“A.
Het proces-verbaal misdrijf van Politie Brabant Noord, Districten, zaaknummer 00132992, opgemaakt en ondertekend op 28 november 2013 door verbalisanten [verbalisant 1] (brigadier van politie) en [verbalisant 2] (aspirant van politie), inhoudende als bevindingen van verbalisanten:
Op 18 oktober 2013 zag ik, verbalisant [verbalisant 2], een witte Suzuki Swift personenauto, voorzien van het kenteken [AA-00-BB], over de voor het openbaar verkeer openstaande weg Vierlanderdreef te Cuijk rijden. De verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, verbalisant [verbalisant 2], de volgende personalia: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965. Na controle bij de Rijksdienst voor het wegverkeer bleek dat het rijbewijs van de bestuurder ongeldig was verklaard.
Verdachte verklaarde:
Ik heb zes maanden rijontzegging gehad. Deze is afgelopen op 08/02/2013. Daarna kon ik deze (het hof begrijpt: verdachtes rijbewijs) terugkrijgen van het CBR maar dat is niet gebeurd. Ik reed nu wel auto. Ik bestuurde deze witte Suzuki.
B.
Een ander geschrift, als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5, zijnde een uitdraai uit het register CBR-Rijbewijsgegevens (bevragingsdatum 18-10-2013), als bijlage gevoegd bij het onder B genoemde proces-verbaal, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Identiteit [verdachte], geboren [geboortedatum]-1965 te [geboorteplaats].
Ingang ongeldigverklaring: 18-09-2012. Ongeldigheid vanaf 25-09-2012 voor de rijbewijscategorieën B, BE, C, C1, C1E en CE.
Reden ongeldigverklaring: ongeldig i.v.m. deelname aan alcoholslotprogramma. Feitelijke inleverdatum ongeldig: 08-01-2013.
C.
Een ander geschrift, als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5, zijnde een besluit van 18 september 2012 van het CBR, nummer [001], tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1965, en het opleggen van een alcoholslotprogramma, inhoudende:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1965, is één of meerdere keren aangehouden. Hiervan heeft regiopolitie Brabant-Noord op 5 september 2012 een schriftelijke mededeling gedaan, zoals bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94). Het CBR heeft deze mededeling ontvangen op 7 september 2012. Hierbij delen wij mee welk besluit wij hebben genomen als reactie hierop.
Besluit:
Op grond van de schriftelijke mededeling vermoeden wij dat u niet langer voldoet aan de wettelijke geschiktheidseisen die worden gesteld aan houders van een rijbewijs. Daarom hebben wij besloten uw huidige rijbewijs ongeldig te verklaren en om u een alcoholslotprogramma op te leggen. Uw rijbewijs is ongeldig vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit (het hof begrijpt aldus: met ingang van 25 september 2012). Door aan het alcoholslotprogramma mee te werken kunt u in het bezit komen van een rijbewijs voor de categorie 8 met code 103 ‘rijden met een alcoholslot’. Als u het niet eens bent met ons besluit, dan kunt u volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bezwaarschrift indienen bij onze algemeen directeur. U moet dit bezwaarschrift binnen zes weken na verzending van dit besluit opsturen.”
6. Voorts heeft het hof overwogen, voor zover hier van belang:
“Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen.
Verdachte heeft zijn rijbewijs op 8 januari 2013 ingeleverd. Vast staat dat verdachte op het moment dat hij op 18 oktober 2013, als bestuurder van een motorrijtuig, door de politie werd staande gehouden, niet beschikte over een geldig rijbewijs. Verdachte heeft bij zijn staande houding tegenover de politie verklaard dat hij een rijontzegging had gehad, dat deze op 8 februari 2013 zou eindigen, dat hij het rijbewijs daarna terug kon krijgen, maar dat dat nog niet was gebeurd.
Gelet op deze verklaring, in onderling verband gezien met het besluit van het CBR d.d. 18 september 2012, inhoudende dat het rijbewijs ongeldig zou worden verklaard en dat verdachte eerst aan bepaalde voorwaarden moest voldoen om deze bevoegdheid weer te krijgen, is het hof van oordeel dat verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat hij die dag een auto bestuurde terwijl het op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs was afgegeven.”
7. Of een verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, is een vraag die al diverse malen in cassatie aan de Hoge Raad is voorgelegd. Uiteraard laat deze vraag zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt zij een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Dat neemt niet weg dat uit de desbetreffende rechtspraak het volgende valt af te leiden. Uit de enkele omstandigheid dat een besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs per gewone en aangetekende brief is verzonden en niet als onbestelbaar retour is gekomen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dat het postbedrijf een aangetekend poststuk pleegt te retourneren indien het niet persoonlijk aan de geadresseerde kan worden uitgereikt, maakt dat niet anders. Evenmin voldoende is dat de verdachte er weet van heeft dat hem de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer is opgelegd en dat het niet nakomen van de daaraan verbonden verplichtingen tot ongeldigverklaring van het rijbewijs zal kunnen leiden, en zo ook de omstandigheid dat de verdachte eerder straf heeft ondergaan wegens rijden gedurende dezelfde ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
8. Dat de verdachte redelijkerwijs moest weten van de ongeldigheid van zijn rijbewijs kon het hof wel aannemen in een zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8747. In dat geval was het besluit tot ongeldigverklaring zowel aangetekend als niet aangetekend verzonden en niet retour gekomen. Daarbij kwam dat het CBR ruim één maand na de ongeldigverklaring het ongeldig verklaarde rijbewijs had ontvangen en dat de verdachte vervolgens gedurende bijna zeven jaren geen nieuw rijbewijs had aangevraagd. Daaruit kon het hof afleiden dat de betrokkene redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, zodat het daartegen gerichte middel faalde.
9. Net als in het laatstgenoemde geval volgt in de onderhavige zaak uit de bewijsmiddelen dat de verdachte zijn rijbewijs ten tijde van het tenlastegelegde feit niet tot zijn beschikking had en dat onduidelijk is of het rijbewijs door de verdachte zelf was ingeleverd of langs andere weg bij het CBR terecht was gekomen. Blijkens bewijsmiddel B. is het rijbewijs van de verdachte ongeldig sinds 25 september 2012 en was de “feitelijke inleverdatum ongeldig” 8 januari 2013. De tussen de pleegdatum en de feitelijke inleverdatum van het rijbewijs verstreken tijd (ruim negen maanden) is aanzienlijk korter dan in het zo-even genoemde arrest van 19 juni 2012 (bijna zeven jaren). Een ander verschil is dat de onderhavige bewijsmiddelen in het midden laten of het besluit tot ongeldigverklaring op enig moment – al dan niet aangetekend – aan de verdachte is verzonden. Een blik achter de papieren muur verschaft daarover evenmin duidelijkheid.
10. Vanwege die verschillen slaagt het middel mijns inziens. Niet blijkt uit de bewijsmiddelen dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs op enig moment aan de verdachte behoorlijk bekend is gemaakt. Dat de verdachte heeft verklaard te hebben gemeend dat het verlies van zijn rijbewijs het gevolg was van een tijdelijke, inmiddels geëindigde rijontzegging, kan naar mijn inzicht op zichzelf niet het oordeel dragen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. In dat opzicht schiet de bewijsvoering van het hof tekort. Waar het in zaken als de onderhavige uiteindelijk op aankomt, is vanaf welk moment van de verdachte mag worden verlangd dat hij aan zijn eigen voorstelling van zaken in zodanige mate gaat twijfelen dat hij als gevolg van die twijfel onderzoek behoort te verrichten. De enkele omstandigheid dat de verdachte in de bedoelde periode zijn rijbewijs niet retour heeft ontvangen, acht ik daarvoor niet zonder meer voldoende. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat overtreding van art. 9, tweede lid, WVW 1994 een misdrijf oplevert en het hier betwiste bestanddeel derhalve meer inhoudt dan louter enige verwijtbaarheid.
11. Het tweede middel slaagt.
12. Het eerste middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke inzendtermijn van de processtukken is overschreden. Het cassatieberoep is ingesteld op 16 oktober 2015. De stukken van het geding zijn ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 23 september 2015. Dat betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim drie maanden is overschreden. Nu het tweede middel slaagt, kan de Hoge Raad het middel onbesproken laten. Het tijdsverloop kan bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG