“Conclusie:
Het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld op € 15.000,- (feit 2) + € 34.586 (feit 3) = € 49.586,-.
De verplichting tot betaling aan de Staat
In de strafzaak heeft het hof geoordeeld dat een bedrag van € 35.000,- verbeurd verklaard dient te worden, omdat dit door verdachte is verdiend met drugshandel.
Gelet op de samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 8] , zal het hof de helft van dit bedrag toerekenen aan verdachte en de andere helft aan [betrokkene 8] . De betalingsverplichting zal derhalve worden verminderd met het bedrag van € 35.000 : 2 = € 17.500,-.
De betalingsverplichting wordt daarmee vastgesteld op € 49.586,-. minus € 17.500 - = € 32.086,-.”
6. In de in cassatie samenhangende hoofdzaak (met rolnummer 16/00948), is de verbeurdverklaring als volgt gemotiveerd:
“Verbeurdverklaring
Onder verdachte is een geldbedrag van € 36.000,- in beslaggenomen. Door de rechtbank Almelo is geoordeeld dat van dat bedrag een bedrag van € 1.000,- aan verdachte dient te worden teruggegeven. Derhalve rust er nog steeds beslag op een bedrag van € 35.000,-. Gelet op de verklaring van verdachte dat dit geld door hem is verdiend met drugshandel, behoort dit bedrag aan verdachte toe en is het vatbaar voor verbeurdverklaring. In het kader van de ontneming rekent het hof de helft van dit bedrag toe aan medeverdachte [betrokkene 8] omdat sprake is van door verdachte geïncasseerde hennepinkomsten waarop verdachte en [betrokkene 8] ieder voor de helft gerechtigd waren. Dat neemt echter niet weg dat het geldbedrag strafvorderlijk kan worden aangemerkt als aan verdachte toebehorend: hij had het immers feitelijk in zijn bezit.
Het hof heeft daarbij gelet op de ernst van de feiten en de draagkracht van verdachte.”
7. Het arrest in de zaak van de medeverdachte [betrokkene 8] , waar het hof naar verwijst, maakt geen deel uit van de dertien samenhangende zaken die thans aan het oordeel van de Hoge Raad zijn voorgelegd.
8. Het hof heeft het geldbedrag van € 35.000,- in de hoofdzaak aangaande de betrokkene verbeurdverklaard omdat het de verdachte toebehoort. In art. 33a, eerste lid, onder a Sr, is de toebehorenseis tot uitdrukking gebracht. De desbetreffende memorie van toelichting laat weten dat met de term “toebehoren aan” geduid wordt op een “rechtsbetrekking volgens welke een voorwerp (goed) tot het vermogen van een persoon behoort.” Het meergenoemde geldbedrag is de jure, en (uiteraard) niet de facto, onder de betrokkene in beslag genomen en in diens hoofdzaak verbeurdverklaard.
9. In zijn arrest van 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2016/283 m.nt. Reijntjes heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“2.4. Uit de in 2.3 weergegeven wetsgeschiedenis volgt dat ook door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Mede gelet daarop is in zijn algemeenheid onjuist het oordeel van het Hof dat het onder de betrokkene inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde geldbedrag van € 5.020,- niet in mindering moet worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. De bestreden beslissing is daarom ontoereikend gemotiveerd.
2.5. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.”
10. Gelet op deze overweging van de Hoge Raad en gezien ’s hofs motivering van de verbeurdverklaring van het geldbedrag van € 35.000,- in de hoofdzaak van de betrokkene, meen ik met de steller van het middel dat het hof dat bedrag volledig – en niet voor de helft – in mindering had moeten brengen op het vastgestelde totaalbedrag van € 49.586,-.
11. Het middel is mitsdien terecht voorgesteld. Tot terugwijzing hoeft dat echter niet te leiden. Ik meen dat de Hoge Raad om redenen van doelmatigheid de zaak zelf kan afdoen door de door het hof vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met een bedrag van € 17.500,-.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de vaststelling van de betalingsverplichting, tot vermindering van het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 14.586,- bedraagt en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG