3. Het tweede middel
Het tweede middel klaagt over de motivering van de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen kniptang en broodmes.
Het hof heeft ten aanzien van de verbeurdverklaring het volgende overwogen:
“De in beslag genomen en nog niet teruggegeven kniptang en een (brood)mes, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan en voorbereid. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.”
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 31 december 2012 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een schuurtje behorende bij het perceel [a-straat 1] heeft weggenomen etenswaren en twee flesjes bier, toebehorende aan [betrokkene] , waarbij hij, verdachte, en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, te weten het verbreken van een slot van de achterpoort.”
Een oordeel over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen behoeft niet te worden gestaafd door de inhoud van gebezigde bewijsmiddelen. Voldoende - maar noodzakelijk - is dat het desbetreffende oordeel berust op gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.
Bij de aanhouding van de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit zijn onder meer bij de verdachte een kniptang en een broodmes in zijn jaszak aangetroffen en in beslag genomen. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2014 heeft de verdachte met betrekking tot die inbeslaggenomen voorwerpen verklaard dat hij het broodmesje bij zich had voor zijn eten, om bijvoorbeeld een appel te schillen, en dat hij de vlechttang nodig had voor zijn werk. De verdachte is ijzervlechter van beroep. De verdachte stelt dat hij die ochtend op de fiets op weg was naar zijn werk. De raadsman van de verdachte heeft dienaangaande aangevoerd dat de vlechttang die de verdachte bij zich had geen inbrekersgereedschap is en dat de verdachte die tang voor zijn werk nodig had. Daarnaast had de verdachte een mesje bij zich voor zijn eten.
Een blik achter de papieren muurt leert mij dat het hier om een kleine kniptang en een rvs tafelmesje gaat. Voorts volgt uit politie onderzoek dat de poort naar de achtertuin geforceerd/ingetrapt was. Er stond een afdruk van een schoenzool op de deur en tevens was te zien dat de nachtschoot van het slot van de poort behoorlijk was omgebogen. De deur van de tuinschuur had geen schade. Deze feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, ligt het mijns inziens niet voor de hand dat de schade is veroorzaakt door de hiervoor genoemde inbeslaggenomen voorwerpen. Gelet op de omgebogen nachtschoot en de afdruk van de schoenzool op de deur, acht ik het aannemelijker dat de deur van de poort (in ieder geval) is ingetrapt.
Uit voornoemde stukken van het geding, mede in het licht bezien van verdachtes verklaring omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, blijkt niet dat het bewezenverklaarde feit op enigerlei wijze is begaan of is voorbereid met behulp van de onder de verdachte inbeslaggenomen kniptang en broodmes. Dat betekent dat het Hof in dit opzicht dus niet heeft beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Daarover klaagt het middel terecht.
De Hoge Raad kan om doelmatigheidsredenen het bestreden arrest vernietigen ten aanzien van de uitgesproken verbeurdverklaring van de kniptang en het broodmes, en daarbij de teruggave van die voorwerpen gelasten aan de verdachte.
4. Het eerste middel
Het eerste middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in cassatie is overschreden.
Namens de verdachte is op 6 februari 2015 cassatie ingesteld. De stukken zijn op 29 april 2016 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep in cassatie uitspraak doen. De redelijke termijn is dus ook in zoverre overschreden. Het verzuim dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad te leiden tot strafvermindering.
Het middel is gegrond.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen kniptang en het broodmes en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot teruggave van de genoemde voorwerpen aan de verdachte, en tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG