"Zojuist heb ik bericht ontvangen van de dagvaarding van mijn zoon [verdachte] op 29 juli 2015 te 14:00 uur.Hierbij wil ik u mededelen dat hij niet in de gelegenheid is, te verschijnen voor het gerechtshof 's-Hertogenbosch.Dit met de reden dat hij sinds 08-01-2015 gedetineerd zit in Duitsland. JVA Koblenz. Op 25 juni 2015 is hij veroordeeld tot 4 jaar celstraf. Hij verblijft momenteel in JVA Koblenz. Wanneer de transport mogelijk is wordt hij een deze dagen overgeplaatst naar JVA Diez.Bijgevoegd een detentieverklaring van mijn zoon:(…)"
7. Voorts blijkt uit het dossier dat (i) van deze brief op 8 juli 2015 een afschrift is verstrekt aan de Advocaat-Generaal bij het hof en aan het hof, (ii) dit afschrift op 8 juli 2015 is ingekomen bij het hof, (iii) op dit afschrift met pen is vermeld de datum van de terechtzitting in hoger beroep en de naam van de voorzitter van de meervoudige kamer voor strafzaken die de zaak heeft behandeld.
8. Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP, rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte, zoals naar moet worden aangenomen hier het geval is geweest, ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was.
9. Uit het hiervoor onder 5 vermelde stuk - aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld - moet worden afgeleid dat de verdachte [mogelijk] ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd. Nu de betreffende stukken waaruit dit blijkt zich tevens bij het procesdossier bevonden, had het hof dit ten tijde van de behandeling ter terechtzitting kunnen weten maar heeft de zittingsrechter deze informatie kennelijk over het hoofd gezien.
10. In cassatie kan worden vastgesteld dat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten achteraf bezien onjuist was. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn brengt het voorgaande mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
11. Nu het tweede middel slaagt behoeft het eerste middel geen bespreking.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG