“1.
hij op 5 juli 2012 te Sprundel, gemeente Rucphen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [a-straat 1]) heeft weggenomen twee laptops en een hoeveelheid geld en twee afstandsbedieningen en twee 3D brillen en twee hoesjes (horende bij die 3D brillen) en een doosje van een I-Phone (met als inhoud oortelefoontjes) en twee gespen en een televisie, toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;”
7. Dit feit heeft het hof gekwalificeerd als diefstal met braak. Het gaat hier dus niet om diefstal door middel van inklimming. Voor zover het middel daarvan uitgaat, berust het op een verkeerde lezing van het arrest. Daaraan kan niet afdoen de opmerking in de schriftuur dat de verdachte zou hebben verklaard dat hij door een raam van de woning naar binnen is gegaan. Ik wijs er bovendien op dat sprake is van medeplegen.
8. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat er schade is toegebracht aan het cilinderslot, nu het hof ten aanzien van feit 1 heeft volstaan met de opgave van de bewijsmiddelen, zonder daarbij de inhoud ervan weer te geven. In dat verband wordt enkel verwezen naar de bekennende verklaring van de verdachte, het politiedossier en het proces-verbaal van bevindingen. Een blik achter de papieren muur laat zien dat noch in de bekennende verklaring van de verdachte noch in de aangifte wordt gerept van schade aan het cilinderslot van een deur.
9. Op de vraag waarom de benadeelde partij de vergoeding van die schade vordert, geeft het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg antwoord. De benadeelde partij, aldaar aanwezig, heeft haar vordering als volgt toegelicht:
“Ik heb gekeken wat er uit mijn woning weg was. Dat heb ik toen aan de politie doorgegeven. Ik kwam er pas op een later moment achter dat ik meer goederen miste. Al mijn sleutels bleken weg te zijn. Daarom heb ik ook nieuwe sloten laten zetten. Het cilinderslot was het slot van de voordeur.”
10. Op grond van art. 51f, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit als bedoeld in art. 361, tweede lid onder b, Sv.
11. Vooreerst merk ik op dat de hier bedoelde schade mijns inziens niet expliciet hoeft te volgen uit de tenlastelegging en de bewezenverklaring.Nu uit de verklaring van de benadeelde partij zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat bij de inbraak ook haar sleutels waren weggenomenen dat zij zich daarom genoodzaakt zag het cilinderslot van de voordeur te vervangen, geeft het oordeel van het hof dat sprake is van rechtstreekse schade voor wat betreft de onderhavige post niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is dat oordeel in het licht van hetgeen de raadsvrouw ter ’s hofs terechtzitting heeft aangevoerd toereikend gemotiveerd, waarbij nog zij aangetekend dat toen niet is bestreden dat er sleutels door de verdachte en/of diens medeverdachte zijn ontvreemd. Ik wijs er voorts op dat de kosten die door de benadeelde partij te dezer zake zijn gevorderd in redelijkheid zijn gemaakt en ook in omvang redelijk zijn.
12. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
13. Het cassatieberoep is ingesteld op 5 januari 2015. De stukken van het geding zijn op 25 mei 2016 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de inzendtermijn is overschreden. Nu het tijdsverlies niet door een voortvarende behandeling in cassatie kan worden gecompenseerd, dient dit te leiden tot strafvermindering.
14. Het middel is terecht voorgesteld.
15. De eerste twee middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de duur van de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG