“De tenlastegelegde feiten kunnen bewezen worden verklaard. Mijn cliënt bekent alle drie de feiten. Eind oktober 2015 heeft de politierechter in een andere strafzaak tegen mijn cliënt gezegd dat hij nog een laatste kans verdiende. Een paar weken later krijgt mijn cliënt echter toch een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd. Het is daarom niet fair om mijn cliënt voor de onderhavige zaak een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen. Mijn cliënt maakt een positieve ontwikkeling door en er is een baby op komst. Mijn cliënt gebruikt ook minder alcohol. Ik sluit mij graag aan bij de door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf. Mijn cliënt heeft er geen problemen mee dat hij niet meer mag rijden. Tot slot verzoek ik nog om de inbeslaggenomen auto terug te geven aan mijn cliënt.”
5. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol een personenauto bestuurd. Daarnaast heeft verdachte, terwijl hem bij rechterlijke uitspraak de rijbevoegdheid was ontzegd, in een personenauto gereden. Tevens heeft hij een personenauto bestuurd terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte heeft aldus het belang van de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en beslissingen van (rechterlijke) instanties genegeerd.
De feiten zijn dermate ernstig dat niet, zoals door de advocaat-generaal gevorderd en door de raadsman is betoogd, volstaan kan worden met het opleggen van een taakstraf, nog afgezien van het feit dat een taakstraf op grond van het bepaalde in artikel 22b Sr niet aan de orde is. Het hof heeft ook betekenis toegekend aan de omstandigheid dat verdachte, blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 8 maart 2016, eerder voor verkeersdelicten, waaronder rijden onder invloed is veroordeeld tot (voorwaardelijke) gevangenisstraffen, hetgeen verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden om dergelijke feiten opnieuw te plegen. Het verweer van verdachte dat de politierechter in een anders strafzaak van heeft gezegd dat hij nog een laatste kans verdiende, doet aan het vorenstaande niet af.”
6. In het midden kan blijven of hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet worden aangemerkt. Vaststaat dat het hof de opgelegde straf heeft gemotiveerd en aldus op het betoog van de verdediging heeft gereageerd. Voor zover het middel dat anders ziet, faalt het.
7. In de onderhavige zaak is art. 359, zesde lid, Sv van toepassing omdat het hof een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd. Vooropgesteld zij dat de motivering van de oplegging van een vrijheidsstraf begrijpelijk dient te zijn. Niet kan in cassatie worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd, of de keuze van factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten juist is en of de straf voldoende is gewogen aan de hand van de daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.
8. Het hof heeft in de strafmotivering de – niet onbegrijpelijke – redenen opgegeven die tot de keuze van een onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf hebben geleid en heeft daarmee tot uitdrukking gebracht zich rekenschap te hebben gegeven van de motiveringsplicht die hem ingevolge art. 359, zesde lid, Sv is voorgeschreven.
9. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG