1. Bij vonnis van 14 oktober 2014 heeft de rechtbank Den Haag de toepassing van de schuldsaneringsregeling op [verzoeker] uitgesproken. Op 17 november 2015 heeft de rechter-commissaris een voordracht gedaan strekkende tot de voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 350 van de Faillissementswet (Fw), onder meer vanwege het feit dat [verzoeker] een boedelachterstand had laten ontstaan van € 5.319,52. Bij vonnis van 11 maart 2016 heeft de rechtbank de schuldsanering ten aanzien van [verzoeker] zonder verstrekking van een ‘schone lei’ beëindigd, wegens het niet-nakomen van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, bestaande uit het laten ontstaan van een forse boedelachterstand ten bedrage van € 10.134,83. De rechtbank heeft daartoe overwogen:
“2.3 Schuldenaar heeft ter zitting verklaard dat de boedelachterstand is ontstaan omdat hij (nieuwe) schulden die tijdens de schuldsaneringsregeling zijn ontstaan heeft afgelost. Voorts betaalt schuldenaar, omdat zijn partner bezig is met een schuldhulptraject, alle lasten van het gezamenlijke huishouden. Om de boedelachterstand in te lopen heeft schuldenaar voorgesteld de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen. Daarbij heeft hij bij monde van mr. Venneman te kennen gegeven dat, omdat hij in administratief opzicht onvoldoende is onderlegd, budgetbeheer noodzakelijk is en dat de kosten van het budgetbeheer ten laste van de boedel gebracht dienen te worden.
2.4 De rechtbank acht het niet aannemelijk dat schuldenaar, bij een verlenging van de schuldsaneringsregeling, in staat is naast de reguliere afdracht ook nog maandelijks om en nabij de € 400,- extra aan de boedel af te dragen, teneinde de boedelachterstand in te lopen. Daarbij komt dat ook de kosten van budgetbeheer, die maandelijks rond de € 60,- bedragen, uit het vrij te laten bedrag dienen te worden betaald, tenzij sprake is van een uitzonderlijk geval, in welk geval de rechter-commissaris kan beslissen dat de kosten ten laste van de boedel worden gebracht. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat dat hier sprake zal zijn van deze bedoelde uitzondering.”
2. Dit vonnis is bekrachtigd door het gerechtshof Den Haag in zijn arrest van 3 mei 2016. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
“4. Vooropgesteld wordt dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [verzoeker] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Daartoe overweegt het hof het volgende. [verzoeker] heeft een boedelachterstand van € 10.134,83 laten ontstaan. Omdat het gaat om een kernverplichting van de schuldsaneringsregeling, weegt het laten ontstaan van deze forse achterstand zwaar. [verzoeker] valt een en ander te verwijten. [verzoeker] heeft immers verklaard dat hij bewust geen boedelafdrachten heeft verricht omdat hij er voor had gekozen de lasten van de gezamenlijke huishouding alleen op zich te nemen, dit omdat zijn partner in een schuldhulptraject zat.
[verzoeker] heeft geen onderbouwd voorstel gedaan om de boedelachterstand in te lopen. De enkele mededeling dat zijn relatie inmiddels is beëindigd en hij van mening is dat gelet op de berekeningen van de bewindvoerder het haalbaar is de boedelachterstand in te lopen, is daartoe onvoldoende. Niet aannemelijk is geworden dat de nakoming van de verplichtingen bij een eventuele voortzetting in voldoende mate is gewaarborgd. De extra afdracht die [verzoeker] bij een maximale verlenging van de schuldsaneringsregeling dient op te brengen oordeelt het hof dermate hoog dat reëel te vrezen valt dat [verzoeker] deze afdracht, gelet ook op eerdere verkeerde keuzes die hij gemaakt heeft en het nieuwe leven dat hij moet opbouwen, niet tot het einde kan opbrengen. De enkele goede wil van [verzoeker] is onvoldoende om anders te oordelen. Daarbij heeft het hof ook in aanmerking genomen dat de bewindvoerder gelet op de verloop van de schuldsaneringsregeling tot nu toe, haar twijfels heeft over een goede verloop van de regeling. Gelet hierop zal het hof het verzoek van [verzoeker] om de schuldsaneringsregeling te verlengen afwijzen.”
3. [verzoeker] zijn van bovengenoemd arrest tijdig in cassatie gekomen. Van het in het cassatieverzoekschrift gemaakte voorbehoud ten aanzien van aanvulling van het rekest op grond van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting in hoger beroep is geen gebruik gemaakt.
4. Het cassatiemiddel bestaat uit één onderdeel. Daarin wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof over de verwijtbaarheid van het boedeltekort onvoldoende gemotiveerd is, althans dat dit een onbegrijpelijk oordeel is. Gewezen wordt op het in het beroepschrift gevoerde verweer (grief I en de toelichting daarop), namelijk dat de partner van [verzoeker], met wie hij samenwoonde, ook schulden heeft en bezig is om schuldhulpverlening te krijgen. Ten onrechte is er daarom bij de berekening van het ‘vrij te laten bedrag’ (vtlb) rekening gehouden met haar inkomen. [verzoeker] kon de huishoudelijke lasten en de kosten van levensonderhoud en verzorging van hun dochtertje niet delen met zijn partner, maar heeft al die lasten en kosten alleen voldaan. Het vltb is dan ook te laag vastgesteld, zo luidt de toelichting op de grief.Het onderdeel klaagt dat het hof op dit verweer niet is ingegaan, althans dit zonder motivering heeft verworpen. Daarmee heeft het hof miskend dat het had moeten onderzoeken of de verweten tekortkoming aan [verzoeker] toerekenbaar was. In dat kader wordt ook gewezen op verschillende persoonlijke omstandigheden van [verzoeker], blijkend uit de processen-verbaal van de door de rechter-commissaris gehouden zittingen, die – zo begrijp ik het middel – door het hof evenmin kenbaar bij zijn beoordeling zijn betrokken. Verder wordt, onder verwijzing naar een uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch, betoogd dat het op de weg van de bewindvoerder lag om naar aanleiding van de gewijzigde omstandigheden een hoger vtlb te bepalen.
5. Het gaat hier om een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3, sub c Fw: het niet nakomen door de schuldenaar van een verplichting voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling. De niet nagekomen verplichting is het niet maandelijks afdragen aan de boedel door [verzoeker], waardoor een boedelachterstand is ontstaan.
6. Voor toepassing van de beëindigingsgrond van art. 350 lid 3 sub c Fw is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van verwijtbaarheid, zo is besliste in HR 12 juni 2009, NJ 2009/270. Uw Raad overwoog daarover het volgende:
“Als maatstaf voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling op de gronden, vermeld in art. 350 lid 3, aanhef en onder c, heeft te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, de daar genoemde gedragingen een duidelijke aanwijzing vormen dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt (vgl. HR 4 november 2005, nr. R04/136, NJ 2006, 135). Mede gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling en de voorganger daarvan, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4, 2.7 en 2.9, ligt hierin besloten dat voor toepassing van de bedoelde opheffingsgronden vereist is dat de schuldenaar van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt.”
Gelet op de aangehaalde overweging, moet worden aangenomen dat uit een beslissing tot beëindiging van een schuldsaneringsregeling dient te blijken dat de vraag of sprake is van verwijtbaarheid, door de rechter bij zijn beoordeling is betrokken. Bovendien dient de rechter bij de motivering van zijn beslissing in te gaan op het verweer dat sprake is van omstandigheden die aan verwijtbaarheid in de weg staan.
7. In het onderhavige arrest is aan de voornoemde eis niet voldaan. Het hof stelt in rov. 4. vast dat [verzoeker] een boedelachterstand van € 10.134,83 heeft laten ontstaan, hetgeen zwaar weegt omdat het doen van de maandelijkse boedelafdracht een kernverplichting van de schuldsaneringsregeling is. Volgens het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad moet worden beoordeeld of het schenden van deze (kern)verplichting zodanig verwijtbaar is dat dit tot de beëindiging van het schuldsaneringstraject moet leiden. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Het hof oordeelt dat [verzoeker] ervoor heeft gekozen de lasten van de gezamenlijke huishouding alleen op zich te nemen. Het hof gaat echter niet met zoveel woorden in op het gevoerde verweer dat van een vrije keuze in feite geen sprake was omdat de partner van [verzoeker] niet over inkomsten beschikte terwijl daarvan wel was uitgegaan bij de vaststelling van het vtvb. Door niet uitdrukkelijk op dit verweer in te gaan terwijl dit voor het oordeel over de verwijtbaarheid cruciaal is, is sprake van een onvoldoende gemotiveerde en onbegrijpelijke beslissing. Dit betekent dat het arrest niet in stand kan blijven. Het oordeel van het hof is temeer onbegrijpelijk omdat het – onvoldoende gemotiveerde – oordeel dat sprake is van een verkeerde keuze tevens meeweegt in het oordeel dat het voorstel om de boedelachterstand in te lopen niet reëel is en dat de omstandigheid dat [verzoeker] door de beëindiging van het schuldsaneringstraject zijn baan zal verliezen niet tot een ander oordeel leidt. Dit betekent dat de gehele beslissing rust op hetzelfde, onvoldoende gemotiveerde, argument.
Conclusie
8. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G