“Gelet op voormelde procesgang is met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 30 september 2014 de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging.
Deze opdracht houdt in dat het hof – nu tegen de bestreden uitspraak van het hof van 21 december 2012 onbeperkt cassatieberoep is ingesteld – dient te oordelen of het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en voor dat feit -indien bewezen-, alsmede voor de feiten 2 primair, 3 en 5 opnieuw en met inachtneming van de dienaangaande in artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering vervatte voorschriften, straf dient op te leggen.
Het hof heeft bij arrest van 21 december 2012 beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij. Nu de beslissing van het hof omtrent de vordering van de benadeelde partij niet door de Hoge Raad is vernietigd, is de vordering van de benadeelde partij thans niet meer aan het oordeel van het hof onderworpen.”
en
“Het hof stelt vast dat de beslissing in het arrest van dit hof van 21 december 2012 inzake de vordering van de benadeelde partij niet door de Hoge Raad is vernietigd en thans niet meer aan het oordeel van het hof is onderworpen.”
7. De vordering van de benadeelde partij strekte tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde. Onder 1 was moord/doodslag subsidiair zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend ten laste gelegde en onder 2 diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend. Beide ten laste gelegde feiten zagen op hetzelfde feitencomplex.
8. De Hoge Raad heeft de beslissing van het hof vernietigd voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde. Nu de vordering van de benadeelde partij (mede) strekte tot vergoeding van schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde komt het mij voor dat ook de beslissing over deze vordering door de Hoge Raad vernietigd was, en daarmee na de terugwijzing opnieuw aan het oordeel van het hof onderworpen was. Dat de vordering kennelijk ook tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde strekte, doet hier in mijn ogen niet aan af, nu het onder 2 tenlastegelegde hetzelfde feitencomplex (in ieder geval waar het de dood van het slachtoffer betrof) als het onder 1 tenlastegelegde betrof en de schade die gevorderd wordt bestaat uit kosten gemaakt in verband met de begrafenis van het slachtoffer en die dus rechtstreeks voortvloeien uit de dood van het slachtoffer.
9. In dit verband kan acht geslagen worden op de uitspraak van de Hoge Raad van 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/42, waarin de Hoge Raad een beschouwing geeft over de reikwijdte van de partiële vernietiging. Na uiteen gezet te hebben wat valt onder een vernietiging “uitsluitend wat betreft de strafoplegging” geeft de Hoge Raad in zijn volgende overweging aan wat er niet onder valt:
“In zo een vernietiging wat betreft de strafoplegging zijn echter – anders dan wanneer mede wordt vernietigd ten aanzien van de bewezenverklaring – niet begrepen de beslissingen als bedoeld in art. 361 Sv omtrent een vordering van de benadeelde partij, nu de beslissingen omtrent die vordering worden bepaald door de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen de verdachte en de benadeelde partij.”
10. Uit deze overweging volgt dat wanneer mede wordt vernietigd ten aanzien van de bewezenverklaring, de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij als gevolg van dat bewezenverklaarde feit wel onder die vernietiging valt. Het hof had dus opnieuw moeten beslissen op die vordering.
11. Ik heb nog de vraag onder ogen gezien of verdachte wel belang heeft bij het middel, nu door de vernietiging door de Hoge Raad de toewijzing van de vordering in het arrest van het hof van 21 december 2012 is vernietigd (evenals overigens de met de vordering in verband staande schadevergoedingsmaatregel) en niet valt in te zien welk belang verdachte heeft bij een nieuwe toewijzing van die vordering.
12. Maar in dat geval zou er in mijn ogen reden zijn om ambtshalve in te grijpen. Het hof heeft nagelaten een beslissing te nemen op een aanhangige vordering van een benadeelde partij. Dat is normaliter reden voor ambtshalve ingrijpen (vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2923). Het feit dat in het onderhavige geval de nalatigheid voortvloeit uit een onjuiste lezing van de verwijzingsopdracht maakt geen relevant verschil. Ik merk daar nog bij op dat de op de voet van art. 421 lid 3 Sv gedane voeging door een benadeelde partij in hoger beroep gehandhaafd blijft na vernietiging van de in die instantie gedane uitspraak en terugwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling, en dus ook deel blijft uitmaken van hetgeen na die terugwijzing in hoger beroep moet worden beoordeeld en beslist.
13. Wat daar ook van zij, het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij niet door de Hoge Raad is vernietigd en dat deze dus niet meer aan het oordeel van het hof is onderworpen geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting.
14. Het middel slaagt derhalve.
15. Het tweede middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
16. Blijkens de akte cassatie is op 2 februari 2016 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 december 2016, derhalve ruim 10 ½ maand na het instellen van het cassatieberoep, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. De inzendtermijn is, nu verdachte in voorlopige hechtenis zit, met ruim 4 ½ maand overschreden. Daar komt bij dat de Hoge Raad naar alle waarschijnlijkheid niet voor 2 augustus 2017 uitspraak zal doen, dus dat ook de uitspraaktermijn in cassatie zal worden overschreden. De Hoge Raad kan de opgelegde gevangenisstraf verminderen in de mate die hem goeddunkt.
17. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Het hof heeft niet alleen nagelaten een beslissing te nemen over de vordering van de benadeelde partij, maar heeft ook geen beslissing genomen over een eventuele met die vordering samenhangende schadevergoedingsmaatregel. In het arrest van het hof van 21 december 2012 had het hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De Hoge Raad heeft, meen ik, die uitspraak van het hof ook wat betreft de oplegging van die maatregel vernietigd en de zaak in zoverre teruggewezen naar het hof. Het hof is er in zijn uitspraak van 20 januari 2016 kennelijk ten onrechte van uitgegaan dat de in de eerdere uitspraak van 21 december 2012 opgelegde maatregel in stand was gebleven. Tegen deze achtergrond adviseer ik de bestreden uitspraak ook ambtshalve te vernietigen voor zover daarbij niet een beslissing is gegeven omtrent de oplegging van een eventuele schadevergoedingsmaatregel.
18. Andere gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak uitsluitend voor zover daarbij niet een beslissing is gegeven omtrent de vordering van de benadeelde partij en voor zover daarbij niet een beslissing is gegeven omtrent de eventuele oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, en tot terugwijzing van de zaak in zoverre, tot vernietiging van de bestreden uitspraak uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
PG