2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bestaat na een inleiding waarin de kern van de zaak, de vaststaande feiten en het juridisch kader worden uiteengezet, uit twee onderdelen, waarvan het tweede onderdeel uiteenvalt in verschillende subonderdelen. Het middel is gericht tegen rov. 4.1, 4.3 en 4.7 van de bestreden beschikking.
Onderdeel I is gericht tegen rov. 4.1 en 4.7 van de bestreden beschikking en klaagt in de kern dat het hof heeft miskend dat de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ter zake van de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen betreffende [kind 1] dient te worden beoordeeld aan de hand van art. 8 Brussel II-bis. Het onderdeel betoogt dat aangezien vaststaat dat de gewone verblijfplaats van [kind 1] ten tijde van het indienen van het verzoek bij de rechtbank op 7 mei 2015 in Nederland was gelegen, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ter zake de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen betreffende [kind 1] . Art. 8 Brussel II-bis is van toepassing op elke rechtsmachtsvraag omtrent verzoeken ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid, ongeacht of deze in een zelfstandige procedure dan wel als een nevenvoorziening in een echtscheidingsprocedure aan de orde zijn gesteld. Volgens het onderdeel heeft het hof dit miskend dan wel zijn gedachtegang niet gemotiveerd. Gegrondbevinding van deze klacht, raakt ook de daarop voortbouwende rov. 4.2 en rov. 4.4-4.6, alsmede de slotsom in rov. 4.7 en het dictum, aldus de klacht.
De Verordening Brussel II-bis bevat in afdeling 2 van Hoofdstuk II een regeling van de bevoegdheid op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid (art. 8 t/m art. 15 Brussel II-bis). Deze bevoegdheidsregels hebben een eigen formeel toepassingsgebied. De hoofdregel is neergelegd in art. 8 Brussel II-bis en geldt voor alle maatregelen betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid, ongeacht of deze maatregelen in het kader van een echtscheidingsprocedure worden verzocht.
Art. 8 Brussel II-bis luidt als volgt:
‘1. Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
2. Het bepaalde in lid 1 geldt onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12.’
Art. 8 Brussel II-bis verklaart derhalve bevoegd de gerechten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Als peilmoment voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van het kind geldt het tijdstip waarop de zaak bij het desbetreffende gerecht aanhangig wordt gemaakt. Het tijdstip van aanhangigheid wordt op autonome wijze bepaald in art. 16 Brussel II-bis.
Naast de hoofdbevoegdheidsregel van art. 8 Brussel II-bis is in art. 12 lid 1 Brussel II-bis een accessoire bevoegdheid voor maatregelen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid opgenomen. In art. 12 lid 1 Brussel II-bis is bepaald dat de rechter van een lidstaat die op grond van art. 3 Brussel II-bis bevoegd is om van de echtscheiding kennis te nemen, óók bevoegd is ten aanzien van nevenverzoeken inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Deze connexe bevoegdheid geldt indien aan de voorwaarden van art. 12 lid 1, onder a en b, Brussel II-bis is voldaan. In art. 12 lid 3 Brussel II-bis is een vergelijkbare bepaling opgenomen voor zelfstandige procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid.
Heeft het kind geen gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat en kan evenmin art. 12 Brussel II-bis toepassing vinden, dan kan het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 een rol spelen. De samenloop tussen de Verordening Brussel II-bis en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is geregeld in art. 61 Brussel II-bis, waarin is bepaald – kort gezegd – dat de Verordening Brussel II-bis van toepassing is wanneer het kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft. Heeft het kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een staat die partij is bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, dan geldt dat verdrag. Heeft het kind zijn gewone verblijfplaats in een derde land (geen lidstaat en geen staat die partij is bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996), dan is het commune IPR van toepassing op de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is. Deze bevoegdheidsregels zijn neergelegd in art. 4 lid 2 en lid 3 Rv, indien de maatregelen worden verzocht in het kader van een echtscheidingsprocedure. Worden de maatregelen verzocht buiten het kader van een echtscheidingsprocedure, dat geldt art. 5 Rv.
De Verordening Brussel II-bis definieert het begrip gewone verblijfplaats niet. Het HvJEU heeft herhaaldelijk geoordeeld dat de ‘gewone verblijfplaats’ een autonoom Unierechtelijk begrip is, zodat dit moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de Verordening Brussel II-bis, met name het doel dat voortvloeit uit overweging 12 van de considerans van de verordening. Daarin is overwogen dat de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. De ‘gewone verblijfplaats’ van het kind stemt overeen met de plaats die een zekere integratie in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet door de nationale rechterlijke instanties worden bepaald met inachtneming van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak. Daartoe moeten, naast de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat, nog andere factoren in aanmerking worden genomen die kunnen aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de gewone verblijfplaats van het kind een zekere integratie van het kind in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Tot die factoren behoren de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf van het kind op het grondgebied van een lidstaat en de nationaliteit van het kind. Bovendien kunnen de relevante factoren variëren naar gelang van de leeftijd van het kind.
De bevoegdheid inzake de voorzieningen met betrekking tot de partner- en kinderalimentatie wordt bepaald aan de hand van de Alimentatieverordening. De bevoegdheidsregels van deze verordening hebben een universeel toepassingsgebied en gelden ongeacht de vraag of de verweerder zijn woonplaats in een lidstaat heeft. In het onderhavige geval is van belang dat art. 3, aanhef en onder b, Alimentatieverordening bepaalt dat indien de alimentatieprocedure wordt aangespannen door de onderhoudsgerechtigde, de zaak kan worden aangebracht bij de rechter van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde. Peilmoment voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde is het tijdstip waarop de zaak bij het desbetreffende gerecht aanhangig wordt gemaakt. Art. 9 Alimentatieverordening geeft een autonome regeling van het tijdstip van aanhangigheid.
Uit het bovenstaande volgt dat het oordeel van het hof in rov. 4.7 dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van het echtscheidingsverzoek van de vrouw kennis te nemen en de verzochte nevenvoorzieningen het lot van het echtscheidingsverzoek delen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof had immers met betrekking tot de verzochte nevenvoorzieningen ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid dienen te onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van art. 8 Brussel II-bis. Ten overvloede wijs ik er op dat de situatie zoals omschreven in art. 10 Brussel II-bis zich in het onderhavige geval niet voordoet. Evenmin zijn in het onderhavige geval de uitzonderingen op art. 8 Brussel II-bis, neergelegd in art. 9, 12 en 15 Brussel II-bis, van toepassing. Met betrekking tot de verzochte nevenvoorzieningen ter zake van partner- en kinderalimentatie, had het hof dienen te onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van de Alimentatieverordening.
Gelet op het voorgaande meen ik dat onderdeel I terecht is voorgesteld.
Onderdeel II is gericht tegen rov. 4.3 en valt in vijf subonderdelen uiteen. Het onderdeel klaagt in de kern dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Nederlandse rechter ter zake van het echtscheidingsverzoek geen bevoegdheid toekomt op grond van art. 3 Brussel II-bis.
Subonderdeel II.1 klaagt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beoordeling van de termijn van zes maanden neergelegd in art. 3, aanhef en onder a, laatste gedachtestreepje, Brussel II-bis, geen ex nunc-toets toe te passen. Uit het oogpunt van proceseconomie dient een ex nunc-toets te worden gehanteerd, oftewel het spiegelbeeld van het perpetuatio fori-beginsel dat de Verordening Brussel II-bis hanteert. De opvatting dat bij de beoordeling van de zes maanden termijn het tijdstip waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt doorslaggevend is, is in strijd met de proceseconomie en met art. 6 EVRM, omdat de partij genoodzaakt wordt opnieuw een procedure te starten en nodeloze proceskosten zal moeten maken, aldus het subonderdeel.
De opvatting van het subonderdeel kan niet als juist worden aanvaard. Art. 3, aanhef en onder onder a, laatste gedachtestreepje, Brussel II-bis bepaalt immers uitdrukkelijk dat ter zake van echtscheiding het gerecht van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt bevoegd is, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en onderdaan van de betrokken lidstaat is. Deze bevoegdheidsgrond leidt tot een forum actoris, evenals de bevoegdheidsgrond van art. 3, aanhef en onder a, voorlaatste gedachtestreepje, waarin een termijn van één jaar is opgenomen. Door het opnemen van deze termijnen (resp. van zes maanden en van één jaar), wordt het effect van de invoering van een forum actoris enigszins getemperd. Dergelijke termijnen waren reeds bekend in het recht van verschillende lidstaten, waaronder Nederland.Een beoordeling ex nunc verhoudt zich niet met het als peilmoment geldende tijdstip waarop de zaak aanhangig is gemaakt en doorkruist het systeem van de verordening, in het bijzonder met betrekking tot litispendentie (art. 19 Brussel II-bis). Daarnaast zou een beoordeling ex nunc kunnen leiden tot forumshopping en de daarmee verbonden lawshopping. De omstandigheid dat een partij opnieuw een verzoek tot echtscheiding moet indienen, indien het desbetreffende gerecht met betrekking tot een eerder ingediend verzoek onbevoegd was van het verzoek kennis te nemen omdat de termijn nog niet was voltooid, en na voltooiing van die termijn wél bevoegdheid bestaat op grond van art. 3 Brussel II-bis voor het nieuwe ingediende verzoek, is niet in strijd met art. 6 EVRM. Het subonderdeel faalt derhalve.
Subonderdeel II.2 klaagt dat het hof in rov. 4.3 ten onrechte en zonder motivering het eerste huwelijksdomicilie als de gewone verblijfplaats van de vrouw tot uitgangspunt heeft genomen en heeft geoordeeld dat omstandigheden die de vrouw heeft gesteld geen wijziging hebben gebracht in de vaststelling dat de gewone verblijfplaats van de vrouw in India was gelegen. Volgens het subonderdeel getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting over de invulling van de gewone verblijfplaats in de zin van art. 3 en art. 8 Brussel II-bis.
Het hof heeft in rov. 4.3 overwogen dat de gewone verblijfplaats de plaats is waar de betrokkene het permanente centrum van zijn of haar belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn. Het hof heeft vervolgens aan de hand van de juiste maatstaf invulling gegeven aan de gewone verblijfplaats van de vrouw. Deze invulling van het begrip gewone verblijfplaats is zo nauw verweven met beoordelingen van feitelijke aard, dat de door het hof daaraan gegeven invulling in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het oordeel van het hof dat de gewone verblijfplaats van de vrouw pas ongeveer twee weken ná 7 december 2014 in Nederland is komen te liggen, is, gelet op alle omstandigheden die het hof blijkens rov. 4.3 in zijn oordeel heeft betrokken, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel kan derhalve niet slagen.
Subonderdeel II.3 klaagt dat het hof in rov. 4.3 van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is uitgegaan voor zover het hof de feitelijke duur van het verblijf van de vrouw in India over de periode 2011/2012 doorslaggevend heeft geacht.
Het subonderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest. Zoals aangegeven in 2.15 van deze conclusie, heeft het hof een juiste maatstaf toegepast bij de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de vrouw. Voor het overige is het bestreden oordeel niet onvoldoende gemotiveerd of anderszins onbegrijpelijk. Het subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Subonderdeel II.4 betoogt dat uit de omstandigheden die het hof als vaststaand aanneemt geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de plaats waar de vrouw het centrum van haar belangen had gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te geven, zeker niet India maar uitsluitend Nederland was. Het oordeel van het hof dat de gewone verblijfplaats van de vrouw niet reeds vóór 7 december 2014 in Nederland is gelegen en dat uit de omstandigheden geen bewijsvermoeden valt te ontlenen dat de vrouw altijd gewoon verblijf in Nederland heeft gehad, is volgens het subonderdeel onjuist, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.
Het subonderdeel bouwt voort op de voorgaande subonderdelen. Zoals ik reeds heb opgemerkt, past het hof een juiste maatstaf toe en is de invulling van het begrip gewone verblijfplaats zo nauw verweven met beoordelingen van feitelijke aard, dat die invulling in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het oordeel van het hof omtrent de gewone verblijfplaats van de vrouw is, gelet op alle omstandigheden die het hof blijkens rov. 4.3 in het bestreden oordeel heeft betrokken, niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel faalt derhalve.
Subonderdeel II.5 bouwt op de voorgaande klachten van onderdeel II voort en deelt het lot daarvan.
Ik kom tot de slotsom dat onderdeel II faalt.
Het slagen van onderdeel I heeft bij mij de vraag doen rijzen wat daarvan de consequentie is. De vrouw heeft immers bij inleidend verzoekschrift aan de rechter behalve echtscheiding ook nevenvoorzieningen inzake gezag en alimentatie verzocht. Nu de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid heeft om van de echtscheiding kennis te nemen, rijst de vraag welk gevolg deze omstandigheid heeft voor de verzochte nevenvoorzieningen. In mijn conclusie heb ik uiteengezet dat de rechter zijn internationale bevoegdheid om kennis te nemen van de nevenvoorzieningen afzonderlijk moet beoordelen. Voor de gezagsvoorziening vloeit de internationale bevoegdheid voort uit art. 8 Brussel II-bis en voor de alimentatievoorziening uit art. 3, aanhef en onder b, Alimentatieverordening. Tegelijkertijd zijn naar Nederlands procesrecht de nevenvoorzieningen gekoppeld aan de echtscheidingsprocedure (art. 827 Rv) en leidt bijvoorbeeld de omstandigheid van het achterwege laten van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ertoe dat de beslissingen op in de echtscheidingsprocedure verzochte nevenvoorzieningen in de zin van art. 827 Rv hun kracht verliezen. Deze consequentie is op zich genomen logisch: voor beslissingen op in het kader van een echtscheidingsverzoek verzochte nevenvoorzieningen is geen plaats wanneer de echtscheiding niet wordt uitgesproken, bijvoorbeeld omdat de aangezochte rechter geen rechtsmacht heeft om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen. Aldus kan ik in de onderhavige zaak de beslissing van het hof in rov. 4.7 dat de verzochte nevenvoorzieningen het lot van het echtscheidingsverzoek delen, wel begrijpen, zij het dat het hof zijn oordeel inzake de nevenvoorzieningen ten onrechte geheel heeft geplaatst in de sleutel van de internationale bevoegdheid. Nu het hier een bevoegdheidsincident betreft, zou ik menen dat de Hoge Raad na vernietiging van de bestreden beschikking van het hof op het punt van de bevoegdheid ten aanzien van de nevenvoorzieningen, de zaak dient terug te wijzen naar de rechtbank Noord-Holland voor verdere behandeling en beslissing.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarin is geoordeeld dat de Nederlandse rechter onbevoegd is kennis te nemen van de door de vrouw gedane verzoeken tot nevenvoorzieningen en tot terugwijzing naar de rechtbank Noord-Holland voor verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G