ECLI:NL:PHR:2017:220

ECLI:NL:PHR:2017:220, Parket bij de Hoge Raad, 07-02-2017, 16/02592

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 07-02-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/02592
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2017:595
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

Verstekverlening, aanwezigheidsrecht. Kan uit mededeling van gerechtsbode worden afgeleid dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht? Gelet op het p-v van de tz. in h.b. - waarin als vaststelling van het Hof besloten ligt dat door of namens verdachte niet voorafgaand aan de tz. in h.b. een verzoek is gedaan tot aanhouding van de zaak met het oog op de uitoefening van het aanwezigheidsrecht door verdachte - in samenhang met een brief van het Hof aan de raadsvrouwe van verdachte waarbij een afschrift van de appeldagvaarding was gevoegd, is ’s Hofs oordeel dat de raadsvrouwe van verdachte en verdachte niet ttz. wensten te verschijnen, niet onbegrijpelijk. CAG: anders. HR verwijst de zaak naar de rolzitting opdat de AG zich alsnog kan uitlaten over de overige middelen.

Uitspraak

“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte was op donderdag 20 augustus 2015 bekend met het vonnis waarvan beroep, omdat hem op die datum de mededeling uitspraak van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2013, gewezen onder parketnummer 09-766087-13, in persoon is uitgereikt.

De verdachte had binnen veertien dagen daarna, uiterlijk op donderdag 3 september 2014 [lees: 2015; GK], in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter op 4 september 2015 hoger beroep ingesteld, dus na het verstrijken van de termijn, zodat hij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

Ik stel voorop dat het feit dat de verdachte door het hof niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep, niet maakt dat de verdachte bij het middel onvoldoende belang heeft. Het eerste middel bestrijdt het feitelijke oordeel van het hof dat de verstekmededeling aan de verdachte in persoon is betekend. De mogelijkheid om die stelling ten overstaan van het hof te betrekken, heeft de verdachte als gevolg van het verleende verstek niet gehad.

Ik stel voorts voorop dat als de dagvaarding rechtsgeldig is betekend aan een bekend adres van de verdachte en als noch de verdachte, noch zijn raadsman ter zitting verschijnt, de rechter er volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad, behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel, vanuit mag gaan dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Het gaat hier veeleer om een veronderstelling, om een uitgangspunt waarop verstekverlening mag worden gebaseerd, dan om een feitelijke vaststelling dat de verdachte daadwerkelijk geen prijs stelt op berechting in zijn aanwezigheid. Dat openbaart zich in gevallen waarin achteraf – in cassatie – blijkt dat de veronderstelling niet juist was. Aan het bedoelde uitgangspunt ligt dan ook, zoals ik eerder al eens betoogde, een impliciete, mede door de gedachte van rechtsverwerking gekleurde belangenafweging ten grondslag.

Ik begrijp de overwegingen van het hof aldus dat het niet veronderstellenderwijze op grond van de afwezigheid van verdachte en zijn raadsvrouw heeft geoordeeld dat de verdachte ‘kennelijk’ niet wenste te verschijnen, maar dat het op grond van de mededeling van de bode positief heeft vastgesteld dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht om zich in persoon dan wel door een gevolmachtigde raadsman te verdedigen en op basis daarvan heeft geoordeeld dat de behandeling van de zaak kon worden voortgezet. De vraag is of dat oordeel begrijpelijk is.

De appeldagvaarding is niet aan de verdachte in persoon betekend. Een afschrift daarvan is naar mr. Groenendijk toegezonden. Daaruit kan worden afgeleid dat mr. Groenendijk kennelijk door het hof als raadsvrouw van de verdachte in hoger beroep is aangemerkt. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van het hof van 31 maart 2016 volgt dat de raadsvrouw op de dag van de terechtzitting wel aanwezig was in het Paleis van Justitie maar dat zij zich in een andere zittingszaal bevond. De dienstdoende bode heeft meegedeeld dat de raadsvrouw van de verdachte voor een zaak van een andere cliënt bij een zitting aanwezig was en dat zij en de verdachte niet ter terechtzitting van die datum zouden verschijnen. De raadsvrouw deelde de bode daarbij ook mede dat zij het hof daarover had “ingelicht”. Het enkele feit dat het hof, zoals de voorzitter vaststelde, geen bericht had ontvangen, wil nog niet zeggen dat de mededeling van de raadsvrouw op dit punt onjuist was. Het bericht kan niet (tijdig) zijn doorgegeven aan de zittingscombinatie, waarbij ik opmerk dat de raadsvrouw het hof ook telefonisch kan hebben ingelicht. In elk geval kan de verwijzing van de raadsvrouw naar het ingelicht zijn van het hof zo begrepen worden dat zij meende het hof reeds te hebben ingelicht zodat het niet nodig was het een en ander nog eens aan de bode uit te leggen. Daar komt bij dat de raadsvrouw op het moment dat de bode haar confronteerde met de terechtzitting van de verdachte, volgens de mededeling van de bode aanwezig was “bij een zitting” voor een andere zaak. Dat wijst erop dat die zitting in volle gang was en dat de raadsvrouw, zoals in de cassatieschriftuur wordt gesteld, inderdaad op die zitting doende was met de verdediging van een andere cliënt en daardoor onmogelijk (direct) kon optreden in de strafzaak tegen de verdachte. Bij die allesbehalve onwaarschijnlijke mogelijkheid past dat de raadsvrouw aan de bode meedeelde dat zij niet “ter terechtzitting van heden” zou verschijnen. Dat sluit bepaald niet uit dat zij op een andere terechtzitting wel wenste te verschijnen.

Ik meen dan ook dat het hof uit de mededeling van de bode niet heeft kunnen afleiden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht of in zijn afwezigheid door zijn raadsvrouw te worden verdedigd. Aan de mogelijkheid dat de raadsvrouw niet in staat was om ter terechtzitting te verschijnen en daarbij gepoogd heeft het hof daarvan in kennis te stellen, gaat het hof zonder enige motivering voorbij.

Het middel slaagt.

Het voorgaande brengt mee dat het eerste en het tweede middel, die zien op de betekening van de mededeling uitspraak van het vonnis van de politierechter respectievelijk op een faxbericht waaruit zou blijken dat de verdediging van de griffie van het Hof heeft vernomen dat er geen terechtzitting in de zaak van de verdachte was gepland, buiten bespreking kunnen blijven.

4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?