ECLI:NL:PHR:2016:973

ECLI:NL:PHR:2016:973, Parket bij de Hoge Raad, 30-08-2016, 16/01841

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 30-08-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/01841
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:2292
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

Herziening. Geurproef/geuridentificatieproef. Aanvraag gegrond (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BC8789).

Uitspraak

Feit 4

- het (als dossierpagina: 144 van de stukken van het opsporingsonderzoek van Politie Regio IJsselland, District Midden, dossiernummer PL04MI/04501661, deeluitmakende) door [verbalisant 7] , brigadier van politie Twente, District Noord-West op 18 maart 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer: PL0500/04-028612, voorzover als verklaring van aangever [betrokkene 2] , zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Ik doe aangifte van inbraak. Het weggenomen goed behoort mij geheel in eigendom toe. Niemand had het recht of de toestemming het goed weg te nemen noch om dit te doen door middel van braak. Op zondag 7 maart 2004 omstreeks 14.00 uur is mijn woning slotvast afgesloten. Ik kwam met mijn vrouw om 22.00 uur die avond weer thuis. In onze woning aangekomen zag ik dat er was ingebroken. Aan de achterkant van het huis was een raam geforceerd met een breekvoorwerp. Een flatscreen, boxen en een computer zijn weggenomen. Tevens zijn een dvd-speler, een mobiele telefoon, een horloge, een portemonnee en diversen sieraden weggenomen. De kasten zijn doorzocht en de gordijnen in de slaapkamer dichtgetrokken.

- het (als dossierpagina: 151 van de stukken van het opsporingsonderzoek van Politie Twente, Technische Recherche, District Midden, Team Ommen/ Dalfsen, dossiernummer PL04MI/04501661, deeluitmakende), met de daarbij gevoegde bijlage, door [verbalisant 8] , de forensische deskundige A werktuigsporen, op 15 april 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, nummer 04-028612, voorzover als relaas van verbalisant [verbalisant 8] , zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

twee schroevendraaiers met oranje handvat, zijn inbeslaggenomen en aangetroffen in een personenauto, merk Opel Astra, kenteken: [AA-00-BB] , op 17 maart 2004, hierna genoemd schroevendraaier [2] en schroevendraaier [3]. Nader onderzocht zijn twee afvormingen van werktuigsporen, aangetroffen na een gepleegde inbraak op een afgesloten raam, deeluitmakende van een perceel [b-straat 1] te Wierden, gepleegd op zondag 7 maart 2004, te noemen [1a] en [1b]. Op grond van het werktuigsporenonderzoek concludeer ik dat de afgevormde indruksporen [1a] zijn veroorzaakt met de schroevendraaier [2], de af gevormde indruksporen [1b] zijn veroorzaakt met de schroevendraaier [3].

- het (als dossierpagina: 155 van de stukken van de Regiopolitie Twente, Divisie Recherche regionale, dossiernummer PL04MI/0450166, deeluitmakende), door [verbalisant 9] , hoofdagent van politie Twente, divisie Recherche, op 9 maart 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer 04-028612, voorzover als relaas van verbalisant [verbalisant 9] , zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Op 8 maart 2004 heb ik een onderzoek ingesteld in [b-straat 1] te Wierden in verband met diefstal uit een woning. Het feit werd gepleegd op 7 maart 2004. Tijdens dit onderzoek heb ik geurdoeken aangebracht op de volgende geurdrager. een scartkabel, die is aangetroffen in de woonkamer.

- het (als dossierpagina: 157 van de stukken van de Regiopolitie/ Ressort Arnhem Interregionale Speurhondendienst Geuridentificatie, dossiernummer PL04MI/0450166, deeluitmakende), met de daarbij gevoegde bijlage, door [verbalisant 1] , Speurhondenbegeleider, tevens brigadier van politie, regiopolitie Twente op 13 april 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer [...] , voorzover als relaas van verbalisant, [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Gezien het gedrag en werkwijze van Max bleek mij dat Max geurovereenkomst waarnam tussen, tenminste een van de aangeboden corpus deliciti (geurmonster startkabel), en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte, [aanvrager] .

Feit 5

- het (als dossierpagina: 166 van de stukken van het opsporingsonderzoek van Politie Twente, Regio Hengelo, dossiernummer PL04MI/04501661, deeluitmakende) door [verbalisant 10] , hoofdagent van politie Twente, district Minot, afd. Hengelo Centrum/ Zuid op 24 februari 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer PL0500/04-018894, voorzover als verklaring van aangever [betrokkene 3] , zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Ik doe aangifte van diefstal. Het weggenomen goed behoort mij geheel in eigendom toe. Niemand had het recht of de toestemming het goed weg te nemen noch om dit te doen door middel van braak en zich het goed toe te eigenen, dan wel een poging daartoe te doen, dan wel mijn eigendommen te vernielen. Op zaterdag 14 februari 2004, omstreeks 19.30 uur is er ingebroken in onze woning. Meerdere tussendeuren zijn vernield. Meerdere kamers zijn doorzocht. Veel schade is ontstaan. Ik mis geen goederen uit mijn woning.

- het (als dossierpagina: 168 van de stukken van het opsporingsonderzoek van Politie Twente, Technische Recherche, District Midden, Team Ommen/ Dalfsen, dossiernummer PL04MI/04501661, deeluitmakende), met de daarbij gevoegde bijlage, door [verbalisant 8] , de forensische deskundige A werktuigsporen, op 14 april 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, nummer: 04-018894, voorzover als relaas van verbalisant [verbalisant 8] , zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

een schroevendraaier met oranje handvat, is inbeslaggenomen en aangetroffen in een personenauto, merk Opel Astra, kenteken: [AA-00-BB] , op 17 maart 2004 in de directe omgeving van de Heinoseweg, te Zwolle, hierna genoemd schroevendraaier [2]. Nader onderzocht zijn twee afvormingen van werktuigsporen, aangetroffen n.a.v een inbraak, op een afgesloten raam aan de achterzijde en een afgesloten tussendeur, beiden deeluitmakende van een perceel [c-straat 1] te Hengelo, gepleegd op zaterdag 14 februari 2004, hierna door mij genoemd afvorming [1a] en afvorming [1b]. Op grond van het werktuigsporenonderzoek concludeer ik dat de gedeeltelijke over elkaar geplaatste afgevormde indruksporen [1a] zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt met de schroevendraaier [2].

- het (als dossierpagina: 173 van de stukken van de Regiopolitie Twente, District Minot, dossiernummer PL04MI/0450166, deeluitmakende), door [verbalisant 11] , hoofdagent van politie Twente, district Minot, op 14 februari 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer 04-018894, voorzover als relaas van verbalisant, [verbalisant 11] , zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Op 14 februari 2004 heb ik een onderzoek ingesteld in perceel [c-straat 1] , te Hengelo (OV) in verband met en diefstal uit woning. Het feit werd gepleegd op 14 februari 2004. Tijdens dit onderzoek heb ik geurdoeken aangebracht op de volgende geurdragers: de ketting sluiting voordeur en de handgreep sluiting achterraam van de woning.

- het (als dossierpagina: 175 van de stukken van de Regiopolitie / Ressort Arnhem Interregionale Speurhondendienst Geuridentificatie, dossiernummer PL04MI/04501661, deeluitmakende), met de daarbij gevoegde bijlage, door [verbalisant 3] , speurhondenbegeleider, tevens brigadier van politie, regiopolitie Twente op 19 april 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer: [...] , voorzover als relaas van verbalisant, [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Gezien het gedrag en werkwijze van Rex bleek mij dat Rex geurovereenkomst waarnam tussen, tenminste een van de aangeboden corpus deliciti (geurmonster ketting en twee handgrepen. 04-018894), en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte [aanvrager].”

10. Hoewel de politierechter overweegt dat deze bewijsmiddelen slechts gebruikt worden ten bewijze van het feit of de feiten waarop ze blijkens hun inhoud betrekking hebben, overweegt hij tevens: “De modus operandi zijn in de gebezigde bewijsmiddelen identiek”. Dat duidt erop dat de politierechter de feiten in onderling verband heeft bezien. Daarop wijst ook het vierde bewijsmiddel dat voor het bewijs van feit 1 is gebezigd. Het gaat hier om het resultaat van een geuridentificatieproef dat betrekking heeft op “de verdachte, [betrokkene 4] ”. Wat de redengevende betekenis van dit bewijsmiddel is voor de bewezenverklaring dat de aanvrager ( [aanvrager] ) feit 1 heeft medegepleegd, maakt de bewijsmotivering niet duidelijk. De gedingstukken leren echter dat Milan [betrokkene 4] een medeverdachten van de aanvrager was die gelijktijdig met hem is aangehouden. In het onderzoek naar feit 5 werd niet alleen de aanvrager bij een geurproef geïdentificeerd (zie het vierde bewijsmiddel voor dat feit), maar ook [betrokkene 4] . De bewijsconstructie lijkt aldus trekken van schakelbewijs te vertonen.

11. De tot het bewijs van de afzonderlijke feiten gebezigde processen-verbaal met daarin de uitkomst van de geuridentificatieproeven komen te vervallen, nu het resultaat van deze geurproeven niet voor het bewijs gebruikt kan worden. Dat geldt ook voor het als vierde bewijsmiddel voor feit 1 gebezigde proces-verbaal inhoudende de herkenning van [betrokkene 4] . Daardoor wordt een groot gat geslagen in de bewijsconstructie. Uit de overgebleven door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen blijkt, wat de betrokkenheid van de aanvrager betreft bij de bewezenverklaarde feiten, het volgende:

- dat op zaterdag 6 maart 2004 omstreeks 21.15 u een Opel Astra met kenteken [AA-00-BB] werd geparkeerd op de Hammerweg te Ommen, dat uit die auto twee personen stapten, dat de bestuurder kaal was en de ander tussen de 25 en 30 jaar oud was en een kort leren jasje droeg en dat de auto na ongeveer een uur de Wolfskuilstraat te Ommen inreed;

- dat de Opel Astra met kenteken [AA-00-BB] van 1 februari 2004 tot eind maart verhuurd “zou zijn” aan de aanvrager;

- dat de twee op een afgesloten raam van de woning aan de [b-straat 1] te Wierden aangetroffen “afgevormde indruksporen” zijn veroorzaakt met de op 17 maart 2004 in de Opel Astra met kenteken [AA-00-BB] aangetroffen twee schroevendraaiers;

- dat de op een afgesloten raam dan wel op een afgesloten tussendeur van de woning [c-straat 1] te Hengelo aangetroffen “afgevormde indrukspoor” zeer waarschijnlijk is veroorzaakt met de op 17 maart 2004 in de Opel Astra met kenteken [AA-00-BB] aangetroffen schroevendraaier.

12. Het behoeft weinig betoog dat deze bewijsmiddelen de bewezenverklaring van de betrokkenheid van de aanvrager bij de bewezenverklaarde feiten niet kunnen dragen, ook niet als deze bewijsmiddelen in onderling verband worden beschouwd. Tussen de drie feiten kan in zoverre verband worden gelegd dat de feiten 4 en 5 allebei zijn gepleegd met behulp van schroevendraaiers die in de Opel Astra met kenteken [AA-00-BB] zijn aangetroffen en dat deze Opel Astra in de periode waarbinnen feit 1 is gepleegd in de buurt van de desbetreffende woning is gesignaleerd. De enige ‘link’ naar de verdachte is daarbij dat hij degene is geweest die de Opel Astra heeft gehuurd. Dat is te weinig om het vermoeden te wekken dat de politierechter ook zou hebben veroordeeld als hij zich ervan bewust was geweest dat de resultaten van de geurproeven niet voor het bewijs konden worden gebruikt.

13. Nu moet bij de vraag of de politierechter op grond van het overblijvende bewijsmateriaal ook tot een veroordeling zou zijn gekomen, ook betrokken worden hetgeen omtrent de gebezigde bewijsmiddelen uit het dossier blijkt. De gevolgtrekking die de politierechter aan de overgebleven bewijsmiddelen zou hebben verbonden, is namelijk mede afhankelijk van de overige inhoud van het dossier en de proceshouding van de aanvrager, destijds verdachte. In het bijzonder als het gaat om gegevens die deel uitmaken van door de politierechter gebezigde ambtsedige verklaringen die door of namens de verdachte niet werden betwist, mag mijns inziens in beginsel aangenomen worden dat de rechtbank die gegevens voor juist heeft gehouden of zou hebben gehouden. Ik teken daarbij aan dat de politierechter, als het niet de beschikking had gehad over de uitslag van de geurproeven, mogelijk ander aanvullend bewijsmateriaal had gebezigd om tot een sluitende bewijsconstructie te komen. Dat brengt mij tot de volgende opmerkingen.

14. Uit de tot het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde feit gebezigde proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 5] van 9 maart 2004 blijkt, naast hetgeen de rechtbank daaruit voor het bewijs heeft gebruikt, nog dat de twee personen nadat zij uit de Opel Astra waren uitgestapt terugliepen in de richting van de spoorwegovergang, dat na ongeveer een uur slechts de man met het kale hoofd terugkwam bij de geparkeerde Opel Astra, dat hij deze auto honderd meter verder reed, daar de auto draaide en terugreed in de richting van de spoorwegovergang en de Wolfskuilstraat – kort voor de spoorwegovergang – inreed. In het procesdossier bevindt zich tevens een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 5] van 17 maart 2004. Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang, als verklaring van [betrokkene 5] in dat hij de Opel Astra die hij op 6 maart 2004 in Ommen had gezien, op 16 maart 2004 opnieuw door Ommen zag rijden en dat hij die auto toen is gevolgd totdat de door hem gealarmeerde politie de Opel Astra kort voor Zwolle tot stoppen dwong. [betrokkene 5] verklaart vervolgens:

“Ik zag dat de drie personen, welke in de Opel Astra met het kenteken [AA-00-BB] zaten, door de politie werden aangehouden. Ik zag dat een man met heel kort haar (gemillimeterd) bij aanhouding op de rechtervoorzitting van de Opel Astra zat. Deze man herkende ik als de kale man, die zaterdag 6 maart 2004, omstreeks 22.20 uur, met de Opel Astra vanaf de parkeerstrook, nabij mijn woning wegreed.”

In het procesdossier bevindt zich voorts een proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2004 dat onder meer, nadat is weergegeven wat [betrokkene 5] had verklaard over de man met he kale hoofd die hij op 6 maart 2004 in Ommen had gezien, inhoudt:

“Door collega [verbalisant 5] van de politie IJsselland, afdeling Hardenberg, is na onderzoek vastgesteld dat het genoemde voertuig op naam is gehuurd door [aanvrager] , en dat deze persoon voldoet aan het door [betrokkene 5] opgegeven signalement.”

Uit het een en ander zou de politierechter kunnen hebben afgeleid dat de aanvrager de persoon was die [betrokkene 5] op 6 maart 2004 in Ommen zag.

15. Uit het zojuist genoemde proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina’s 12-15) blijkt dat de bestuurder van de op 16 maart 2004 door de politie tot stoppen gedwongen Opel Astra opgaf te zijn [betrokkene 6] , de bijrijder zich kan identificeren als [aanvrager] en dat de persoon die achterin de auto zat (naar later werd vastgesteld: [betrokkene 4] ) weigerde zijn identiteit bekend te maken. Uit dat proces-verbaal blijkt voorts:

- dat de verbalisanten in de achterbak van de auto een plastic gereedschapskist aantroffen waarin onder meer schroevendraaiers en een zogeheten multitool zaten;

- dat de verbalisanten in het dashboardkastje een zwart etuitje aantroffen met daarin twee walkietalkies van het merk Molorola, een zwarte verrekijker, een zogeheten multitool en een schroevendraaier met een zwart heft;

- dat zowel achter de zonneklep aan de passagierszijde als in het portiervak aan de bestuurderszijde een klein formaat Maglite werd aangetroffen;

- dat bij de veiligheidsfouillering van de dan nog onbekende verdachte onder meer een paar zwarte handschoenen, een band met hieraan vastgemaakt een klein formaat Maglite en een multitool werden aangetroffen;

- dat bij nader onderzoek van de auto op het politiebureau onder de achterbank een zwarte koevoet, “met kennelijk recente sporen hierop” werd aangetroffen en in een vakje in het dashboard nog een derde walkietalkie.

Het bij de verbalisanten gerezen vermoeden dat het hier om inbrekerswerktuigen ging, vindt althans ten dele bevestiging in het feit dat twee van de aangetroffen schroevendraaiers zijn gebruikt bij de onder 4 en 5 bewezenverklaarde inbraken. Het feit dat tot de aangetroffen voorwerpen drie walkietalkies en drie Maglites behoorden en de plaatsen waar in het bijzonder de Maglites werden aangetroffen, geven bovendien voedsel aan de gedachte dat deze voorwerpen door de drie als verdachte aangehouden personen werden gebruikt voor het in onderlinge samenwerking plegen van inbraken.

16. Hoewel er dus meer voor de aanvrager belastend bewijsmateriaal is dan door de politierechter voor het bewijs is gebezigd, meen ik dat hetgeen aan bewijsmateriaal overblijft als de resultaten van de geuridentificatieproeven buiten beschouwing worden gelaten, nog steeds te mager is om aannemelijk te doen zijn dat de politierechter op grond van dat overblijvende bewijsmateriaal tot een veroordeling zou zijn gekomen. De conclusie dat de in de auto aangetroffen voorwerpen door de inzittenden van die auto werden gebruikt voor het gezamenlijk plegen van inbraken, is zo zeer afhankelijk van waarderingen van feitelijke aard, dat daarover hier slechts kan worden gespeculeerd. Daar komt bij dat, zo die conclusie al zou kunnen worden getrokken, nog maar de vraag is of ervan uitgegaan kan worden dat de drie personen steeds in dezelfde samenstelling opereerden. Bij wijze van illustratie wijs ik op de vrijspraak die de politierechter gaf van het onder 3 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van dit feit was eveneens vastgesteld dat de braaksporen afkomstig waren van een in de auto aangetroffen schroevendraaier. Er was bovendien bewijs voor de betrokkenheid van medeverdachte [betrokkene 4] , bestaande uit een geuridentificatie (aan de betrouwbaarheid waarvan de politierechter destijds nog niet hoefde te twijfelen) en een (uiteraard dubieuze) herkenning door middel van een confrontatiespiegel. Voldoende bewijs voor de betrokkenheid van de aangever leverde dat naar het oordeel van de politierechter niet op.

17. Ik laat bij dit alles nog daar dat niet alleen aannemelijk moet zijn dat de politierechter zou hebben geoordeeld dat de aanvrager betrokken was bij de bewezenverklaarde feiten, maar ook dat die betrokkenheid bestond uit het tezamen en in vereniging plegen daarvan. Als slechts sprake is geweest van medeplichtigheid, zodat een minder zware strafbepaling van toepassing is, levert dat eveneens een grond voor herziening op.

18. Op grond van het voorgaande acht ik het dan ook niet aannemelijk dat de feitenrechter zonder het gebruik van de uitkomst van de geuridentificatieproef toch op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring van de onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde feiten zou zijn gekomen. Er is derhalve een ernstig vermoeden dat de politierechter de aanvrager van die feiten zou hebben vrijgesproken indien hij ermee bekend was geweest dat aan de onderhavige geuridentificatieproeven gebreken kleefden die aan het gebruik van de resultaten ervan in de weg staan.

19. Ik concludeer dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?