“Bewijsverweer
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op standpunt gesteld dat de getuigenverklaring van [betrokkene 1] niet voor het bewijs kan worden gebruikt.
De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de getuige [betrokkene 2] tegen de getuige [betrokkene 1] – die als bijzonder opsporingsambtenaar werkzaam was in de bus waarin de chauffeur zou zijn bespuugd – in gebrekkig Engels/Nederlands een verklaring heeft afgelegd en: daarbij met gebaren heeft voorgedaan wat hij heeft waargenomen. De getuige [betrokkene 1] is hierover door de politie telefonisch gehoord en zijn verklaring is in een proces-verbaal vastgelegd. De raadsman is van mening dat een dergelijke vastlegging twijfel oproept over de vraag wat [betrokkene 2] heeft gezien en aan [betrokkene 1] heeft voorgedaan en of [betrokkene 1] hem goed begrepen heeft, aangezien niet bekend is wat zijn kennis is van de Engelse taal en [betrokkene 1] zelf niets heeft waargenomen. Daarnaast stelt de raadsman vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte op de camerabeelden, waarop overigens niet is te zien dat de verdachte heeft gespuugd, terwijl de verdachte het tenlastegelegde feit ontkent.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof leidt uit de verklaring van de getuige [betrokkene 1] af dat [betrokkene 2], die zich voorin de bus op een plaats naast de buschauffeur bevond, de verdachte heeft zien spugen in het gezicht van de buschauffeur en met gebaren heeft voorgedaan hoe de chauffeur het spuug van zijn gezicht heeft afgehaald. Vervolgens heeft [betrokkene 2] zijn hand als een zweep richting de grond geslagen om het van zijn hand af te krijgen. [betrokkene 1] heeft verklaard dat, ondanks het feit dat [betrokkene 2] gebrekkig Nederlands en Engels praatte, hij hem goed begreep.
Het hof heeft, gelet op de inhoud van de verklaring en de gedetailleerde en beeldende wijze waarop [betrokkene 2] met gebaren heeft getoond wat hij heeft gezien, geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de overdracht daarvan aan [betrokkene 1]. Daarnaast twijfelt het hof niet aan de herkenning door de verbalisant van de hem ambtshalve bekende verdachte (veelpleger) op de camerabeelden. Het hof is van oordeel dat de getuigenverklaring en de camerabeelden steun bieden voor de feitelijke gang van zaken zoals in de aangifte weergegeven. Het hof is derhalve van oordeel dat de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd op de wijze zoals hierna bewezen verklaard.
Voorwaardelijk getuigenverzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, voor het geval het hof ten aanzien van het tenlastegelegde tot een bewezenverklaring mocht komen, verzocht de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen, aangezien er volgens de raadsman voldoende reden is als voormeld om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring en het naar zijn mening daarom noodzakelijk is om deze getuigen nader te ondervragen.
Het hof stelt voorop dat het verzoek – gelet op het tijdstip waarop het is gedaan – dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium.
Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat de getuigenverklaring van [betrokkene 1] voor het bewijs kan worden gebruikt. Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die het hof aanleiding geven om aan de juistheid of betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen. Het hof is van oordeel dat de noodzaak om de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen – niet is gebleken en het hof wijst het verzoek tot het horen van deze getuigen dan ook af.”
Ik stel voorop dat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen het in cassatie uiteindelijk gaat om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. De begrijpelijkheid van de beslissing op een verzoek om getuigen te horen zal in cassatie in verband met aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, slechts in beperkte mate kunnen worden getoetst.
Het tenlastegelegde heeft betrekking op een qua tijd, ruimte, aard en daarbij betrokkenen simpele gebeurtenis. Het gaat erom dat een buschauffeur in zijn gezicht is gespuwd door een persoon die kennelijk zonder geldig vervoersbewijs mee wilde. [betrokkene 2] bevond zich als passagier in de bus en wel op een zitplaats naast de buschauffeur. De bijzondere opsporingsambtenaar [betrokkene 1], die zich ook in de bus bevond maar het incident zelf niet heeft waargenomen, heeft een verklaring opgenomen van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] heeft met gebaren voorgedaan wat er was gebeurd en daarbij in gebrekkig Nederlands en Engels zijn relaas gedaan. [betrokkene 1] heeft de gebaren die [betrokkene 2] heeft gemaakt duidelijk beschreven in zijn proces-verbaal. Die gebaren hadden zowel betrekking op het gedrag van de passagier als op het gedrag van de chauffeur nadat deze in het gezicht was gespuwd. De beschrijving van die gebaren is volstrekt helder en laat niets aan duidelijkheid te wensen over. De passagier is naderhand herkend als verdachte. Het tweede middel dat klaagt over de onduidelijkheid van de inhoud van de communicatie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ziet eraan voorbij dat verbalisant [betrokkene 1] de gebaren die [betrokkene 2] maakte zonder meer kon aanmerken als evenzovele bewijzen voor het tenlastegelegde en dat voor het hof de beschrijving die verbalisant [betrokkene 1] heeft gegeven volkomen helder was. Het hof heeft dit tot uitdrukking gebracht door te overwegen dat de noodzaak om de getuige te horen niet is gebleken. Verbalisant [betrokkene 1] heeft, zoals het hof heeft uitgedrukt, 'beeldend' beschreven wat hij heeft waargenomen. Weliswaar heeft verbalisant [betrokkene 1] deze gebaren concluderend geduid, maar deze duiding ligt gezien de context zozeer voor de hand dat het hof deze conclusie heeft overgenomen en tot de zijne gemaakt. Dat de getuige [betrokkene 2] de Nederlandse en Engelse taal slechts gebrekkig machtig was hoefde het hof er niet van te weerhouden diens verklaring voor het bewijs te bezigen nu het beeld dat deze getuige in woord en gebaar schetste voor het hof voldoende duidelijk was en het hof daarom ook geen noodzaak aanwezig heeft kunnen achten om deze getuige en verbalisant [betrokkene 1] alsnog te doen oproepen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de afwijzing door het hof van voormeld verzoek, waarbij het de juiste maatstaf heeft toegepast, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarmee is ook het lot van het derde middel bezegeld: ook dat faalt.
5. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG