niet worden gesloten op grond van overtreding van deze gedoogvoorwaarde. In geval van een handelsvoorraad van (fors) meer dan 500 gram, kan wel bestuursrechtelijk worden opgetreden en worden overgegaan tot sluiting en intrekking van de vergunning (vandaar dat justitie in deze zaak de gemeente Utrecht uitsluitend heeft geïnformeerd omtrent de hoeveel van 48 kilo softdrugs welke op 27 november 2012 aanwezig waren in/nabij de coffeeshop). Van deze 48 kilo softdrugs kan niet worden vastgesteld dat deze vóór 26 november 2012 al in/nabij de coffeeshop aanwezig was.

Voorzover uw hof in weerwil van al het voorgaande en anders dan de bestuursrechter in Nederland onverhoopt zou oordelen dat het aanwezig hebben van 'bedrijfsvoorraad op afstand' (stash) strijdig is met het vigerende gedoogbeleid van de gemeente Utrecht, dan volgt daaruit nog niet dat sprake is van een crimineel oogmerk van de coffeeshop.

Gezien het kenbare gedoogbeleid van de gemeente Utrecht, gelet op de opvatting van justitie in deze zaak dat alleen de 48 kilo softdrugs in/nabij de coffeeshop in aanmerking komen voor (bestuursrechtelijke) beoordeling van overtreding van 'handelsvoorraadregel' en in aanmerking nemende de vaste lijn van jurisprudentie bij de bestuursrechter en het feit dat rechters oordelen dat het aanwezig hebben van een 'bedrijfsvoorraad op afstand' noodzakelijk is voor een verantwoorde bedrijfsvoering van een coffeeshop, moet worden geoordeeld dat coffeeshophouders (waaronder I [medeverdachte 7] ) bij het aanhouden van de noodzakelijk 'bedrijfsvoorraad' structureel verontschuldigbaar dwalen omtrent de inhoud van deze gedoogvoorwaarde. In dat geval mag/kan niet worden geoordeeld dat sprake is van een crimineel oogmerk van de coffeeshoporganisatie, doch slechts van overtreding van de Opiumwet door de betreffende individuele stashhouder, welke overtreding hooguit zou moeten worden beantwoord met de maatregel van art. 9a Sr althans een marginale straf.

In Nederland gedoogt de driehoek het aanhouden van 'bedrijfsvoorraad op afstand' (stash), nu dat beter is voor de openbare orde.

Bezoekersaantallen zijn niet redengevend

In hoger beroep voegt de verdediging daar aan toe dat de bezoekersaantallen (op welk moment dan ook) niet kunnen bijdragen aan het bewijs van overtreding van de 'handelsvoorraadregel', nu de hoeveelheid bezoekers niets zegt over deze in/nabij de shop aanwezige 'handelsvoorraad' en evenmin over de (wijze van) bevoorrading.

Verklaring [betrokkene 12] levert geen bewijs van overtreding gedoogvoorwaarden

In hoger beroep voegt de verdediging daar bovendien aan toe dat de verklaring van wietleverancier [betrokkene 12] niet kan bijdragen tot het bewijs van (structurele) overtreding van de gedoogvoorwaarden.

De verklaring van [betrokkene 12] zoals afgelegd bij de politie is volgens de verdediging niet zo duidelijk als de rechtbank kennelijk heeft gemeend. Bij zijn verhoor bij de Raadsheer-commissaris heeft [betrokkene 12] een duidelijke verklaring afgelegd, zakelijk weergegeven inhoudende:

Per keer heb ik nooit meer dan 500 gram aan [verdachte] afgeleverd. In de gevallen dat [verdachte] meer dan 500 gram had besteld, hield ik het surplus bij mij thuis totdat [verdachte] aangaf dat er weer een levering (van maximaal 500 gram) moest komen.

Volgens de advocaat-generaal is [betrokkene 12] hiermee teruggekomen op zijn verklaring bij de politie.

De verdediging meent daarentegen dat [betrokkene 12] in hoger beroep slechts een nadere duiding heeft gegeven van aanvankelijk onvolledige, onduidelijke verklaring.

Voor zover uw Hof met de advocaat-generaal van mening zou zijn dat [betrokkene 12] bij de Raadsheer-commissaris op zijn verklaring bij de politie is teruggekomen, geldt volgens de verdediging het volgende:

- [betrokkene 12] is een unus testis. Zijn beweerdelijke verklaring (bij de politie) dat hij per keer 2 tot 5 kilo zou hebben geleverd, wordt door geen enkele andere bron bevestigd. In ieder geval niet door [verdachte] . Reeds om die reden kan niet worden bewezen dat [betrokkene 12] (in de tenlastegelegde periode, voorafgaand aan 26 november 2012) per keer meer dan 500 gram wiet aan [verdachte] heeft geleverd.

- [betrokkene 12] heeft bij de Raadsheer-commissaris wezenlijk anders verklaard dan bij de politie. Wil uw hof zijn verklaring voor het bewijs kunnen bezigen, dan zal [betrokkene 12] daarom ambtshalve door uw hof moeten worden gehoord op zitting. Dit heeft echter volgens de verdediging geen zin, immers:

- Zelfs al zou uw hof onverhoopt bewezen verklaren dat [betrokkene 12] (in de tenlastegelegde periode, voorafgaand aan 26 november 2012) per keer (ruim) meer dan 500 gram wiet aan [verdachte] hebben geleverd, dan is daarmee nog niet bewezen dat de coffeeshop structureel de gedoogvoorwaarden heeft overtreden. [betrokkene 12] verklaart immers dat hij nooit in de coffeeshop leverde en dat hij niet weet wat [verdachte] deed met zijn leveranties. [verdachte] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij de leveringen van [betrokkene 12] gebruikte om de handelsvoorraad in de coffeeshop aan te vullen tot 500 gram, maar dat een eventueel surplus altijd door [verdachte] buiten de coffeeshop werd gehouden en werd overgebracht naar een stash. Op zitting ten overstaan van uw hof heeft [verdachte] verklaard dat hij het surplus wel eens in zijn woning heeft gebracht, maar dan alleen op het moment dat de 'stash' niet bereikbaar was. [verdachte] heeft niet verklaard wanneer dit is gebeurd, zodat niet kan worden vastgesteld of dit is gebeurd in de tenlastegelegde periode.

De conclusie moet zijn dat het oogmerk van 'structurele overtreding gedoogvoorwaarden' niet kan worden bewezen.”

10. Hetgeen door de raadsman van verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht in relatie tot de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie en het daarop betrekking hebbende opzet van verzoeker, kan naar mijn inzicht bezwaarlijk anders worden geduid dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, dat wil zeggen als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht.

11. Met betrekking daartoe heeft het Hof overwogen:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”

12. Indien en voor zover het Hof het betoog van de raadsman heeft aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv – en daar heeft het gelet op de hiervoor weergegeven bewijsoverweging schijn van -, dient te worden onderzocht of de verwerping daarvan inderdaad in de gebezigde bewijsmiddelen ligt besloten. Daarbij betrek ik meteen de tweede klacht, nu deze zich tegen de motivering van de bewezenverklaring keert en, kort gezegd, inhoudt dat deelneming en opzet met betrekking tot verzoeker niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Ik zie er evenwel van af de in totaal 53 voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen hier weer te geven, en ook om een gewaarmerkte kopie van de desbetreffende 36 pagina’s tellende aanvulling op het arrest – behelzende de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaringen van de feiten 1, 3 en 4 steunen - aan mijn conclusie te hechten. Uiteindelijk heb ik ter wille van de leesbaarheid er voor gekozen om parafraserend de voor het bewijs van feit 1, in onderling verband en samenhang gebezigde bewijsmiddelen kort samen te vatten, uiteraard voor zover deze voor de beoordeling van het middel van betekenis zijn. Hoewel een nadere bewijsoverweging van het Hof niet had misstaan, meen ik – het zij nu al opgemerkt - dat in het licht van de hieronder weergegeven bewijsmiddelen geen van beide klachten doel treft.

13. Er is sprake van een criminele organisatie die gebruik maakt van een bepaalde structuur en hiërarchie, met aan het hoofd eigenaar [medeverdachte 7], die volgens [betrokkene 2] de baas was en alles besliste (feit 1, bewijsmiddel 4). [medeverdachte 7] heeft de leiding en voert de onderhandelingen over de handel (inkoop en verkoop) in grote hoeveelheden softdrugs, zo blijkt onder meer uit diverse telefoongesprekken die hij onder andere met [betrokkene 2] voerde (feit 1, bewijsmiddelen 4, 5, 6, 9, 13, 15, 16, 17, 20, 23, 24, 37, 39). Bij zijn afwezigheid, bijvoorbeeld gedurende zijn vakantie in Marokko, viel verzoeker als beheerder voor hem in. De taak van verzoeker bestond, naar hij zelf heeft verklaard, uit het bijvullen van de voorraad en het beheren van het geld (Aanvulling op het arrest, blad 1, ongenummerd bewijsmiddel ten aanzien van feit 1). Wat de softdrugs en het bijvullen betreft, tijdens de doorzoeking in zijn woning op 27 november 2012 zijn onder meer verdovende middelen en een geldbedrag aangetroffen (feit 1, bewijsmiddel 1). Uit de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3 (bewijsmiddelen 44 en 45) blijkt dat het daarbij ging om ongeveer 2,8 kilo hennep en 8,9 kilo hasjiesj. Een deel van de softdrugs werd in de coffeeshop ‘regulier’, dat wil zeggen onder het geldende gedoogbeleid, aan de man gebracht. Maar aanzienlijke partijen softdrugs werden buiten de coffeeshop om verkocht. Ook bij dergelijke transacties werd verzoeker betrokken (bewijsmiddel 6). In de bewijsconstructie staan leveringen van diverse kilo’s centraal. Uit bewijsmiddel 19 kan worden afgeleid dat neef [betrokkene 1] een specifieke opdracht uitvoerde. Dit betrof een concrete levering van 5 kg “mis”, een handeling die evident buiten het geldende gedoogbeleid viel (en valt). Dat doet de neef in opdracht “van zijn ooms”. Daaronder kan met name verzoeker worden begrepen, mede gezien de bewijsmiddelen 2 en 3 (feit 1). Zo heeft [betrokkene 12] bij de politie verklaard dat hij een jaar of vijf regelmatig (“niet elke week”) de ene keer 2 kilo, de andere keer 5 kilo leverde, waarbij verzoeker de contactpersoon was: verzoeker “kreeg het voor 4900 per kilo”. En verzoeker heeft hierover verklaard dat hij en “die vriend [betrokkene 12]” de inkoop van de hasjiesj en de wiet voor de coffeeshop regelden. Partijen van tenminste enkele kilo’s (vaak 5 kg) werden verkocht aan [medeverdachte 6], “De Griek” en “[betrokkene 14]” (zie naast de reeds aangehaalde bewijsmiddelen meer in het bijzonder feit 1, bewijsmiddelen 10 [betreffende een stelselmatige observatie op 2 oktober 2012], 11, 15, 16, 17, 23 t/m 35). Voorts is op 27 november 2012 in de woning van verzoeker een abnormaal grote hoeveelheid contant geld in beslag genomen, te weten in totaal € 414.918,89, waarbij vooral de 217 coupures van € 500,- en 23 coupures van € 200,- opvallen (feit 4, bewijsmiddel 51). De gemiddelde bezoeker van een coffeeshop pleegt niet te betalen met biljetten van 200 en 500 euro, in het criminele milieu is dit daarentegen geen ongewoon verschijnsel. Volgens de verklaring van verzoeker bewaarde hij dit geld voor zijn broer [medeverdachte 7] , eerst in de kluis in de shop en vervolgens bij hem, verzoeker, thuis (Aanvulling op het arrest, blad 1, ongenummerd bewijsmiddel ten aanzien van feit 4). Daaruit kan worden afgeleid dat, naar verzoeker wist, dit geld in relatie stond tot zowel de coffeeshop alsook tot [medeverdachte 7] .

14. Naar het mij voorkomt, kan, gelijk het Hof heeft gedaan, uit het voorgaande, één en ander in onderling verband en samenhang bezien, worden afgeleid dat verzoeker deel uitmaakte van een criminele organisatie die zich bezighield met het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (grote hoeveelheden) hennep en/of hasjiesj (van steeds meer dan 30 gram), en dat verzoekers opzet daarop gericht was.

15. Het eerste middel faalt mitsdien in beide onderdelen.

16. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4 niet kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en/of ontoereikend is gemotiveerd. Volgens de steller van het middel heeft verzoeker belang bij deze klacht nu een ontslag van alle rechtsvervolging, anders dan een vrijspraak, negatief kan meewerken bij de verklaring omtrent het gedrag.

17. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat het bewijs van feit 4 voldoende steun vindt in de daarvoor gebruikte bewijsmiddelen (Aanvulling op het arrest, blad 1, ongenummerd bewijsmiddel ten aanzien van feit 4, en de bewijsmiddelen 49 t/m 51 ten aanzien van feit 4). Het bewezenverklaarde levert naar het oordeel van het Hof evenwel geen strafbaar feit op, nu het niet aan de kwalificatie ‘witwassen’ voldoet: verzoeker “heeft niet meer gedaan dan de opbrengsten van de coffeeshop namens [medeverdachte 7] tijdelijk in zijn (…) woning te bewaren tot het moment dat die opbrengsten werden opgehaald c.q. moesten worden afgedragen”. Kennelijk heeft het Hof vervolgens per abuis in zijn arrest onder het hoofd “Strafbaarheid van het bewezenverklaarde” ook “4. witwassen” opgenomen. Verzoeker is daardoor echter niet in enig rechtens te respecteren belang getroffen.

18. Het tweede middel is tevergeefs voorgesteld.

19. Beide middelen falen. Het tweede middel kan op voet van art. 81, eerste lid, RO worden afgedaan.

20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?