3.1. Het middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
3.2. Het hof heeft in zijn aantekening van het mondeling arrest ter motivering van de opgelegde (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van vier weken onder de kop “Oplegging van straf” het volgende overwogen:
“De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken met aftrek van voorarrest.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot de straf die in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon en de draagkracht van de verdachte.
Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit dat voor de gedupeerden schade en hinder veroorzaakt. In het nadeel van de verdachte slaat het hof acht op een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juli 2015 waaruit blijkt dat hij eerder voor diefstal onherroepelijk is veroordeeld.
Al het vorenstaande overwegende, acht het hof oplegging van de hierna te melden straf passend en geboden.”
3.3. Blijkens recente rechtspraak van de Hoge Raad wordt het motiveringsvereiste van art. 359 lid 6 Sv aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.
3.4. Het hof heeft eerst de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf en de in hoger beroep gevorderde straf weergegeven. Vervolgens heeft het hof na de door hem gegeven standaardmotivering, een nadere toelichting gegeven ten aanzien van de ernst van het gepleegde feit en daarbij tevens gelet op de schade en overlast die het handelen van de verdachte heeft voor gedupeerden. Ten nadele van de verdachte heeft het hof nog zijn justitiële documentatie meegewogen (recidive). Tenslotte heeft het hof, ‘al het vorenstaande overwegende, oplegging van de hierna te melden straf passend en geboden’ geacht. Daarmee wordt de lat die de Hoge Raad heeft gelegd in zijn hierboven genoemde recente rechtspraak niet gehaald. Door in zijn strafmotivering slechts te verwijzen naar ‘de hierna te melden straf” heeft het hof immers niet ondubbelzinnig doen blijken dat hij onder ogen heeft gezien dat een straf wordt opgelegd die vrijheidsbeneming met zich brengt. De overwegingen van het hof bevatten aldus, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Daarmee schiet de strafmotivering tekort. Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG