1. De verdachte is bij arrest van 8 juli 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, in de zaak met parketnummer 16-193159-13 wegens primair “diefstal, meermalen gepleegd” en in de zaak met parketnummer 16-006963-14 wegens “overtreding van artikel 41 lid 1, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
2. Namens de verdachte heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt met betrekking tot de zaak met parketnummer 16-006963-14 dat het hof ten onrechte het bewezenverklaarde feit heeft gekwalificeerd als “overtreding van artikel 41 lid 1, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd”, nu het bewezenverklaarde niet de bestanddelen ‘opzet’ of ‘culpa’ uit art. 41, tweede lid, aanhef en onder a WVW 1994 bevat.
4. Aan de verdachte is in de gevoegde zaak met parketnummer 16-006963-14 voor zover relevant ten laste gelegd dat:
“hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 juni 2012 tot en met 12 februari 2013 in het arrondissement Midden-Nederland, te weten:
(…)
een motorrijtuig op de weg heeft laten staan en/of daarmee op de weg heeft gereden, terwijl op dat motorrijtuig een teken of middel was aangebracht (tape en/of een soortgelijk teken en/of middel), waardoor de herkenning, daaronder begrepen de herkenning met behulp van technische voorzieningen, van het ingevolge artikel 40 van de Wegenverkeerswet 1994 gevoerde kenteken werd bemoeilijkt.”
5. Hiervan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 24 juni 2012 tot en met 12 februari 2013 in het arrondissement Midden-Nederland, te weten:
(…)
een motorrijtuig op de weg heeft laten staan en daarmee op de weg heeft gereden, terwijl op dat motorrijtuig een teken was aangebracht, waardoor de herkenning, daaronder begrepen de herkenning met behulp van technische voorzieningen, van het ingevolge artikel 40 van de Wegenverkeerswet 1994 gevoerde kenteken werd bemoeilijkt.”
6. Art. 41 WVW 1994 luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:
“1. Het is verboden:
(…)
b. een motorrijtuig op de weg te laten staan of daarmee over de weg te rijden dan wel een aanhangwagen op de weg te laten staan of met een motorrijtuig over de weg voort te bewegen, wanneer op dat motorrijtuig of die aanhangwagen enig teken of middel is aangebracht, waardoor de herkenning, daaronder begrepen de herkenning met behulp van technische voorzieningen, van het ingevolge artikel 40 gevoerde kenteken wordt bemoeilijkt;
(…)
2. Voor overtreding van het eerste lid, onderdelen b, d en f, zijn aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee over de weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, een en ander echter slechts indien de eigenaar, houder of bestuurder weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat op het motorrijtuig een teken of middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan wel een teken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d of f, is aangebracht, en (…).”
7. Het hof heeft in de (gevoegde) zaak met parketnummer 16-006963-14 de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte (kort gezegd het op de weg laten staan en op de weg rijden van een motorrijtuig, waarop een teken was aangebracht, waardoor de herkenning van het gevoerde kenteken werd bemoeilijkt) gekwalificeerd als “overtreding van artikel 41 lid 1, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd”. Het middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaarde gedragingen niet als zodanig had kunnen kwalificeren, nu daarin niet de bestanddelen ‘opzet’ of ‘schuld’ uit art. 41, tweede lid, aanhef en onder a WVW 1994 zijn opgenomen.
8. Geconstateerd kan worden dat de tekst van de tenlastelegging (en de bewezenverklaring) is ontleend aan art. 41, eerste lid, aanhef en onder b WVW 1994. Dit verbod richt zich op grond van art. 41, tweede lid aanhef en onder a van die wet tot de – kort gezegd – eigenaar, houder of bestuurder die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat op een motorrijtuig een niet-deugdelijk kenteken is aangebracht. Met de steller van het middel ben ik van oordeel dat, nu de tekst van de tenlastelegging louter is geënt op art. 41, eerste lid, aanhef en onder b WVW 1994, het hof het bewezenverklaarde handelen van de verdachte niet had kunnen kwalificeren als “overtreding van artikel 41 lid 1, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd”. Voor een dergelijke kwalificatie is immers vereist dat bewezenverklaard is dat de verdachte als eigenaar, houder of bestuurder weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat op een motorrijtuig een niet deugdelijk kenteken is aangebracht. Nu geen sprake is van een kennelijke schrijffout en de ontbrekende bestanddelen ook niet kunnen worden ‘ingelezen’ in de tenlastelegging, klaagt het middel hierover terecht.
9. Ik heb mij nog afgevraagd of cassatie achterwege kan blijven vanwege verdachte’s (geringe) belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak. Het hof heeft immers in reactie op een verweer overwogen dat de verdachte wetenschap had van de vervalsingen. Nu de verwerping van dit verweer in cassatie niet wordt bestreden en uit de bewijsvoering valt af te leiden dat de verdachte bestuurder en houder was van het motorrijtuig dat respectievelijk over de weg reed en op de weg stond, ligt het in rede om aan te nemen dat een terugwijzing van de strafzaak tot een wijziging van de tenlastelegging zal (kunnen) leiden, waarna de verdachte alsnog zou (kunnen) worden veroordeeld voor het delict dat de steller van de tenlastelegging kennelijk voor ogen stond.
10. Desondanks meen ik dat cassatie in de onderhavige zaak is aangewezen. Een reddingsoperatie door de Hoge Raad zou inhouden dat de bewezenverklaring op twee punten zou moet worden aangevuld met termen die niet in de tenlastelegging zijn vermeld. Hoewel de grondslagleer tegenwoordig minder streng wordt toegepast, gaat een dergelijke exercitie m.i. een brug te ver. De missende bestanddelen zijn in strikte zin geen onderdeel geweest van het onderzoek ter terechtzitting, zodat de verdachte ook niet de mogelijkheid heeft gehad zijn verdediging hierop af te stemmen.
11. Het middel slaagt.
12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-006963-14 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG