“Hoewel het hof met de advocaten-generaal van oordeel is dat sprake is van ernstige strafbare feiten waarop in beginsel alleen met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden gereageerd, zal het hof daarvan in het onderhavige geval afwijken. Het hof houdt daarbij rekening met het feit dat de onderhavige strafbare feiten geruime tijd geleden hebben plaatsvonden en dat de verdachte sindsdien niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast houdt het hof rekening met de sindsdien gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit de door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde stukken. Daaruit blijkt dat de verdachte met aanzienlijke gezondheidsproblemen kampt. Hij heeft diabetes, door schouderklachten is verdachtes rechterarm niet en zijn linkerarm slechts beperkt belastbaar en hij heeft slijmbeursontstekingen in beide heupen, waardoor sprake is van een verminderde mobiliteit. Er is sprake van een hoge ziekbeleving, waarbij verdachtes klachten zijn dagelijks leven domineren.
Het hof acht het gelet op al deze omstandigheden niet opportuun dat de verdachte, die ruim drie maanden in voorarrest heeft doorgebracht, opnieuw in detentie wordt genomen. Wel zal het hof, teneinde hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte opleggen.”
6. Ter onderbouwing van het middel wijst de steller in de toelichting op de omstandigheid dat het hof blijkens de strafmotvering onmiskenbaar heeft bedoeld een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk zou zijn aan de reeds ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. In het licht van de strafmotivering betoogt de steller van het middel dat de opgelegde straf derhalve berust op een kennelijke misslag. Uit de aan de schriftuur gehechte correspondentie volgt dat het hof, ondanks een door de verdediging gedaan verzoek, geen herstelarrest heeft willen wijzen en het openbaar ministerie het arrest, ter fine van de executie, niet verbeterd heeft willen lezen.
7. Het zich bij de stukken bevindende bevel tot inverzekeringstelling houdt in dat de verdachte op 22 november 2011 in verzekering is gesteld. De op 25 november 2011 ten behoeve van de verdachte bevolen voorlopige hechtenis zou blijkens de aan de schriftuur gehechte omtrent verdachte opgemaakt ‘registratiekaart’ op 23 februari 2012 zijn geschorst. Omdat een beschikking tot schorsing van de voorlopige hechtenis zich niet tussen de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, heb ik deze alsnog bij het hof opgevraagd. Deze beschikking is op 6 december jl. bij de Hoge Raad binnengekomen. Hieruit blijkt dat de voorlopige hechtenis van de verdachte inderdaad met ingang van 23 februari 2012 is geschorst tot aan de pro forma zitting van 6 maart 2012. Voorts houdt het proces-verbaal van deze terechtzitting in dat de rechtbank aldaar beslist heeft tot de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis. De verdachte heeft in deze zaak derhalve 93 dagen in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht. De door het hof opgelegde straf brengt dan ook mee dat de verdachte nog eens 12 dagen in detentie moet doorbrengen.
8. Op de grond dat het hof in zijn motivering nadrukkelijk heeft overwogen dat het, na ruim drie maanden voorarrest, niet opportuun is de verdachte opnieuw in detentie te nemen, lijkt de strafoplegging in hoger beroep, voor zover aan de verdachte een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd dan 93 dagen, te berusten op een misslag. Gelet hierop kan de Hoge Raad het bestreden arrest m.i. verbeterd lezen in die zin dat verstaan wordt dat aan de verdachte (onder meer) een gevangenisstraf is opgelegd voor de duur van negen maanden, waarvan 177 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aldus komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen.
9. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke (inzend)termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
10. Namens de verdachte is op 31 augustus 2015 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 4 januari 2017 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn, die in deze zaak acht maanden bedraagt, met afgerond acht maanden is overschreden. Een en ander moet leiden tot strafvermindering.
11. Het tweede middel slaagt.
12. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn ook in zoverre is overschreden. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG