ECLI:NL:PHR:2017:1125

ECLI:NL:PHR:2017:1125, Parket bij de Hoge Raad, 29-08-2017, 15/05982

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 29-08-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/05982
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2017:3023
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 4 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Oplichting door beleggers met valse vooruitzichten voor bijna 20 miljoen euro in wijnbeleggingsmaatschappij te laten investeren, art. 326 Sr en witwassen, art. 420bis.1 onder b Sr. Witwassen door groot deel van inleggeld (afkomstig van slachtoffers van bewezenverklaarde oplichting) via andere rekeningen in delen over te boeken naar o.m. buitenlandse ondernemingen. Middelen klagen o.m. dat het bewezenverklaarde “omzetten” en “gebruik maken” plaatsvond onder omstandigheden die niet wezenlijk verschilden van “voorhanden hebben en/of verwerven”, waardoor kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing zou zijn. HR: art. 81.1 RO.

Uitspraak

Het ten laste gelegde feit onder 2 (witwassen)

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft overeenkomstig zijn overgelegde schriftelijk requisitoir gerequireerd tot bewezen verklaring van het onder 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van oplichting door [A] zodat het geld dat [A] heeft ontvangen, niet van misdrijf afkomstig is. Indien het hof wel van oordeel is dat sprake van oplichting is, is niet komen vast te staan dat de verdachte beneficial owner was van de bedrijven waarnaar het geld is overgemaakt.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [A] BV en [B] Sarl in totaal € 19.377.852 van beleggers hebben verkregen door middel van oplichting. De verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan de door de vennootschappen gepleegde oplichting en wist derhalve dat de ontvangen gelden van misdrijf afkomstig waren.

Vervolgens is via de rekening van [A] , waarover de verdachte beschikkingsmacht had, in totaal € 2.509.852 overgeboekt naar [C] en in totaal € 4.900.716 naar [D] .

Via de rekening van [B] S.A.R.L., waarover verdachte eveneens beschikkingsmacht had, is in totaal € 707.976 overgeboekt naar [D] .

Vervolgens heeft de medeverdachte [medeverdachte] , al dan niet handelend onder de naam [C] of [D] - in opdracht van de verdachte - in totaal € 3.316.338 overgeboekt naar de rekening van [E] S.A.R.L. te Luxemburg en in totaal € 120.046 naar de rekening van [F] S.A.R.L. te Luxemburg.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de vermelde bedragen door de verdachte, dan wel in opdracht van de verdachte zijn witgewassen, nu de verdachte de van misdrijf afkomstige geldbedragen heeft overgeboekt en/of laten overboeken naar rekeningen van in het buitenland gevestigde ondernemingen en vennootschappen, ten behoeve van hemzelf.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dat verdachte geen beneficial owner was van de in de bewezenverklaring genoemde ondernemingen en verwijst hiervoor onder meer naar wat reeds is overwogen onder het ten laste gelegde feit onder 1. Het hof wijst voorts op AH-43 waaruit volgt dat verdachte niet alleen economische begunstigde was van [B] (99%) en [A] (via [J] , 98%) maar ook van [E] (99% zie D-056) alsmede [F] (51% zie D-142), wat eveneens zijn ondersteuning vindt in de op 30 oktober 2007 ten overstaan van Luxemburgse verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 17] :

‘Daarna, in 2004, kocht [verdachte] [E] om vorm te geven aan een afspraak met een Nederlandse handelaar op het gebied van kunstvoorwerpen in Groot-Brittannië. Rond 2004 kocht hij [F] als werkmaatschappij voor de kunstvoorwerpen.’”

7. Art. 420bis, eerste lid, Sr luidt, voor zover hier van belang:

“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:

(…); b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.”

8. Door het hof is bewezenverklaard dat de verdachte via verschillende ondernemingen geldbedragen heeft omgezet en hiervan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf. Dit grondmisdrijf is in de bewezenverklaring van het witwasdelict nader gespecificeerd als oplichting. In de bewijsoverwegingen van het hof worden de geldbedragen eveneens in verband gebracht met oplichting, dat wil zeggen rechtstreeks met de oplichting zoals onder feit 1 is bewezenverklaard. De gevolgtrekking daaruit luidt dan ook dat de onder feit 2 genoemde geldbedragen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Daarmee is evenwel niet gezegd dat hier de rechtspraak van de Hoge Raad over de kwalificeerbaarheid als witwassen van het "verwerven" en het “voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen van toepassing is.

9. Ik wijs op de volgende rechtspraak van de Hoge Raad. Indien sprake is van het "verwerven" en/of het "voorhanden hebben" van voorwerpen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als gewoon (schuld)witwassen kunnen worden gekwalificeerd. In een dergelijk geval moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. De ratio hiervan is dat voorkomen wordt dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het gewoon (schuld)witwassen van die voorwerpen. Daarnaast wordt hiermee bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

10. In de onderhavige zaak heeft het hof het “gebruik maken" en het "omzetten" bewezenverklaard. Op deze delictsgedragingen heeft de hierboven genoemde rechtspraak van de Hoge Raad geen betrekking, behoudens:

“(..) in het bijzondere geval dat zulk (…) "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de hiervoor onder 3.3 weergegeven regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan "verwerven" of "voorhanden hebben". In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hierboven onder 3.3 omschreven zin.”

11. Een bijzonder geval als hiervoor bedoeld doet zich in de regel voor in een situatie dat het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn kan worden aangemerkt als “omzetten” of “overdragen” in de betekenis van art. 420bis, eerste lid aanhef en sub b, Sr. In een dergelijk geval zal, om de betreffende gedragingen als witwassen te kunnen kwalificeren, sprake moeten zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.

12. Volgens de steller van het middel doet het voormelde bijzondere geval zich ook in de onderhavige zaak voor. Aangevoerd wordt dat het geld ‘slechts’ is verplaatst en dat de verdachte de beschikkingsmacht is blijven houden over het geld, zodat deze gedragingen niet wezenlijk verschillen van het verwerven en/of het voorhanden hebben van voorwerpen die uit eigen misdrijf afkomstig zijn.

13. Vooropgesteld zij dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende termen “omzetten” en “gebruik maken” voldoende feitelijke betekenis hebben en derhalve niet nader omschreven hoeven te worden. Blijkens de wetsgeschiedenis gaat het bij gebruikmaken “om het op een of andere wijze aanwenden van het betrokken voorwerp ten behoeve van de witwasser zelf of ten behoeve van derden. Het heeft een element van profijttrekking in zich.” Daarbij worden enkele voorbeelden genoemd, zoals het op reguliere wijze maar met crimineel geld kopen van een dure auto bij een bonafide bedrijf en het gebruik van met crimineel geld gefinancierd onroerend goed voor een (schijn)onderneming, teneinde dat onroerend goed de schijn van legaliteit te geven. Voor het omzetten wordt aansluiting gezocht bij de betekenis die Van Dale daaraan geeft: (geld en goederen) verwisselen met een andere geldswaarde of met zekere handelsartikelen. Daarom kan, aldus de Memorie van Toelichting, het kopen van een luxe auto ook omzetten opleveren en bijgevolg sprake zijn van overlap met het gebruik maken.

14. De bewijsmiddelen houden in dat de beleggers ruim 19 miljoen euro hebben geïnvesteerd in [A] B.V. Daarvan zijn ten eerste een drietal bedragen – te weten € 2.509.825,10, € 4.900.716,00, en € 707.976,83 – overgeboekt naar rekeningnummers van [C] respectievelijk [D] (bewijsmiddelen 46 en 50). Deze bedragen zijn blijkens het als bewijsmiddel 30 gebezigde stroomschema vervolgens gedecoupeerd overgeboekt naar bankrekeningnummers van onderscheidenlijk de verdachte, [medeverdachte] – als eerder gezegd de man achter [C] en [D] (bewijsmiddel 47) – en (andere) ondernemingen waaraan zij verbonden waren. De wijnen werden (nagenoeg) enkel ingekocht voor [A] B.V., de verdachte bepaalde de prijzen die aan de beleggers werden gefactureerd (bewijsmiddel 40). [medeverdachte] heeft verklaard dat hij in opdracht van de verdachte geld overmaakte en betalingen deed (met name de bewijsmiddelen 29 en 40). Ik noem als enkele voorbeelden: het overmaken van € 25.000,00 aan een garage met het oog op de aanschaf van een auto voor de verdachte (bewijsmiddelen 36, 37, 38 en 40); de overboeking van een bedrag van € 112.000,00 met omschrijving [verdachte] en de cash opnamen bij de Lloyds Bank in Londen aan “ [verdachte] ”, waarmee volgens de verklaring van [medeverdachte] [verdachte] wordt bedoeld (bewijsmiddel 29); de overboekingen van geldbedragen naar de Luxemburgse bedrijven [E] S.A.R.L. (in totaal € 3.316.338,00) en [F] S.A.R.L. (€ 120.046,00) (bewijsmiddelen 29, 40 en 49); de betalingen die op verzoek van de verdachte door [medeverdachte] verricht zijn met een andere valuta (bewijsmiddel 29). Telkens wordt als naam van de economisch begunstigde de naam van de verdachte genoemd, en met het hof kan worden vastgesteld dat de verdachte ook beneficial owner was van ‘ [E] ’ en ‘ [F] ’ (bewijsmiddel 43). [medeverdachte] heeft verklaard dat hij een percentage van 10 procent inhield op deze betalingen, naar ik begrijp voor zijn verdiensten (bewijsmiddel 48).

15. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het door de beleggers ingelegde geld goeddeels is verplaatst naar, kort gezegd, de twee ondernemingen van [medeverdachte] ( [C] en [D]) en van daaruit verder uit het zicht is verdwenen door het in parten opgedeeld over te boeken naar bepaalde bankrekeningnummers van weer andere (buitenlandse) ondernemingen – waaronder [E] S.A.R.L. en [K] S.A.R.L., waarvan de verdachte beneficial owner was – en waarbij ook andere personen dan de verdachte en [medeverdachte] betrokken waren, zoals [betrokkene 20] en [betrokkene 21] (stroomschema, bewijsmiddel 30). Ook werd het geld gedeeltelijk omgezet in andere valuta of besteed aan de aanschaf voor een auto voor de verdachte, etc.

16. Op grond van het voorgaande luidt mijn slotsom dat het bewezenverklaarde “omzetten” en “gebruik maken” stevig steun vindt in de bewijsmiddelen. Niet doet zich hier het hierboven in randnummer 10 genoemde bijzondere geval voor dat het “gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen heeft plaatsgevonden onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft.

17. Mitsdien faalt zowel het eerste middel als het tweede middel.

18. Het derde middel klaagt dat het hof het vonnis waarvan beroep heeft vernietigd, maar vervolgens voor de bewijsmiddelen toch weer naar dat vernietigde vonnis heeft verwezen.

19. Inderdaad heeft het hof het beroepen vonnis vernietigd en in de aanvulling verkort arrest onder het hoofd “De bewijsmiddelen” zelf enkel tien bewijsmiddelen (44 t/m 53) zelf uitgeschreven en wat de overige 28 bewijsmiddelen betreft kortheidshalve verwezen naar de aanvulling verkort vonnis, met de toevoeging dat het hof deze bewijsmiddelen overneemt.

20. Een dergelijke werkwijze is voor zover mij bekend niet ongebruikelijk en mijns inziens biedt de wet ook ruimte voor deze praktische werkwijze. Art. 423, derde lid, Sv bepaalt immers dat bij vernietiging van het vonnis, het hof niettemin bevoegd is bepaalde gedeelten daarvan in zijn arrest over te nemen. Dat betekent dat alsdan niet vereist is dat de bewijsmiddelen integraal in het arrest, of de aanvulling, wordt opgenomen. Een andere opvatting zou het bepaalde in art. 423, derde lid, Sv zinledig maken. Overigens ontgaat mij het belang bij dit middel. Gaat het de steller van het middel in dit verband alleen maar om dat het hof de bedoelde bewijsmiddelen op zijn beurt nog eens uitschrijft?

21. Het middel faalt.

22. Het vierde middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat 17 benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde witwassen, klaagt althans dat dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

23. In hoger beroep hebben zich in totaal 28 benadeelde partijen gevoegd. Een viertal vorderingen heeft betrekking op de onder feit 1 bewezenverklaarde oplichting en is (gedeeltelijk) toegewezen. Daarop ziet het middel niet. Ook keert het middel zich niet tegen de 7 vorderingen die betrekking hebben op feit 2 en waarin de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn verklaard. Het is de steller van het middel te doen om de andere 17 vorderingen.

24. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, heeft het hof met betrekking tot die 17 vorderingen het volgende overwogen:

“De vorderingen van de benadeelde partijen

(…)

Beoordeling vorderingen benadeelde partijen in hoger beroep

Het hof is van oordeel dat het witwassen en het misdrijf waaruit die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig zijn, te weten de oplichting in zodanig nauw verband staan tot elkaar dat de benadeelde partijen ook door het plegen van witwassen rechtstreeks schade hebben geleden.

Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen voor zover deze voldoende met onderliggende stukken zijn onderbouwd en uitsluitend voor zover zij betrekking hebben op de aanschaf van wijn. Evenals de rechtbank, houdt het hof rekening met de tussentijdse uitkering door de curator uitkering uit de failliete boedel. Voor het overige levert de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

(…).”

25. Voor toewijzing van de vordering van de benadeelde partij is vereist dat iemand rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit. Daarbij is noodzakelijk dat sprake is van een voldoende (nauw) verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij geleden schade. De concrete omstandigheden van het geval zijn daarbij leidend. Het begrip rechtstreekse schade pleegt de Hoge Raad niet al te beperkt op te vatten. Zie bijvoorbeeld HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256. Ten laste van de verdachte was medeplegen van witwassen bewezenverklaard. Het hof had de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van € 27.371,24. De vordering had betrekking op een direct aan het witwassen voorafgaande diefstal van een geldbedrag. Het hof oordeelde dat er voldoende verband bestond tussen de door de benadeelde partij geleden schade en het bewezenverklaarde witwassen. Daarbij was onder meer van belang dat de verdachte onmiddellijk kon beschikken over het geldbedrag van € 30.000,00 dat op illegale wijze was afgeschreven van de rekening van de benadeelde partij. Het cassatieberoep dat gericht was tegen dit oordeel, werd door de Hoge Raad verworpen. Vgl. ook HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:216, NJ 2015/359 m.nt. Schalken. Van de bankrekening van de benadeelde partij waren twee grote geldbedragen door middel van overschrijvingskaarten overgeboekt naar een bank in Nederland en vervolgens doorgestort naar een bank in Liechtenstein, waar deze geldbedragen door een medeverdachte werden opgenomen en in een pakket in Keulen (eerste overboeking) en in Luxemburg (tweede overboeking) aan de verdachte werden afgegeven. Volgens de Hoge Raad getuigde het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde witwassen van deze geldbedragen en het in de bewezenverklaring bedoelde misdrijf waaruit die geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren, in zodanig nauw verband stonden tot elkaar dat de benadeelde door het medeplegen van witwassen rechtstreeks schade had geleden, niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen de uit de bewijsvoering blijkende feiten en omstandigheden. Voorts was dat oordeel, mede in het licht van hetgeen door de verdediging was aangevoerd, toereikend gemotiveerd.

26. Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel van het hof in de onderhavige zaak dat het witwassen en het misdrijf waaruit die geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn – te weten de door de verdachte als feitelijk leidinggever gepleegde oplichting – in zodanig nauw verband staan tot elkaar dat de benadeelde partijen ook door het plegen van witwassen rechtstreeks schade hebben geleden, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, noch onbegrijpelijk. Ook was het hof niet gehouden dat oordeel nader te motiveren. Ik wijs er allereerst op dat in de omschrijving van het witwassen (zoals tenlastegelegd en bewezenverklaard) de oplichting specifiek wordt aangewezen als het (grond)misdrijf waarvan de geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren. De bedoelde vorderingen van de benadeelde partijen houden rechtstreeks verband met de investeringen die zij in relatie tot de wijnbeleggingsmaatschappijen [A] B.V. respectievelijk [B] S.A.R.L. hebben gedaan. Deze investeerders is in strijd met de waarheid voorgehouden dat met hun ingelegde geld wereldwijd bij diverse handelaren, dealers, veilinghuizen, particuliere verzamelaars en commerciële bedrijven wijnen werden ingekocht. In plaats daarvan zijn hun geldelijke investeringen weggevloeid naar bedrijven van medeverdachte [medeverdachte] en vervolgens naar bedrijven waarvan de verdachte beneficial owner was. De verdachte had dit alles bedacht en (als feitelijk leidinggevende) geregisseerd, terwijl het bewezenverklaarde witwassen rechtstreeks op die geldstromen was gericht.

27. Overigens meen ik anders dan de steller van het middel dat de opvatting dat uitsluitend is voldaan aan de voorwaarde dat een betrokken benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv wanneer zij is getroffen in het belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd, in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht. Het zijn immers de concrete omstandigheden van het geval, die bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

28. Het middel faalt.

29. Alle middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

30. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?