3. Het eerste middel
Het middel klaagt dat het hof het bewezenverklaarde feit heeft gekwalificeerd als “zware mishandeling”, terwijl het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit – te weten “zware mishandeling” respectievelijk “poging tot zware mishandeling” – en slechts bewezen heeft verklaard het meer subsidiair tenlastegelegde feit, te weten “(eenvoudige) mishandeling”.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“primair:
hij op of omstreeks 24 februari 2013, in de gemeente Arnhem, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een verbrijzelde oogkas en/althans jukbeen (waardoor noodzakelijk operatief ingrijpen) en/of een wond onder het rechteroog), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een glas, althans met een hard en/of scherp en/of zwaar voorwerp in het gezicht en/althans tegen het hoofd te gooien;
subsidiair:
hij op of omstreeks 24 februari 2013, in de gemeente Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) met een glas, althans met een hard en/of zwaar en/of scherp voorwerp heeft gegooid tegen het gezicht en/althans het hoofd van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 24 februari 2013, in de gemeente Arnhem, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met een glas, althans met een hard en/of zwaar en/of scherp voorwerp in/tegen het gezicht en/althans het hoofd heeft gegooid en/althans getroffen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.”
Het bestreden arrest houdt onder het kopje “overweging met betrekking tot het bewijs”, kort gezegd, het volgende in. Het hof acht bewezen dat de verdachte door het gooien van een glas in het gezicht van de aangever, deze zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Het hof zet vervolgens gemotiveerd uiteen dat de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aan een ander zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, vervolgens het volgende in:
“Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair:
hij op of omstreeks 24 februari 2013, in de gemeente Arnhem, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een verbrijzelde oogkas en /althans jukbeen (waardoor noodzakelijk operatief ingrijpen) en /of een wond onder het rechteroog), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een glas, althans met een hard en/of scherp en/of zwaar voorwerp in het gezicht en/althans tegen het hoofd te gooien;
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:
Zware mishandeling.
(…)
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
(…)
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.”
Onder het kopje “oplegging van straf en/of maatregel” heeft het hof ten slotte – onder meer - overwogen dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld, waardoor deze pijn en zwaar lichamelijk letsel heeft ondervonden.
Aan de steller van het middel moet worden toegegeven dat het arrest onduidelijkheden bevat ten aanzien van de vraag voor welk ten laste gelegd feit het hof de verdachte heeft veroordeeld. Anders dan de steller van het middel meent, kan in cassatie mijns inziens echter wel degelijk “met zekerheid worden vastgesteld wat het hof feitelijk heeft beoogd te beslissen”. Zo kan uit de onderdelen van het bestreden arrest waarin inhoudelijk op de bewezenverklaring wordt ingegaan, in het bijzonder uit ‘s hofs bewijsoverweging, bewezenverklaring, kwalificatie van de bewezenverklaring en zijn strafmotivering, welke overwegingen aan duidelijkheid niets te wensen overlaten, worden afgeleid dat het hof heeft beoogd de verdachte te veroordelen voor “zware mishandeling” zoals bedoeld in art. 302 Sr en zoals aan de verdachte primair tenlastegelegd. Dat het hof meermalen in zijn arrest – namelijk onder de kopjes “bewezenverklaring” en “strafbaarheid van het bewezenverklaarde” evenals in het dictum - het bewezenverklaarde feit consequent heeft aangeduid als het “meer subsidiair ten laste gelegde”, en het hof onder het kopje “toepasselijke wettelijke voorschriften” wel art. 300 Sr, maar niet art. 302 Sr heeft vermeld, is weliswaar onhandig en verwarrend, maar schept geen onzekerheid over de vraag voor welk feit het hof heeft willen veroordelen.
Ik meen kortom dat het bestreden arrest verbeterd dient te worden gelezen op de punten die ik hiervoor in paragraaf 3.6 in de laatste zin noemde. Het hof heeft immers op die plaatsen in het arrest bij kennelijke verschrijving het bewezenverklaarde feit aangeduid als het “meer subsidiair ten laste gelegde” in plaats van het “primair ten laste gelegde” dan wel heeft het bij kennelijke verschrijving art. 300 Sr in plaats van art. 302 Sr vermeld.
Deze verbeterde lezing brengt mee dat het middel feitelijke grondslag mist, zodat het niet tot cassatie kan leiden.
4. Het tweede middel
Het middel klaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen “terwijl deze beslissing getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, niet met redenen is omkleed, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd in het licht van de betwisting van de vordering van de benadeelde partij door de verdediging”.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de benadeelde partij aldaar het woord gevoerd overeenkomstig zijn op schrift gestelde toelichting bij de vordering, welke toelichting en vordering aan het proces-verbaal zijn gehecht. Gelet op de omvang en de uitgebreidheid van die toelichting volsta ik met het verwijzen naar de inhoud daarvan.
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsman van de verdachte ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij onder meer het volgende aangevoerd:
“Benadeelde partij
- De BP heeft een lijvige vordering ingediend bestaande uit 10 posten. Deze keuze kan tot gevolg hebben dat de correcte behandeling van de vordering een te groot beslag legt op het strafproces. Niettemin zal de verdediging de posten bespreken.
o Shirt: matigen, onvoldoende onderbouwd. Merk, leeftijd, geschatte aanschafkosten onbekend.
o Medische kosten: referte
o Hulpmiddelen: N-O. Medische noodzaak niet gebleken. Niet in te zien waarom ‘gewone’ zonnebril niet kan volstaan.
o Ziekenhuisdaggeldvergoeding: N-O. Daggeldvergoeding is bedoeld ter dekking van kosten ziekenhuiskleding; kosten om verblijf te veraangenamen (waaronder telefoonkosten, consumpties, huur spelletjes, bloemen en fruit). Niet redelijk. Bij toewijzing volgende post afwijzen,
o Telefoonkosten: N-O. Niet onderbouwd. Noodzaak niet gebleken.
Meegenomen in ziekenhuisdaggeldvergoeding.
o Reis- en parkeerkosten: N-O, sub. matigen. Noodzaak niet (altijd) gebleken.
o Kosten zonder nut: N-O. Gaat te ver voor BP. BP beroep zich op civiel arrest (door een wanprestatie aan zijn motor kan eiser de Parijs Dakar niet rijden).
o Verzorgingskosten: N-O, sub. matigen. Medische noodzaak onvoldoende gebleken. Aangehaalde arresten niet vergelijkbaar. BZ4130 is poging moord, iemand die urenlang gemarteld is en hulpeloos is achtergelaten; BZ1602 betreft poging doodslag van man die vrouw met klauwhamer neerslaat. Beide gevallen leverden aanzienlijk zwaarder letsel op dan in casu.
o Eigen risico: referte.
o Smartengeld: matigen. Aansluiten bij smartengeldgids. Aangehaalde arrest betreft civiel arrest, andere beoordeling. Overigens betreft het een overweging ten overvloede: het hof sluit wel degelijk aan bij de bedragen die door Nederlandse rechter in soortgelijke zaken wordt opgelegd (ro. 2.15). In dat geval: no. 1361 uit de smartengeldgids 2009: CV-monteur met een bierglas op het hoofd geslagen, blijvend letsel linkeroog, tweemaal ziekenhuisopname, kan beroep niet meer uitoefenen. Geïndexeerd bedrag: € 2.226. Dat is uitgangspunt; onderhavige kwestie is minder ernstig. Matigen van laatstgenoemd bedrag.”
Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen en daaromtrent, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.957,60, bestaande uit € 1.457,60 materiële schade en € 4.500,— immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep deels toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiele en immateriële schade heeft geleden.
Door de verdediging is de hoogte van de gevorderde materiële schadevergoeding onvoldoende gemotiveerd weersproken zodat verdachte tot vergoeding van die schade is gehouden. De vordering zal tot het gevorderde bedrag worden toegewezen. Het hof acht voorts, gelet op de ernst van het letsel, de gevorderde immateriële schadevergoeding niet onredelijk of onbillijk zodat verdachte ook gehouden is deze schade te vergoeden.”
Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Bij betwisting van de vordering van de benadeelde partij is nadere motivering alleen aangewezen indien het oordeel omtrent de vordering in het licht van hetgeen door de rechter (kennelijk) in aanmerking is genomen onbegrijpelijk is.
Het Hof heeft in zijn overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat op grond van het verhandelde in het strafgeding genoegzaam aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte – het gooien met een glas in het gezicht van de benadeelde partij - materiële en immateriële schade heeft geleden ten bedrage van in totaal € 5.957,60. Gelet enerzijds op de namens de benadeelde partij met gedetailleerde onderbouwing aangevoerde schadeposten en gelet anderzijds op de summiere en nauwelijks onderbouwde weerspreking van de vordering namens de verdachte, acht ik het oordeel van het hof dat “de verdediging de hoogte van de gevorderde materiële schadevergoeding onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken zodat verdachte tot vergoeding van die schade is gehouden”, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Anders dan de steller van het middel meent, berust dat oordeel voorts niet op een onjuiste rechtsopvatting omtrent de (inderdaad op het civiele recht gebaseerde) stelplicht en bewijslastverdeling bij de vordering van een benadeelde partij in het strafproces. Ook het oordeel van het hof dat “gelet op de ernst van het letsel de gevorderde immateriële schadevergoeding niet onredelijk of onbillijk is zodat de verdachte ook gehouden is deze schade te vergoeden” is niet onbegrijpelijk, en toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt. Het verweerschrift van de benadeelde partij behoeft daarom geen bespreking.
5. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG