23. Het eerste middelfaalt.
24. Het tweede middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde oorzakelijk verband tussen de gedragingen (van verdachte en zijn mededaders) en de dood. In het bijzonder schiet de motivering van het hof volgens de steller van het middel tekort nu het hof niet in aanmerking heeft genomen dat verdachte meende dat het slachtoffer al dood was bij het bedekken van diens gezicht met een dekbed (dwaling).
25. Met de steller van het middel kan worden ingestemd als hij onder verwijzing naar het handboek van De Hullu opmerkt dat bij de toepassing van het causaliteitscriterium van de redelijke toerekening concretisering en motivering van groot belang zijn. Het gaat mij echter mede in het licht van de uitvoerige overweging van het hof over het oorzakelijk verband veel te ver aan te nemen dat het hof in dat kader uitdrukkelijk aandacht had moeten besteden – zo begrijp ik tenminste het middel - aan de vraag of verdachte al dan niet wist of behoorde te weten dat het slachtoffer dood was.
26. In feitelijke aanleg is niet het verweer gevoerd dat (voor het causaal verband) beslissend zou zijn dat verdachte bij het bedekken van het gezicht met het dekbed niet wist en ook niet behoefde te weten dat het slachtoffer nog niet dood was. Zelfs als feitelijk door het hof zou zijn vastgesteld dat verdachte zodanig onderzoek heeft verricht dat van hem niet meer gevergd kon worden dat hij wist dat het slachtoffer nog niet dood was, staat dat op zich zelf mijns inziens niet zonder meer aan de aanwezigheid van een causaal verband in de weg. Dat causale verband zou kunnen worden aangenomen en indien wenselijk en nodig zou wegens niet verwijtbare afwezigheid van wetenschap bij verdachte via een schulduitsluitingsgrond (avas) tot niet strafbaarheid van verdachte kunnen worden beslist. In de benadering van de steller van het middel is dat echter anders omdat het oorzakelijk verband de schulduitsluitingsgrond (verontschuldigbare feitelijke) dwaling (avas) absorbeert. Een dergelijke benadering vindt geen steun in het recht.
27. Ik volsta met er nog op te wijzen dat het hof het leggen van een dekbed over het gezicht van het slachtoffer niet bepalend acht voor het oorzakelijk verband. Dat verband wordt daardoor in ieder geval niet doorbroken. Het toegepaste geweld is de oorzaak van de dood volgens de overweging van het hof. Bij die stand van zaken is dus ook niet doorslaggevend of het slachtoffer op het moment dat het dekbed over zijn gezicht werd gelegd al dood was en evenmin of verdachte wist of behoorde te weten dat het slachtoffer toen nog leefde. Ook zo bezien is de (eventuele) dwaling van verdachte dus irrelevant voor het causaal verband en is het niet onbegrijpelijk dat het hof daaraan in de bewijsoverweging geen nadere aandacht besteedt.
28. Het tweede middelfaalt.
29. De voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG