‘Beslag
De raadsvrouw heeft verzocht het beslag op te heffen.
Het hof overweegt als volgt.
De gehoudenheid van de rechter bij einduitspraak in beginsel te beslissen over in beslag genomen voorwerpen, is gezien het systeem van strafvordering beperkt tot de op de lijst vermelde voorwerpen die op grond van art. 94 Sv in beslag zijn genomen en nog niet zijn teruggegeven.
Het hof constateert dat geen beslaglijst is overgelegd en de advocaat-generaal ter zake van het beslag geen vordering heeft gedaan, zodat het hof ten aanzien van het beslag geen beslissing zal nemen.’
25. Het middel treft naar mijn oordeel geen doel. In het systeem van afwikkeling van beslag is art. 309 Sv van belang. De officier van justitie moet volgens dat artikel, aangenomen zover dat nog van belang is een beslaglijst overleggen en hij vordert in zijn requisitoir per voorwerp een bepaalde beslissing. In hoger beroep is deze bepaling van overeenkomstige toepassing (art. 415 Sv). De gehoudenheid van de rechter bij einduitspraak mits inhoudende de oplegging van straf of maatregel, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, te beslissen over in beslag genomen voorwerpen (art. 353, eerste lid, Sv) is, gezien het systeem van strafvordering, in beginsel beperkt tot de op de lijst vermelde voorwerpen die op grond van art. 94 Sv in beslag zijn genomen en nog niet teruggegeven. Uitgaande van de feitelijke constatering van het hof dat in onderhavige zaak geen beslaglijst is overgelegd was het hof in beginsel niet gehouden ambtshalve een beslissing over het beslag te nemen. Er is ook niet anderszins gebleken van voortduring van een krachtens art. 94 Sv gelegd beslag, terwijl het op de weg van verzoeker in cassatie had gelegen bij deze stand van zaken gegevens aan te dragen die het door hem gestelde tegendeel onderbouwen. Daar komt bij dat de verdediging zelf, zoals hiervoor onder overweging 24 aangehaald, geen belang aanwezig achtte voor een beslissing op (beweerdelijk) voortdurend beslag.
26. Het middel faalt.
27. Het derde middel klaagt mede blijkens de toelichting dat het hof art. 423 Sv heeft geschonden omdat het hof het vonnis waarvan beroep heeft vernietigd, terwijl het hof de bewijsmiddelen 6 t/m 27 uit de aanvulling verkort vonnis van de rechtbank heeft overgenomen en gedeeltelijk heeft aangevuld, zonder die bewijsmiddelen uit het vonnis in het arrest op te nemen, en – als ik het middel goed begrijp – door die bewijsmiddelen ook nog aan te vullen met andere bewijsmiddelen.
28. Art. 423 lid 1 Sv bepaalt onder meer dat, ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, het gerechtshof doet wat de rechtbank had behoren te doen. Art. 432 lid 3 Sv bepaalt dat in geval van vernietiging van het vonnis het gerechtshof niettemin bevoegd is bepaalde gedeelten daarvan in zijn arrest over te nemen. Dit laatste houdt, anders dan het middel, niet in dat de overgenomen gedeelten in het arrest moeten worden opgenomen. Hetgeen door het middel voorts wordt aangeduid als aanvulling is hetgeen waarop in art. 423 lid 1 Sv wordt gedoeld. Van schending van art. 423 Sv is derhalve geen sprake.
29. Het middel faalt.
30. Het vierde middel klaagt dat het hof heeft nagelaten op een door de verdediging ter terechtzitting van 28 oktober 2015 gedaan verzoek te beslissen vóórdat het hof einduitspraak deed, althans dat niet blijkt op welk moment het hof zijn beslissing hieromtrent heeft genomen, nu de beslissing pas in de negen maanden later opgemaakte bewijsmiddelenbijlage is opgenomen.
31. Het proces-verbaal ter terechtzitting van 6 augustus 2014 houdt voor zover relevant in:
‘De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. In aanvulling daarop deelt de raadsvrouw mede: (…) Tot slot verzoek ik het hof om de CD-roms met daarop de historische telefoongegevens als processtuk in het dossier te voegen, zodat het hof daarvan kennis kan nemen. Het levert een aardig beeld op van het telefoonverkeer dat heeft plaatsgehad.’
Voorts houdt het proces-verbaal ter terechtzitting van 6 augustus 2014 het volgende in:
‘Na hervatting maakt de advocaat-generaal gebruik van de haar geboden gelegenheid tot repliek. Ten aanzien van het verzoek tot voeging van de CD-roms met historische telefoongegevens in het dossier stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat het dient te worden afgewezen. Van die gegevens is door analisten van de politie een overzicht in de vorm van een proces-verbaal gemaakt dat zich in het dossier bevindt. In de visie van de advocaat-generaal is dat voldoende. Bovendien zijn de gegevens op de CD-rom zonder die analyse niet goed te duiden.’
32. De door de verdediging ter terechtzitting van 28 oktober 2015 overgelegde pleitaantekeningen houden voor zover relevant in:
‘(…) mag de verdediging met recht concluderen, dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor de aanname:
(…)
8. (…) dat het SO in de nacht van 25 op 26 november is overleden.
- op 26 november te 11.37 uur wordt van [betrokkene 2] gebeld door het nummer 06-[001], in bezit bij het SO. Uit de histo volgt dat er een voicemailbericht is achtergelaten van 10 seconden (Zie CD-rom met historische telefoongegevens bestand ‘[001]’).
-op 26 november te 17.20 uur wordt het nummer 06-[002] van SO met zendmastlocatie Schouwburgplein gebeld (Zie CD-rom met histo’s bestand ‘[002]’).
-De politie heeft het telefonische verkeer op voornoemd telefoonnummer ter zijde gelegd
(…).
Conclusie: Onder verwijzing naar het niet nader in proces-verbaal beschreven telefonische verkeer van het SO en de overige personen waarnaar verwezen, de voeging in het dossier van genoemde CD-rom [waarbij in de pleitaantekeningen met pen is opgenomen ‘verzoek’; JS] met historische telefoongegevens te gelasten.’
Het proces-verbaal ter terechtzitting van 28 oktober 2015 houdt voor het overige op dit punt niets in.
33. Het arrest van 11 november 2015 houdt niet in dat het hof op het door de verdediging gedane verzoek heeft beslist. De aanvulling op het arrest, gedateerd van 18 augustus 2016, houdt als overweging van het hof het volgende in:
‘Afwijzing van een verzoek
De raadsvrouw heeft, overeenkomstig haar ter terechtzitting van 28 oktober 2015 overgelegde pleitaantekeningen en mede onder verwijzing naar het door haar ter terechtzitting van 6 augustus 2014 gehouden pleidooi, verzocht de CD-rom met daarop de historische telefoongegevens van gesprekken tussen het slachtoffer en andere personen als processtuk in het dossier te voegen. Deze gegevens leveren, zo heeft de raadsvrouw opgemerkt, een ‘aardig beeld’ op van het telefoonverkeer dat heeft plaatsgehad.
Dit verzoek beoordeelt het hof aan de hand van de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt (HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:2, r.o. 2.3.)
Het hof wijst dit verzoek af. De raadsvrouw heeft naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate onderbouwd of, en zo ja op welke wijze, de bedoelde gegevens in belastende of ontlastende zin van belang zouden kunnen zijn. Dat bedoelde gegevens een ‘aardig beeld’ van het telefoonverkeer opleveren is in dat verband onvoldoende.’
34. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld hetgeen de Hoge Raad in HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8075, NJ 2013, 143 heeft overwogen:
‘In het verkorte vonnis of arrest moeten de beslissingen zijn opgenomen ten aanzien van op de terechtzitting door of namens de verdachte gedane verzoeken waarop de rechter op straffe van nietigheid gehouden is bepaaldelijk een beslissing te geven, voor zover daarop niet reeds ter terechtzitting is beslist (vgl. HR 23 maart 2004, LJN AO3254). (…) De vraag rijst of een klacht in cassatie die ertoe strekt dat de enkele omstandigheid dat deze beslissing ten onrechte niet in het verkorte arrest, maar in de aanvulling is opgenomen, hoewel op zichzelf gegrond, tot vernietiging van het bestreden arrest noopt. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Bij vernietiging op deze enkele grond heeft de verdachte onvoldoende in rechte te respecteren belang. Hij kan immers de juistheid en begrijpelijkheid van de beslissing op het voorwaardelijk getuigenverzoek in volle omvang aan de Hoge Raad voorleggen.’
35. Het middel betoogt aan de hand van dit arrest dat verdachte door (het uitblijven van) de beslissing van het hof in een in rechte te respecteren belang is geschaad, nu de verdediging niet aan de hand van de historische gegevens aannemelijk heeft kunnen maken dat het slachtoffer na een bepaalde datum nog in leven was. Deze klacht komt er op neer dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk is.
36. Het middel gaat voorbij aan de omstandigheid dat het hof het verzoek bij gebreke aan voldoende onderbouwing heeft afgewezen en dat het eerder kenbaar maken van die beslissing het voorgaande niet anders maakt in die zin dat de beslissing dan anders zou luiden.
37. Het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek de juiste maatstaf aangelegd. Het oordeel van het hof is voorts gelet op hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel klaagt dat het hof het belang van verdachte bij zijn verzoek heeft miskend in die zin dat het niet gaat om het verkrijgen van ‘een aardig beeld’, geldt dat dit laatste wel hetgeen is dat door de verdediging in hoger beroep aan haar verzoek ten grondslag is gelegd. Voor zover het middel klaagt dat verdachte door het uitblijven van een beslissing niet aannemelijk heeft kunnen maken dat het slachtoffer nog in leven was op het moment dat verdachte probeerde om een auto te bemachtigen en bij de Gamma inkopen deed en dat er (dus) onvoldoende bewijs is voor de conclusie dat verdachte gepoogd heeft om het lijk weg te maken (par. 22 en 23 van de schriftuur), geldt dat hetgeen in hoger beroep is aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek dergelijke gevolgtrekkingen nu juist ontbeert.
38. De overweging van de advocaat-generaal bij het hof ter zitting van 6 augustus 2014 (hiervoor aangehaald onder 32) dat de gegevens op de CD-rom zonder een analyse van de politie niet goed te duiden zijn, acht ik geen goed argument. Forensische basisgegevens kunnen voor de verdediging van belang zijn zonder duiding door analisten van de politie. Uit de overwegingen die ten grondslag liggen aan de bestreden beslissing blijkt echter niet dat het hof aan de problematische redengeving van de advocaat-generaal enig gewicht heeft toegekend.
39. Nu de enkele klacht dat de beslissing ten onrechte niet in het verkorte arrest maar in de aanvulling is opgenomen, hoewel op zichzelf gegrond, niet tot vernietiging van het bestreden arrest noopt en de beslissing van het hof voorts niet onbegrijpelijk is, faalt het middel.
40. Het vijfde middel klaagt dat art. 365a Sv is geschonden doordat het hof de aanvulling op het arrest ruim negen maanden na het wijzen van het arrest heeft opgemaakt.
41. Ingevolge art. 415 Sv jo. art. 365a lid 3 Sv dient de aanvulling op het arrest binnen vier maanden na aanwenden van het rechtsmiddel te geschieden (dan wel binnen drie maanden indien de verdachte zich alsdan terzake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorlopige hechtenis bevindt). Het arrest van het hof is gedateerd 11 november 2015. Op 23 november 2015 is namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. De bijlage met bewijsmiddelen bij het arrest dateert van 18 augustus 2016, inderdaad ruim negen maanden na het wijzen van het arrest. Het niet tijdig aanvullen van het arrest, zoals in casu het geval is, leidt evenwel niet tot nietigheid. Nu ook de omstandigheid dat de beslissing op het door de verdediging gedane verzoek is opgenomen in de aanvulling niet leidt tot vernietiging van het arrest, zoals uiteengezet bij de beantwoording van het vierde middel, faalt het middel.
42. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
43. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden