3.1. Eerst besteed ik aandacht aan de vraag of de klager in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
3.2. Uit door mijn medewerker ingewonnen informatie bij de strafgriffie van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, blijkt dat de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, in de strafzaak tegen de klager op 19 juli 2017 vonnis heeft gewezen (parketnummer 05/880111-16). De klager is -kort gezegd- vrijgesproken van het hem tenlastegelegde witwassen en voorts is de teruggave aan hem gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 17.100,-. Tegen voornoemde uitspraak is blijkens een uitdraai uit het SAS-systeem van 8 augustus 2017 geen hoger beroep ingesteld. Dit brengt mee dat de vrijspraak in de strafzaak tegen de klager onherroepelijk is geworden.
3.3. In o.m. HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989 verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de rechtbank, evenals in de onderhavige zaak het geval is, tussentijds in de strafzaak vonnis had gewezen en daarin de bewaring had gelast van het inbeslaggenomene ten behoeve van de rechthebbende. Daardoor kon op het bestaande klaagschrift geen andersluidende beslissing meer volgen dan de ongegrondverklaring van het beklag. Dat betekende dat de klager niet in zijn cassatieberoep kon worden ontvangen.
3.4. Ook in het onderhavige geval heeft te gelden dat er geen plaats is om het beklag gegrond te verklaren, nu de rechtbank in de strafzaak een beslissing heeft gegeven over het inbeslaggenomen geldbedrag. De op het klaagschrift gegeven beslissing is immers naar haar aard een voorlopige beslissing, die gegeven wordt in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande. Daar komt bij dat de klager, die teruggave heeft verzocht van het geldbedrag ten aanzien waarvan inmiddels bij voormeld vonnis is beslist dat het aan hem teruggegeven moet worden, ook om die reden geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland van 16 juni 2016. De klager kan in het onderhavige cassatieberoep niet worden ontvangen. Het middel blijft derhalve buiten bespreking.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG