(i) De politierechter heeft de verdachte op 24 februari 2015 op tegenspraak veroordeeld.
(ii) Namens de verdachte heeft de raadsman van de verdachte, mr. J. Biemond, op 24 februari 2015 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
(iii) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof Den Haag op 23 november 2015 is op 5 november 2015 aan de verdachte uitgereikt in persoon.
(iv) Door de raadsman van de verdachte is op 6 november 2015 per fax aan het gerechtshof een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak gericht. Dat aanhoudingsverzoek is als volgt gemotiveerd:
“Cliënt laat weten net te zijn verhuisd en [heeft] mede als gevolg daarvan last gekregen van zeer fel opspelende artrose, met als gevolg zeer sterke pijnstillende medicatie, waarmee autorijden niet is toegestaan.
Client verwacht voor 23 november 2015 onvoldoende te zijn hersteld om bij de zitting aanwezig te zijn. Reden waarom om uitstel wordt verzocht tot na 1 januari 2016.”
(v) In een e-mail van de voorzitter van het hof van 6 november 2015, gericht aan een administratief medewerker van het hof, staat ten aanzien van het onder (iv) bedoelde verzoek vermeld:
“gelet op de onderbouwing vind ik geen reden aanwezig om op voorhand deze zaak aan te houden. Het verzoek zal ter zitting worden behandeld.”
(vi) De administratief medewerker heeft namens de voorzitter van het hof op 9 november 2015 de volgende brief verstuurd aan de raadsman:
“Namens de voorzitter van het gerechtshof kan ik u mededelen dat uw aanhoudingsverzoek inzake [verdachte] waarvan de behandeling van het hoger beroep gepland stond op 23 november 2015 te 15:20 uur ter zitting afgewezen is. Dit houdt in dat er op eerder genoemde datum geen inhoudelijke behandeling van de strafzaak zal plaatsvinden. Zodra de nieuwe zittingsdatum bekend is ontvangt u de oproeping.”
(vii) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2015 blijkt dat op die terechtzitting noch de verdachte noch een raadsman van de verdachte is verschenen. Het proces-verbaal houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De voorzitter maakt melding van een aanhoudingsverzoek van mr. Biemond. De voorzitter heeft de administratie per email van 6 november 2015 laten weten: “Gelet op de onderbouwing vind ik geen reden om op voorhand deze zaak aan te houden. Het verzoek zal ter zitting worden behandeld”, de raadsman is niet verschenen. Zojuist is er getracht het kantoor van de advocaat telefonisch te bereiken, hetgeen niet gelukt is.
De advocaat-generaal deelt mede dat de raadsman zijn aanhoudingsverzoek onvoldoende onderbouwd heeft en dat de raadsman gelet op het antwoord van het hof aanwezig had moeten zijn. De advocaat-generaal verzoekt het hof de zaak te behandelen ook omdat de benadeelde partij vandaag verschenen is.
De voorzitter stelt vast dat het verzoek van de raadsman onvoldoende onderbouwd is, er zijn geen medische verklaringen overgelegd, het verzoek is niet op voorhand toegewezen en de raadsman is niet verschenen. De voorzitter neemt aan dat de advocaat daarvan bericht heeft ontvangen en er is vandaag getracht de advocaat via het kantoor telefonisch te bereiken.(1) Gelet op het voorgaande wijst het hof het aanhoudingsverzoek af en gaat het hof over tot behandeling van de zaak.
De advocaat-generaal vraagt verstek.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
Voetnoot (1): Uit inmiddels bijgevoegde bericht van de administratie van 9 november 2015 aan de advocaat, blijkt thans dat er - ondanks en in strijd met de instructieve mail van de voorzitter aan de administratiemedewerker [A] - een onjuiste berichtgeving is verzonden naar de advocaat. In die brief staat namelijk geschreven dat het verzoek wordt afgewezen, er op 23 november 2015 geen inhoudelijke behandeling zal plaatsvinden en zodra de nieuwe zittingsdatum bekend, is een nieuwe oproep tegemoet kan worden gezien.”
5. Het bij faxbericht van 6 november 2015 gedane verzoek van mr. Biemond tot aanhouding van de zaak is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 281, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of het belang van het onderzoek de schorsing vordert.
6. Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een oproeping die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn.
7. De namens de voorzitter van het hof op 9 november 2015 verstuurde brief is geen toonbeeld van inzichtelijkheid. Dat geldt in de eerste plaats voor zover deze inhoudt dat het aanhoudingsverzoek “ter zitting” is afgewezen. Ten tijde van het versturen van de brief had immers nog geen zitting in hoger beroep plaatsgevonden. Vervolgens wordt vermeld dat “dit” inhoudt dat op 23 november 2015 geen inhoudelijke behandeling van de strafzaak zal plaatsvinden. Hoe uit de afwijzing van een aanhoudingsverzoek kan worden afgeleid dat op de desbetreffende terechtzitting geen inhoudelijke behandeling zal plaatsvinden, wordt niet duidelijk. De slotzin sluit aan bij het aangekondigde afzien van een inhoudelijke behandeling – en bij een toewijzing van het aanhoudingsverzoek – door te vermelden dat de raadsman de oproeping ontvangt zodra de nieuwe zittingsdatum bekend is. De vraag rijst of het niet op de weg van de raadsman had gelegen navraag te doen naar wat het hof nu eigenlijk bedoelde. De omstandigheid dat hij dat niet heeft gedaan kan de verdachte naar mijn mening echter niet worden aangerekend. De mededelingen dat de zaak op 23 november 2015 niet inhoudelijk zou worden behandeld en dat een oproeping zou worden verzonden zodra een nieuwe datum bekend was, rechtvaardigen in elk geval niet de gevolgtrekking van de voorzitter van het hof dat de raadsman ervan in kennis was gesteld dat het aanhoudingsverzoek niet op voorhand was toegewezen en dat de zaak inhoudelijk zou worden behandeld.
8. Uit het voorafgaande volgt dat niet kan worden aangenomen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van haar recht om bij de inhoudelijke behandeling van haar zaak in hoger beroep aanwezig te zijn. Voorts blijkt uit de afwijzende beslissing van het hof niet dat het hof zich rekenschap heeft gegeven van de aan de raadsman verstuurde brief van 9 november 2015, die een andere strekking had dan de in het proces-verbaal opgenomen veronderstelde mededeling. Gelet op art. 6, eerste lid, EVRM dient de verdachte de mogelijkheid te hebben om de zaak alsnog in hoger beroep in haar tegenwoordigheid te doen behandelen. Dat brengt mee dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen naar het hof opdat zij op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt behandeld.
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG