ECLI:NL:PHR:2017:1467

ECLI:NL:PHR:2017:1467, Parket bij de Hoge Raad, 28-11-2017, 17/00194

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 28-11-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/00194
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:64
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Kroongetuige. Motiveringsplicht zittingsrechter t.a.v. rechtmatigheid afspraak met getuige a.b.i. art. 226g Sv en betrouwbaarheid van diens verklaringen. Ex art. 360.2 en .4 Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van de verklaring van een getuige met wie o.g.v. art. 226h.3 Sv door de OvJ een afspraak is gemaakt op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht. Mede gelet op de wetsgeschiedenis strekt de in art. 360.2 Sv bedoelde motiveringsverplichting zich niet uit tot het oordeel van de rechter omtrent de rechtmatigheid van de afspraak a.b.i. art. 226g.2 Sv. Reeds in het gebruik van de verklaring van de getuige met wie de afspraak is gemaakt voor het bewijs ligt besloten dat de rechter niet tot een andersluidend oordeel t.z.v. de rechtmatigheid is gekomen dan in de beschikking van de RC a.b.i. art. 226h.3 Sv is vervat. Dat laat onverlet dat indien de rechter afwijkt van een uos t.a.v. de rechtmatigheid van die afspraak, hij gehouden is i.h.b. de redenen op te geven die daartoe hebben geleid o.g.v. art. 359.2 Sv. Hof heeft toereikend tot uitdrukking gebracht dat en waarom het de tot bewijs gebezigde verklaringen van de getuige betrouwbaar acht en, mede in aanmerking genomen dat het heeft vastgesteld dat de verdediging in h.b. de rechtmatigheid van de afspraak niet heeft betwist, zijn oordeel over de rechtmatigheid niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Samenhang met 15/03982, 15/04093, 15/04391 en 15/04861.

Uitspraak

IBN-CODE OMSCHRIJVING GOEDEREN

[0001] Vuurwapen pistool merk Walther, type PP, serienummer (5)034224

[0002] Geluiddemper

[0003] Zeven kogelpatronen, bodemstempel CBC.32 auto, kaliber 7.65 mm

9. Een proces-verbaal omschrijving vuurwapen van 1 november 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (ZD04, dossierpagina 166 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant

Ik onderzocht het pistool en zag dat de merkaanduiding “Walther” alleen voorkwam op de kolfplaten. Op de rest van het wapen was er behalve het serienummer (5)034224 geen opschrift aanwezig. Ik zag dat het vuurwapen van het type PP was en van het kaliber 7.65mm. Ik zag dat er geen kogelpatroon in de kamer van voornoemd pistool aanwezig was. Dit pistool is bestemd en geschikt om projectielen door een loop af te schieten en de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Daarom is het een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1, Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Hierna onderzocht ik een geluiddemper. Deze geluidsdemper is een geluiddemper als bedoeld in artikel 2, lid 1 onder f van de Regeling wapens en munitie. Derhalve is deze geluiddemper een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, Categorie I onder 3° van de Wet wapens en munitie. Deze geluiddemper was voorzien van inwendige schroefdraad met dezelfde diameter en spoed had als het uiteinde van de loop van het Walther pistool. Deze geluiddemper kon op dit Walther pistool worden gemonteerd.

Verder zag ik dat het magazijn was gevuld met 7 onbeschadigde kogelpatronen van het kaliber 7.65mm. Ik zag dat de munitie was voorzien van bodemstempel met opschrift CBC .32 AUTO. Kaliber 7.65mm. Deze 7 kogelpatronen van het kaliber 7. 65mm zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4, gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet Wapens en Munitie. Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met het voornoemd vuurwapen.

Bij onderzoek zag ik dat het vuurwapen in goede mechanische staat verkeerde en functioneerde naar behoren. Ook zag ik dat er onderhoud was gepleegd. Ik zag dat het pistool goed gereinigd was en dat de delen (slede met de kast) die contact met elkaar maken geolied waren. Na controle bleek dat de slagpin naar behoren werkte. Ik zag dat de slagpin voldoende uit de stootbodem kwam om een kogelpatroon af te vuren. Op 18 oktober 2010 zijn met voornoemd vuurwapen proefschoten verricht. Daarvoor werd het magazijn van dit vuurwapen voorzien van 4 kogelpatronen. Bij deze poging ging het wapen niet af. Bij nader onderzoek aan het pistool zag ik dat de slede niet volledig was gesloten. Met de hand gaf ik vervolgens een tikje tegen de slede en ik zag dat deze volledig sloot. Hierna heb ik probleemloos vier proefschoten afgevuurd.

10. Een proces-verbaal van verhoor van 7 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren NR02-013 en NR02-0023 (Onderzoek Panorama, dossierpagina 68 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 april 2014 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [verdachte] :

Tijdens een gesprek in het Hilton hotel in Amsterdam, waarbij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] begrijpt hier en hierna: [medeverdachte 3] ) aanwezig waren. Tijdens dit gesprek gaven [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beiden aan dat [slachtoffer] er de oorzaak van was dat de gouddeal niet door was gegaan. [medeverdachte 2] was er nog steeds van overtuigd dat [medeverdachte 3] en ik er in zouden slagen om van de gouddeal een succes te maken, hoewel ik toen uiteraard al wist dat er niets van terecht zou komen. Na dit gesprek kwam bij [medeverdachte 3] en mij de gedachte op om nog een gesprek over deze moordaanslag te voeren met als doel dat gesprek op te nemen. Het doel van deze opname was het in een later stadium afpersen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

[betrokkene 2] heeft het wapen een 7.65 mm Walther PP pistool met houder met volmantelmunitie geleverd. Hij heeft dit wapen speciaal voor dit doel aan mij geleverd. Ik heb hiervoor een bedrag van 1500 euro betaald. [betrokkene 2] wist waarom ik dit wapen kocht. Het wapen is ergens tussen het gesprek en de bandopname bij mij thuis aan mij geleverd. Ik kreeg bij het wapen een magazijn met scherpe patronen.

[medeverdachte 3] is medeopdrachtgever, uitvoerder en facilitair in de zin dat hij de vluchtauto leverde.

[medeverdachte 2] : opdrachtgever die wilde dat [slachtoffer] om het leven gebracht zou worden en tevens degene die relevante informatie ter beschikking heeft gesteld in relatie tot [slachtoffer] . Hij heeft foto’s van [slachtoffer] , zijn echtgenote en kinderen, zijn woonadres, het woonadres van zijn echtgenote, het adres van de school van de kinderen en het ip-adres ter beschikking van [medeverdachte 3] en mij gesteld.

Mijn rol was medeopdrachtgever en uitvoerder.”

19. De raadsman van de verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het woord gevoerd aan de hand van zijn pleitnotities, die aan dat proces-verbaal zijn gehecht. De raadsman heeft onder meer aangevoerd:

“ [slachtoffer] heeft in zijn aangifte d.d. 22 juli 2010 onder meer verklaard dat het incident met [betrokkene 1] hem “niet professioneel” voorkwam en hij uitging van een waarschuwing, een dreigement.

Laat dat nu precies de bedoeling van cliënt zijn geweest, Voorzitter. [slachtoffer] moest vrees aangejaagd worden, echter nog wel in staat zijn om aangifte te doen, zodat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met de bandopname succesvol afgeperst konden worden. De aan het incident voorafgaande bandopname ondersteunt het motief tot afpersing: de bestanden ‘ [bestand 1] ’ en ‘ [bestand 2] ’ zijn door cliënt samen met [medeverdachte 3] opgenomen met het oogmerk tot afpersing van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .”

20. De toelichting op het middel stelt dat de verdediging als alternatief scenario uitgebreid naar voren heeft gebracht dat het niet de bedoeling was om [slachtoffer] van het leven te beroven maar hem enkel schrik aan te jagen en daarbij te vermelden dat de boodschap van ene [medeverdachte 2] afkomstig was, in de hoop dat [slachtoffer] aangifte zou doen tegen deze [medeverdachte 2] . Mede in dat licht zou hetgeen de raadsman heeft aangevoerd inzake de aangifte van [slachtoffer] (zo begrijp ik) bezwaarlijk anders kunnen worden opgevat dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, waarvan het hof is afgeweken zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid.

21. In de bewijsoverwegingen is het hof ingegaan op het standpunt dat het de bedoeling van de verdachte was dat [betrokkene 1] [slachtoffer] zou bedreigen en verwonden (maar niet doden). Het hof verwerpt dit verweer en wijst er daarbij onder meer op dat de verdachte en [medeverdachte 3] aan de door hen uitgelokte [betrokkene 1] een geladen vuurwapen ter hand hebben gesteld en hem de instructie hebben gegeven om [slachtoffer] in de borst en in het hoofd te schieten. Dat de levensberoving uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden is volgens het hof slechts te danken aan de omstandigheid dat het vuurwapen als gevolg van de weigering van dat vuurwapen niet kon worden afgevuurd. Als ik het goed zie klaagt de toelichting niet over deze verwerping van het gevoerde verweer (daarover gaat het vierde middel). De toelichting betoogt enkel dat het hof zich nog afzonderlijk had moeten uitlaten over de aangifte van [slachtoffer] . Mij komt het voor dat het hof in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om nog afzonderlijk op dit onderdeel van het pleidooi te reageren. Ook dit onderdeel van het pleidooi vertrekt vanuit de stelling dat het enkel de bedoeling zou zijn geweest [slachtoffer] vrees aan te jagen en die stelling heeft het hof op (aan de bewijsmiddelen ontleende) gronden verworpen in de geciteerde bewijsoverweging. Het is in de pleitnotitie (op p. 18) ook verwerkt als één van de gronden die de raadsman pas veel verder in zijn betoog (op p. 22) tot de conclusie brengen dat de verdachte zou dienen te worden vrijgesproken. Tegen die achtergrond kan ook nog in herinnering worden geroepen dat de motiveringsplicht bij een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet zo ver gaat dat de rechter op ieder detail van de argumentatie moet ingaan (HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4).

22. Daar komt bij dat de beleving door [slachtoffer] van het gebeurde op zichzelf beschouwd niet van groot belang is voor de bewijsvoering. Zelfs als [slachtoffer] de aanslag als weinig serieus zou hebben ervaren, zou dat niet aan kwalificatie van het gebeurde als (medeplegen van uitlokking van) poging tot moord in de weg behoeven te staan. Doorslaggevend is wat [betrokkene 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben geweten en gewild, en of er een begin van uitvoering was. Het staat voorts volstrekt niet vast dat het hof aan dit deel van de verklaring van [slachtoffer] geloof heeft gehecht. Uit het deel van de verklaring van [slachtoffer] dat tot het bewijs is gebezigd, kan worden afgeleid dat [slachtoffer] de gebeurtenissen wel degelijk als (zeer) bedreigend heeft ervaren.

23. Het derde middel faalt.

24. Het vierde middel voert aan dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen in zaak A onder 1 primair terwijl deze bewezenverklaring berust op onderling tegenstrijdige bewijsmiddelen: ‘De aangever (bewijsmiddel 1) verklaart niets over een vuurwapen dat niet functioneerde. Hij verklaart dat de man het pistool met zijn linkerhand pakte en op hem probeerde te richten, waarna hij hard om help begon te roepen en de man wegrende. De aangever verklaart niet dat de persoon de trekker van het pistool heeft overgehaald’. Daarentegen verklaart de kroongetuige ‘dat hij met zijn rechterhand een vuurwapen uit zijn tas pakte en vervolgens dit wapen richtte op de borst van aangever (bm 4). Althans hij denkt dat hij het wapen op het bovenlichaam van de aangever heeft gericht, het ging allemaal zo snel (bm 5). Hij haalde vervolgens de trekker van het vuurwapen over, waarbij het wapen weigerde. Daarna heeft hij het wapen opgeborgen en is gevlucht’.

25. Naar het mij voorkomt is niet per definitie van tegenstrijdigheid tussen bewijsmiddelen sprake als de ene persoon (aangever) iets niet waarneemt wat volgens een andere persoon ( [betrokkene 1] ) wel heeft plaatsgevonden. Dat de aangever waarneemt dat [betrokkene 1] het wapen op hem probeerde te richten, sluit niet uit dat dit daarna ook is gelukt. Daarbij kan worden betrokken dat het wapen volgens [betrokkene 1] uit een heuptas gehaald moest worden; aangever hoeft daar geen uitstekend zicht op gehad te hebben. Dat de aangever niet verklaart dat [betrokkene 1] de trekker van het pistool heeft overgehaald is om dezelfde reden niet in strijd met de verklaring van [betrokkene 1] dat hij de trekker heeft overgehaald waarna het vuurwapen weigerde. Van een tegenstrijdigheid is wel sprake waar aangever verklaart dat [betrokkene 1] het pistool met zijn linkerhand pakte, terwijl [betrokkene 1] aangeeft dat hij met zijn rechterhand het vuurwapen uit zijn tas pakte. Maar dat is een ondergeschikte tegenstrijdigheid die aan de begrijpelijkheid van de bewijsmotivering niet afdoet. Daarbij is duidelijk dat [betrokkene 1] beter weet of hij links- of rechtshandig is.

26. De toelichting op het middel vestigt ook de aandacht op verschillen tussen verklaringen van [betrokkene 1] . Voor zover hierin een afzonderlijke klacht zou moeten worden ontwaard, merk ik nog het volgende op. Op 9 november 2011 verklaart [betrokkene 1] tegen verbalisanten (bewijsmiddel 4): ‘Ik probeerde met mijn linkerschouder en mijn linkervoet de voordeur verder open te duwen. Ik moest hiervoor kracht zetten. Op dat zelfde moment pakte ik met mijn rechterhand het doorgeladen vuurwapen uit mijn tas. Ik richtte het doorgeladen vuurwapen op de man. Ik hoorde dat de man op het moment dat ik het vuurwapen op hem richtte, begon te schreeuwen. Op het moment dat ik mijn vuurwapen op de man richtte stond ik op ongeveer een halve meter bij hem vandaan. Ik richtte volgens mij het vuurwapen op de borst van de man. Ik heb vervolgens de trekker van het vuurwapen overgehaald. Ik merkte dat het vuurwapen niet af ging. Het vuurwapen ging niet af. Het weigerde gewoon. Ik weet niet of ik nogmaals heb geprobeerd een schot te lossen. Ik raakte in paniek. Ik stopte het vuurwapen weer in mijn tas en rende naar mijn auto.’ Op 25 juni 2014 verklaart [betrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep (bewijsmiddel 5): ‘Bij de deur ontstond een worsteling. Ik probeerde de deur open te duwen, hij probeerde hem dicht te doen. Ik heb het wapen uit mijn heuptas gepakt en op hem gericht. Ik zag dat hij schrok. Ik heb geprobeerd het wapen af te vuren, maar er kwam geen kogel uit. Ik heb het wapen tijdens die worsteling gepakt. Ik denk dat ik het wapen op zijn bovenlichaam heb gericht maar het ging allemaal zo snel. Toen het wapen niet afging, ben ik gevlucht.’ De toelichting op het middel stelt dat [betrokkene 1] eerst aangeeft dat hij het wapen op de borst van aangever richt en later denkt dat hij het wapen op het bovenlichaam van de aangever heeft gericht.

27. De tegenstelling tussen beide verklaringen is in die zin minder groot dan de toelichting suggereert, dat [betrokkene 1] ook in 2011 al een slag om de arm houdt (‘volgens mij’). Die slag om de arm heeft het hof er niet van weerhouden om te overwegen: ‘Dat de levensberoving uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden is slechts te danken aan de omstandigheid dat het vuurwapen als gevolg van een weigering van dat wapen, niet kon worden afgevuurd’. Dat de kroongetuige op beide momenten in zijn verklaring een slag om de arm houdt, heeft het hof kunnen zien als passages waarin doorklinkt ‘dat de getuige van de feilbaarheid van de menselijke waarneming en zijn geheugen zich bewust is’. Zo bezien brengen ook de kleine verschillen tussen beide verklaringen en de voorzichtige wijze waarop [betrokkene 1] zich heeft uitgedrukt niet mee dat de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd is.

28. Het vierde middel faalt.

29. Het vijfde middel klaagt dat in cassatie geen behandeling van de strafzaak van de verdachte binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

30. Op 25 augustus 2015 is beroep in cassatie ingesteld. De verdachte zat toen in voorlopige hechtenis. De stukken van het geding zijn op 4 januari 2017 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de inzendingstermijn van zes maanden en daarmee de redelijke termijn is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

31. Het vijfde middel slaagt.

32. De eerste vier middelen falen. Het derde en vierde middel lenen zich voor afdoening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn ook in zoverre is overschreden. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?