2. De bespreking van het cassatiemiddel
In het cassatiemiddel wordt aangevoerd dat het hof het vonnis van de rechtbank ten onrechte heeft aangemerkt als tussenvonnis. Aangezien in het vonnis een einduitspraak wordt gedaan, namelijk de verlenging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 349a Fw jo 352 Fw, is sprake van een einduitspraak. Ingevolge art. 349a lid 3 Fw staat tegen een beslissing tot verlenging van de schuldsaneringsregeling hoger beroep open. De artikelen 354 en 355 Fw missen toepassing omdat deze zien op de situatie waarin de rechtbank de schuldsaneringsregeling beëindigt, al dan niet met verlening van een schone lei. Het hof heeft [verzoekster] dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Art. 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling in beginsel (dat wil zeggen behoudens verlenging waarover straks meer) drie jaar bedraagt, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Uiterlijk drie maanden voordat de termijn afloopt, brengt de bewindvoerder verslag uit aan de rechter-commissaris over de wijze waarop de schuldenaar gedurende de schuldsaneringsregeling aan zijn verplichtingen heeft voldaan (art. 351a Fw). Vervolgens bepaalt de rechtbank (op voordracht van de rechter-commissaris, op verzoek van de bewindvoerder of de schuldenaar, of ambtshalve) uiterlijk een maand vóór het einde van de termijn een zitting waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld (art. 352 lid 1 Fw). Deze zitting dient in het bijzonder om de rechter te laten toetsen of de schuldenaar in de nakoming van een uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting toerekenbaar is tekortgeschoten (art. 354 Fw). Indien twijfel bestaat over de vraag of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, worden bewindvoerder en schuldenaar schriftelijk opgeroepen en in de gelegenheid gesteld in persoon, bij schriftelijk gemachtigde of bij advocaat het woord te voeren (art. 353 Fw).
De rechtbank wijst vervolgens uiterlijk op de achtste dag na de zitting vonnis (art. 354 lid 1 Fw). Daarbij wordt een oordeel gegeven over de vraag of de schuldenaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling en, indien daarvan sprake is, of deze aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend. Verder kan de rechter bepalen dat indien sprake is van een toerekenbare tekortkoming, deze gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft (art. 354 lid 2 Fw). Vervolgens stelt de bewindvoerder een slotuitdelingslijst op (art. 356 lid 1 Fw). Zodra deze slotuitdelingslijst verbindend is geworden, is de toepassing van de schuldsaneringsregeling van rechtswege beëindigd (art. 356 lid 2 Fw). Door de beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 356 lid 2 Fw krijgt de schuldenaar een schone lei en zijn vorderingen die onbetaald zijn gebleven, niet langer afdwingbaar (art. 358 lid 1 Fw).
Als de rechter oordeelt dat de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis niet buiten beschouwing blijft, betekent dit dat de schuldsaneringsregeling eindigt zonder dat de schuldenaar een schone lei verkrijgt. De rechter kan echter ook besluiten tot verlenging van de schuldsaneringsregeling met een termijn van maximaal twee jaar. Deze mogelijkheid volgt uit art. 349a lid 3 Fw. Als voorbeeld van een situatie waarin verlenging aan de orde kan zijn is in de parlementaire geschiedenis het geval genoemd dat wordt overgegaan tot verlenging om een schuldenaar alsnog in staat te stellen de sollicitatieplicht na te komen. Lid 3 van art. 349a Fw bepaalt dat de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak tegen de beslissing tot wijziging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling in hoger beroep kan komen.
Indien de termijn van drie jaar verstrijkt vóórdat een beëindigingsbeslissing op grond van art. 354 Fw is genomen, heeft dit tot gevolg dat de schuldsaneringsregeling van rechtswege eindigt ten aanzien van de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw, betreffende de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling gelden dan dus niet meer. De schuldsaneringsregeling zelf blijft echter in stand, zolang de rechter geen beslissing over de toekenning van een schone lei heeft genomen. De schuldsaneringsregeling eindigt dus niet van rechtswege.
In antwoord op prejudiciële vragen heeft de Hoge Raad beslist dat de beslissing tot verlenging van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 349a lid 3 Fw ook kan worden genomen als de termijn van drie jaar al is verstreken. Voorts besliste de Hoge Raad dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet gelden in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist over de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. Als wordt beslist tot verlenging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, heeft dat tot gevolg dat een of meer verplichtingen voor de schuldenaar na de uitspraak opnieuw gaan gelden. In hetzelfde arrest is dan ook overwogen dat het aanbeveling verdient dat de rechter die de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengt, zich in zijn beslissing niet ertoe beperkt de duur van die verlenging te bepalen, maar ook preciseert welke in het algemeen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gedurende de termijn van de verlenging voor de desbetreffende schuldenaar gelden.
In het bestreden arrest heeft het hof geoordeeld dat van een beslissing in de zin van art. 349a Fw geen sprake is omdat de reguliere termijn voor de schuldsaneringsregeling al was verstreken en dat [verzoekster] ook zonder de uitdrukkelijke beslissing van de rechtbank was ontheven van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
Met deze beslissing heeft het hof het hiervoor uiteengezette systeem van beëindiging dan wel verlenging van de schuldsaneringsregeling miskend. In het vonnis van 27 juli 2017 heeft de rechtbank beslist (i) dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen door [verzoekster], (ii) dat er grond is voor verlenging van de schuldsaneringsregeling, en (iii) dat [verzoekster] in de periode waarmee de schuldsaneringsregeling wordt verlengd ontheven is van de op haar rustende verplichtingen. Daarmee is het vonnis van de rechtbank inhoudelijk niet anders te kwalificeren dan een beslissing tot verlenging van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 349a lid 3 Fw, in samenhang met art. 352 Fw. Op grond van art. 349a lid 3, tweede volzin, FW staat tegen die beslissing hoger beroep open.
Daarmee slaagt het middel.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en tot terugverwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G