ECLI:NL:PHR:2017:191

ECLI:NL:PHR:2017:191, Parket bij de Hoge Raad, 14-02-2017, 15/04581

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 14-02-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/04581
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2017:521
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Medeplegen van opzettelijk vrijheidsberoving en beroofd houden, de dood ten gevolge hebbend, art. 282 Sr. Medeplegen, grondslagverlating en beroep op psychische overmacht. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/04818 en 15/05514.

Uitspraak

14. Het eerste middelfaalt.

15. Het tweede middel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, althans de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is, doordat voorafgaande aan de laatste uitvoeringshandeling zijn ingevoegd de bewoordingen “hebben hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, toen aldaar opzettelijk wederrechtelijk”.

16. In de toelichting wordt daaraan ten grondslag gelegd dat “in het kwalificatieve deel van de tenlastelegging is opgenomen dat requirant het opzettelijk en wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden heeft medegepleegd, terwijl het hof door het uitstrepen van de bewoordingen hij, verdachte voorafgaand aan de eerste vijf gedachtestreepjes (derhalve in het feitelijk gedeelte) kennelijk heeft geoordeeld dat verdachte deze onder de eerste vijf gedachtestreepjes ten laste gelegde handelingen niet heeft gepleegd”.

17. Het gaat bij medeplegen om de bewuste en nauwe samenwerking met een ander, waarbij minder van belang is wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Van grondslagverlating is – kort gezegd – sprake als iets anders dan is tenlastegelegd wordt bewezen verklaard. Door het hof zijn geen uitvoeringshandelingen toegevoegd. Het hof heeft slechts inzichtelijk gemaakt welke uitvoeringshandelingen door de mededaders zijn verricht (welke gedragingen zien op het wederrechtelijk van de vrijheid beroven van het slachtoffer) en welke uitvoeringshandeling door de verdachte, tezamen met de mededaders, is verricht. Deze gedraging ziet op het wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden van het slachtoffer, zoals ook (in het kwalificatieve deel) bewezen is verklaard. Van grondslagverlating, dan wel innerlijke tegenstrijdigheid van de bewezenverklaring, is derhalve geen sprake.

18. Het tweede middelfaalt.

19. Het derde middel klaagt dat het hof het beroep op psychische overmacht ten onrechte, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft verworpen.

20. Het hof heeft – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende overwogen:

“Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft - overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota - betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op psychische overmacht toekomt. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte op 1 en 2 december 2011 zodanig door de medeverdachten is bedreigd en geterroriseerd dat hij in doodsangst verkeerde. De bedreigingen waren dusdanig en zo reëel van aard dat hij niet heeft durven vluchten uit de woning aan de [a-straat 1] noch alarm heeft durven slaan.

Het hof overweegt als volgt,

Van psychische overmacht kan worden gesproken in de gevallen waarin de verdachte een van buitenkomende drang heeft ervaren, waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Er moet sprake zijn van een gedraging die is verricht in een ongewone psychische toestand. Een extreme en acute vorm van stresssituatie, veroorzaakt door bijvoorbeeld doodsangst, kan zo'n toestand opleveren.

Bij de beoordeling van de vraag of voor de verdachte sprake is geweest van een ongewone psychische toestand, gaat het hof - naast van de feiten en omstandigheden die reeds zijn vastgesteld in het kader van de nadere bewijsoverweging - uit van het navolgende.

De verdachte is in de avond van 1 december 2011 door één van de medeverdachten gebeld met de mededeling dat hij naar de [a-straat 1] moest komen, tijdens welk telefoongesprek hij is bedreigd. [betrokkene 5] en [medeverdachte 1] hebben de verdachte vervolgens opgehaald en naar de [a-straat 1] gebracht. Daar aangekomen zag de verdachte dat [slachtoffer] was geboeid en vastgebonden.

[slachtoffer] zag er verschrikkelijk uit. Hij miste een oor en zijn ogen zaten dicht. Hij bewoog niet, zei niets en ademde zwaar. In de woning heeft [medeverdachte 2] de verdachte de opdracht gegeven om op [slachtoffer] te passen en er voor zorgen dat [betrokkene 1] hem niet verder zou mishandelen. De verdachte is door de medeverdachten samen met [slachtoffer] en [betrokkene 1] in de woning achtergelaten. Gedurende de nacht hebben [betrokkene 1] en de verdachte [slachtoffer] op zijn zij gelegd, omdat deze zwaarder begon te ademen. Verder is [betrokkene 1] in de loop van de nacht of begin van de ochtend uit de woning vertrokken en is de verdachte daar alleen met [slachtoffer] geweest tot aan het moment dat de medeverdachten de volgende dag terug waren bij de woning, waarna door hen werd vermoed dat [slachtoffer] was overleden.

Uit de verklaring van [betrokkene 2] volgt dat de verdachte niet vrijwillig in de woning aan de [a-straat 1] was. De verdachte is als jongste en zwakste van de groep geterroriseerd, omdat niemand anders bij [slachtoffer] in de woning wilde blijven. Als de verdachte "nee” zou hebben gezegd, dan zou hij klappen hebben gekregen. [betrokkene 5] heeft verder verklaard dat de verdachte moest huilen toen hij in de woning was. Hij was in shocktoestand en wilde daar niet zijn. Ook heeft de verdachte [betrokkene 5] die nacht tot vervelends toe gebeld, omdat hij niet in de woning wilde blijven.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 november 2012 verklaard dat hij niet wist waarom hij op 1 december 2011 naar de woning aan de [a-straat 1] moest komen. Nadat hij had gezien hoe verschrikkelijk [slachtoffer] eruit zag, raakte hij gestrest. De verdachte werd verteld dat hij de woning niet mocht verlaten en op [slachtoffer] moest passen en ervoor moest zorgen dat [betrokkene 1] [slachtoffer] niets zou aandoen. De verdachte zegt zowel verbaal als met een vuurwapen te zijn bedreigd door de personen die hem met [betrokkene 1] en [slachtoffer] in de woning hebben achtergelaten. Gedurende de nacht heeft de verdachte diverse personen gebeld omdat hij weg wilde uit de woning. Verder heeft de verdachte verklaard dat op 2 december 2011 hij in de woning van [medeverdachte 2] door een persoon is bedreigd. Hierbij is hij in zijn hand gesneden en tegen hem gezegd dat hij niets mocht zeggen over wat was voorgevallen. Ook heeft deze persoon tegen hem gezegd dat hij wist waar de verdachte en diens familie woonde.

Op grond van het vorenstaande acht het hof het aannemelijk dat de verdachte zich aanvankelijk in een situatie bevond, die (een zekere mate van) angst en stress bij hem teweeg heeft gebracht, aan welke angst en stress hij geen weerstand kon of redelijkerwijs hoefde te bieden. De verdachte, waarvan niet kan worden vastgesteld dat hij voor zijn komst naar de woning aan [a-straat 1] wist dat [slachtoffer] daar werd vastgehouden of wat hij daar moest gaan doen, werd immers geconfronteerd met de zwaar mishandelde [slachtoffer] en vervolgens (mogelijk met een vuurwapen) bedreigd door een (aantal van de) medeverdachte(n).

Naar het oordeel van het hof veranderde deze situatie echter vanaf het moment dat de verdachte alleen met [slachtoffer] in de woning was. De eerder geuite bedreigingen waren vanaf dat moment immers niet meer acuut en reëel. Voor zover de raadsman zijn verweer ziet op deze situatie, gaat het hof daaraan voorbij. De verdachte had vanaf dat moment weerstand kunnen en moeten bieden aan de bij hem ontstane angst en stress. Door na het vertrek van [betrokkene 1] toch in de woning te blijven in plaats van te vertrekken en de hulpdiensten in te schakelen, heeft de verdachte er kennelijk voor gekozen om uitvoering te geven aan de opdracht die hij van de medeverdachten heeft gekregen.

Ten aanzien van bedreigingen die tegen de verdachte zijn geuit toen hij met de medeverdachten in de woning aan de [c-straat 1] was, overweegt het hof dat deze hebben plaatsgevonden na de vrijheidsberoving en als zodanig geen invloed kunnen hebben gehad op het eerder genomen wilsbesluit van de verdachte om in de woning aan de [a-straat 1] te blijven en niet de hulpdiensten in te schakelen.

Voor zover het verweer ertoe strekt te betogen dat de verdachte ook een bevrijdend beroep op psychische overmacht toekomt, voor zover het betreft het niet inschakelen van de medeverdachten, volgt het hof de raadsman niet. Immers, het was de verdachte duidelijk dat het de bedoeling was dat [slachtoffer] niet verder zou worden toegetakeld en in leven moest blijven; de verdachte zijn aanwezigheid in de woning en 'oppasdienst' gedurende de nacht moest dat waarborgen. Bij die stand van zaken is het de verdachte te verwijten dat hij zelfs zijn medeverdachten niet heeft ingeschakeld of gealarmeerd op het moment dat het hem duidelijk moet zijn geweest dat de fysieke gesteldheid van [slachtoffer] verslechterde.

Door zelfs dat na te laten, wordt naar oordeel van het hof duidelijk dat de verdachte niet werd weerhouden door stress of angst; zijn opdracht van degenen die hem hadden bedreigd, hield nu juist in dat [slachtoffer] in leven moest blijven.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.”

21. De klacht richt zich in de kern tegen het oordeel van het hof dat de situatie van angst en stress waarin de verdachte zich aanvankelijk bevond en waaraan hij geen weerstand kon of hoefde te bieden, veranderde vanaf het moment dat de verdachte alleen met het slachtoffer in de woning achterbleef. Volgens de steller van het middel waren de daarvoor geuite bedreigingen nog altijd acuut en reëel totdat hij de aan hem gegeven opdracht had voldaan, zodat zijn handelen daardoor bepaald werd.

22. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Daarbij komt het aan op hetgeen van de normale burger mag worden verwacht. Heldenmoed wordt niet gevergd. De Hullu merkt daarover op dat ‘zeer prangende omstandigheden’ zijn vereist en dat naarmate de noodsituatie zelf ten tijde van de delictsgedraging minder acuut is, het beroep minder kansrijk wordt.

23. Aan de benadering van het hof ligt naar ik begrijp de gedachte ten grondslag dat een aanvankelijk acute en concrete van buiten komende drang na enige tijd zo kan verminderen dat er geen sprake meer is van een situatie van overmacht. Dat lijkt mij een juist uitgangspunt van het hof. In het bijzonder bij voortdurende delicten die een zeker tijdsbeslag hebben, zou een andere benadering tot onaanvaardbare resultaten leiden. Van de wetsovertreder die door overmacht gedrongen een feit pleegt, mag worden verwacht dat hij zodra mogelijk zijn strafbaar gedrag staakt, althans alles in het werk stelt om (verdere) onwenselijke gevolgen te voorkomen. Voor zover in de toelichting op het middel ligt besloten dat een knip – die term gebruikt de steller van het middel - tussen acute drang en na enige tijd niet meer acute drang niet bij het overmachtconcept van art. 40 Sr past, volg ik dat niet. Van een onjuiste rechtsopvatting getuigt het oordeel van het hof hiermee dus niet.

24. Het hof heeft geoordeeld dat er aanvankelijk sprake is geweest van overmacht en uiteraard betwist de steller van het middel dat niet. Ook de feitelijke vaststelling van het hof dat verdachte op enigerlei moment alleen met het slachtoffer in de woning is geweest wordt niet betwist. Door te overwegen dat verdachte alleen met het slachtoffer in de woning was, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat op dat moment er geen personen meer in zijn aanwezigheid waren die acute drang bij hem veroorzaakten. Hoe dan ook is er dus sprake van een wijziging van de omstandigheden of in woorden van de steller van het middel een ‘knip’.

25. Als ik het goed begrijp is de steller van het middel van oordeel dat de aan het vertrek van de mededaders voorafgaande bedreigingen van zodanig gewicht waren dat deze daardoor ook op het moment dat verdachte alleen met het slachtoffer in de woning was nog onverkort concreet en acuut waren. Dat in cassatie ingenomen standpunt hangt echter in de lucht, niet alleen omdat het in feitelijke aanleg niet met zoveel woorden is ingenomen, maar ook omdat dat standpunt op gespannen voet staat met het minder acute karakter van de drang door de afwezigheid van de mededaders. Voor een beoordeling van factoren van in hoofdzaak feitelijke aard is in cassatie geen ruimte. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof aan de voorafgaande bedreigingen vanaf het moment dat verdachte alleen in de woning was een minder acuut karakter heeft toegekend zodat van overmacht geen sprake meer was. Waar het aanvankelijk heldenmoed zou vergen om weerstand te bieden aan de drang van de mededaders, hetgeen niet van een ieder verwacht kan worden, is voor weerstand aan drang bij afwezigheid van de mededaders immers geen heldenmoed meer nodig.

26. Bovendien wijs ik erop dat de overweging van het hof niet op zich zelf staat maar gelezen moet worden in de context van het geval. Daarbij neem ik in aanmerking dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol spelen. Hoe ernstiger het feit, hoe zwaarder de toets of sprake is van een verontschuldigbare psychische overmacht. Daarbij werd door de verslechterde toestand van het slachtoffer, het belang tot ingrijpen groter, terwijl de acute drang waaronder de verdachte handelde verminderde.

27. Het derde middelfaalt.

28. De voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?