ECLI:NL:PHR:2017:260

ECLI:NL:PHR:2017:260, Parket bij de Hoge Raad, 10-01-2017, 15/04387

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 10-01-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/04387
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2017:668
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Deelneming aan samenscholing, art. 2.2 APV Amsterdam 2008. 1. Deelneming. 2. Kwalificatie van het bewezenverklaarde als “overtreding van art. 2.2 lid 3 van de APV Amsterdam 2008 en overtreding van art. 2.2 lid 1 van de APV Amsterdam 2008”. Ad 1. De term “deelnemen” komt binnen de context van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 een eigen betekenis toe, die afwijkt van de betekenis die aan het begrip deelnemen wordt gegeven in de art. 47 en 48 Sr. Voldoende voor een bewezenverklaring van "deelnemen" in de zin van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 is dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de dreiging die van een groep uitgaat door deel uit te maken van die groep. Ad 2. Het Hof heeft - niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat “de samenkomst tot doel had een confrontatie met de ME op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te verhinderen”. Daarin ligt ’s Hofs oordeel besloten dat de samenkomst niet (primair) het karakter had van gemeenschappelijke meningsuiting, maar was gericht op het beletten van de politie de aangekondigde ontruiming door te zetten d.m.v. de uitoefening van feitelijke dwang. Gelet op de wetsgeschiedenis geeft ’s Hofs oordeel dat “geen sprake was van een manifestatie in de zin van de WOM” en dat “de gedragingen van de aanwezigen [...] dan ook [vallen] onder de werking van art. 2.2 van de APV Amsterdam 2008” niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Hetgeen in de toelichting op het middel wordt opgemerkt over een ruime interpretatie van het door art. 11 EVRM beschermde recht van vrije vereniging noopt i.c. niet tot een ander oordeel. Samenhang met 15/04385, 15/04384, 15/04392 en 15/04390.

Uitspraak

VERBETERING BEWIJSOVERWEGING

De zinsnede “Op de camerabeelden van 15 juli 2011”, die op pagina 5 van het verkort arrest is opgenomen, dient te worden gelezen als: “Op de camerabeelden van 5 juli 2011”.

NADERE BEWIJSOVERWEGING

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.”

22. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman heeft betoogd dat het als eerste ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen, omdat – kort gezegd – niet blijkt dat de verdachte is aangehouden in de samengedreven groep en niet duidelijk is vanaf waar de vorderingen om zich te verwijderen in de richting van de Prinsengracht zijn gedaan. Voorts staat volgens de raadsman niet vast dat de verdachte die vorderingen heeft waargenomen en bestaat er geen bewijs dat de verdachte aan de vorderingen geen gehoor heeft gegeven. Het hof heeft in reactie op deze verweren – voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang – het volgende overwogen:

“Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de tenlastegelegde feitelijkheden hebben plaatsgevonden op 5 juli 2011 op de Passeerdersgracht te Amsterdam aan de zijde van het pand Schijnheilig, maar ook aan de overzijde, de Passeerdersgracht met de even huisnummers. Immers, op de camerabeelden is ook aan die zijde van de gracht te zien dat er gebruik is gemaakt van rookbommen en dat personen zich gehuld in donkere kleding en gezichtsbedekking op straat en aangrenzend op het water ophielden. In het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 2], is vermeld dat aan de overzijde van het te ontruimen pand een persoon muziek maakte die werd versterkt en welk geluid een hels kabaal maakte en kennelijk bedoeld was om de groep van personen voor het te ontruimen pand te versterken.

Het hof oordeelt dat deze feitelijkheden op 5 juli 2011 hebben geleid tot verstoring van de openbare orde op de gehele Passeerdersgracht in de zin van artikel 2.2, eerste lid, van de APV Amsterdam 2008.

Op de camerabeelden, zoals getoond ter terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2015, is te zien dat een grote groep personen zich ophoudt op de Passeerdersgracht en dat binnen deze groep vorenomschreven feitelijkheden plaatsvinden. Commissaris van Politie [verbalisant 2] omschrijft in het proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2011, dat de groep personen zich vrijwel onophoudelijk met elkaar verbond. De personen liepen om elkaar heen en wisselden woorden met elkaar. De verbalisant hoorde ook dat zij als groep bij wisselende samenstellingen liedjes meezongen met de instrumenten die bespeeld werden en dat zij leuzen scandeerden. Ook zag hij dat zij met elkaar dansen uitvoerden. Zij bevonden zich vrijwel onophoudelijk om en nabij elkaar. Hieruit concludeerde verbalisant dat het een groep personen betrof die gezamenlijk optrok.

[verbalisant 2] beschrijft in voornoemd proces-verbaal dat hij tot driemaal toe door de dakmegafoon de groep het bevel heeft gegeven zich te verwijderen in de richting van de Prinsengracht. Op de vorderingen werd door de groep massaal gereageerd met joelen en schreeuwen. Ook werden flessen in de richting van het voertuig van [verbalisant 2] gegooid. Op de beelden is de eerste vordering en de reactie daarop van de groep te zien en te horen. Getuige [verbalisant 2] heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat vanuit het hoofdbureau van politie op de Elandsgracht die dag klachten kwamen wegens het harde volume waarmee de vorderingen werden gedaan. Het hof acht derhalve niet aannemelijk dat de verdachte de vordering niet heeft gehoord.

Uit de omstandigheden ten tijde van de vordering, waaronder de opstelling van de ME en de oprukkende danwel opdrijvende beweging die de ME maakte, moet het, naar het oordeel van het hof, ook voor de verdachte die de Nederlandse taal niet machtig was, duidelijk zijn geweest wat de bedoeling van de politie was, te weten dat zij zich van die plaats moest verwijderen. De omstandigheden hadden de verdachte ten minste aanleiding moeten geven te informeren wat de politie tot drie maal toe door de dakmegafoon op luide toon bekend maakte.

De stelling van de verdediging dat geen sprake is geweest van een (bevoegd gegeven) bevel verwerpt het hof met verwijzing naar rechtsoverweging 2.4.3 uit ECLI:NL:HR:2014:3639 waarin is overwogen: “Anders dan het geval is indien de strafvervolging betrekking heeft op het misdrijf van art. 184 Sr, is hier niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel. Dat verschil laat zich mede hierdoor verklaren dat de Gemeentewet de bevoegdheid van de raad tot het stellen van straf op overtreding van zijn verordeningen heeft beperkt tot overtredingen. Indien het niet opvolgen van een op een bepaling van een Algemeen Plaatselijke Verordening gegrond bevel van de politieambtenaar zonder het vereiste van verlening van een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid aan die ambtenaar het misdrijf van art. 184 Sr zou opleveren, zou in strijd met de Gemeentewet de bedoelde bevoegdheid van de raad in feite zijn uitgebreid tot misdrijven.”

De mensen in de groep gaven geen gehoor aan de vorderingen. [verbalisant 2] heeft hierop de ME, die zich inmiddels had opgesteld, het bevel gegeven een charge uit te voeren waarbij de groep personen van de Passeerdersgracht naar de Prinsengracht werd gedreven. Ook dit is op de beelden te zien.

Ook toen de politie de groep naar de Prinsengracht dreef draaiden de mensen in de groep om elkaar heen, dansten en hielden elkaar vast in wisselende samenstelling. Vanuit de groep werd een verfbom in de richting van de ME-linie gegooid en werd met diverse voorwerpen, zoals stokken en flesjes, naar de agenten gegooid. Diverse personen uit de groep maakten schopbewegingen naar de agenten in de linie.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft getuige [verbalisant 2] verklaard dat het voor personen uit deze groep mogelijk was om de groep te verlaten maar dat het niet mogelijk was om daarna terug te keren naar deze groep. Voorts is gebleken dat er ook de nodige tijd was om de groep te verlaten. In het voornoemde proces-verbaal omschrijft [verbalisant 2] dat enkele personen zich in de richting van ME- voertuigen bewogen, met de kennelijke bedoeling om zich uit de voeten te maken, maar dat het overgrote deel van de groep bij elkaar bleef.

Het hof oordeelt, gelet op het voorgaande, dat er tijd en gelegenheid is geweest om de samengedreven groep te verlaten, alvorens de personen uit deze groep aangehouden werden. Het hof oordeelt ook dat, in tegenstelling tot hetgeen de raadsman kennelijk aanneemt, de groep personen niet is ontstaan door de actie van de politie, maar dat de groep vrijwillig bij elkaar bleef. Op de beelden is ook te zien dat de groep, op het moment van aanhouding met de armen in elkaar gehaakt op de grond zit.

Uit het proces-verbaal van 5 juli 2011 in het dossier blijkt dat verdachte is aangehouden ter hoogte van Prinsengracht 408 te Amsterdam. Het hof acht het, gelet op de omschrijving van [verbalisant 2] van de beweging van de groep over de Passeerdersgracht naar de Prinsengracht en de vermelding in het proces-verbaal van 5 juli 2011 betreffende de aanhouding van de verdachte buiten twijfel dat de verdachte is aangehouden terwijl zij zich in de groep bevond.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande verder dat de personen in de groep op de Prinsengracht, die zijn aangehouden, tevens de personen waren die zich schuldig hebben gemaakt aan de verstoring van de openbare orde op de Passeerdersgracht. De stelling van de verdediging dat zich toevallige passanten in de samengedreven groep bevonden, is volgens het hof niet aannemelijk geworden. Het hof heeft op de beelden ook niet waargenomen dat toevallige passanten bij de groep werden gebracht en werden verhinderd de groep te verlaten. Het hof ziet geen reden om aan te nemen dat dit ten aanzien van de verdachte anders is geweest, te meer nu de verdachte hierover niets heeft verklaard.”

23. Uit de bewijsvoering kan volgens de steller van het middel niet worden afgeleid dat de verdachte, die is aangehouden op de Prinsengracht, zich op de Passeerdersgracht bevond toen de bewezen verklaarde vorderingen werden gedaan en dat hij die vorderingen heeft gehoord.

24. Uit de bewijsoverwegingen van het hof en uit bewijsmiddel 2 volgt dat het hof heeft vastgesteld dat de groep die zich op de Passeerdersgracht bevond en aan de deelnemers waarvan de vorderingen zijn gedaan om zich te verwijderen, na die vorderingen naar de Prinsengracht in de richting van de Raamstraat bewoog en aldaar is ingesloten en aangehouden. Er is steeds sprake geweest van eenzelfde groep personen (bewijsmiddel 3). Uit bewijsmiddel 7 volgt dat de verdachte op de Prinsengracht ter hoogte van nummer 408-410 is aangehouden. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze locatie zich bevindt tussen de Passeerderstraat en de Raamstraat. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat het mogelijk was om de groep in de tijd tussen het doen van de vorderingen en het insluiten op de Prinsengracht te verlaten en dat hiervoor ook de nodige tijd bestond, maar dat het niet mogelijk was om na het verlaten van de groep hiernaar terug te keren (bewijsmiddelen 3 en 4). Gelet op deze feiten en omstandigheden, is het oordeel van het hof dat het buiten twijfel staat dat de verdachte is aangehouden terwijl hij zich in de groep bevond en dat hij onderdeel uitmaakte van de groep op de Passeerdersgracht, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Anders de steller van het middel meent, heeft het hof door aldus te oordelen niet de door de raadsman in hoger beroep aangevoerde mogelijkheid dat de verdachte zich pas later bij de groep heeft gevoegd, in het midden gelaten. Het middel faalt in zoverre.

25. Voor zover het middel de klacht behelst dat uit de bewijsvoering niet blijkt vanaf welke plaats de vorderingen zijn gedaan en dat de verdachte de vorderingen niet heeft gehoord, faalt het eveneens. Het hof heeft vastgesteld dat op de camerabeelden waarop de groep zichtbaar is de eerste vordering is te horen en dat de verdachte aanwezig is geweest op de Passeerdersgracht. Voorts blijkt uit bewijsmiddel 4 dat de vorderingen ook in het politiebureau op de Elandsgracht, dat op een paar honderd meter van de Passeerdersgracht is gelegen, te horen waren.

26. De steller van het middel voert voorts aan dat uit bewijsmiddel 3 blijkt dat enkele personen zich na de vorderingen verwijderden in de richting van de Prinsengracht en de Looijersgracht. In het licht van die vaststelling is volgens hem het oordeel van het hof dat de verdachte niet heeft voldaan aan de vorderingen niet zonder meer begrijpelijk. Deze klacht hangt nauw samen met de eerste en kan evenmin slagen. Uit de bewijsvoering blijkt dat de aangehouden groep verdachten door de mobiele eenheid is ingesloten op de Prinsengracht, omdat geen gehoor is gegeven aan de vorderingen om zich te verwijderen uit de Passeerdersgracht. Uit de eigen waarneming door het hof van de camerabeelden (bewijsmiddel 5) blijkt dat tussen het doen van de eerste vordering en het insluiten van de groep ongeveer dertien minuten zijn verstreken. Als de groep zich eenmaal op de Prinsengracht bevindt, lopen uit die groep mensen weg. Tussen dit moment (minuut 13:50) en het moment waarop de groep is ingesloten (minuut 18:20) verstrijken ruim vier minuten. Gelet hierop is het oordeel van het hof dat de verdachte niet aan de vorderingen heeft voldaan niet onbegrijpelijk. In de bewijsvoering ligt immers besloten dat als de verdachte wel zou hebben voldaan aan de vorderingen en zich zou hebben verwijderd uit de groep, hij zich op het moment van insluiten van de groep verdachten niet meer zou hebben bevonden op de Prinsengracht ter hoogte van nummers 408-410.

27. Het middel bevat voorts de klacht dat er dusdanig weinig tijd bestond tussen het doen van de (eerste) vordering om zich te verwijderen en de eerste charge van de mobiele eenheid, dat de verdachte niet in staat kan zijn geacht om aan de vordering te voldoen, zodat de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel doet in dit verband een beroep op de tot het bewijs gebruikte eigen waarneming door het hof van camerabeelden (bewijsmiddel 5). Die waarneming houdt – voor zover hier van belang – in dat op minuut 5:40 is te horen dat de groep voor de eerste maal wordt gevorderd zich te verwijderen en dat op minuut 5:50 is te zien dat de eerste charge wordt uitgevoerd. Uit bewijsmiddel 2 blijkt evenwel dat een charge pas wordt uitgevoerd nadat driemaal is gevorderd de Passeerdersgracht te verlaten en dat na de eerste vordering door de ME een linie wordt gevormd op de Lijnbaansgracht ter hoogte van de Passeerdersgracht en het Raamplein. In lijn hiermee heeft de getuige [verbalisant 2], commissaris bij de politie, ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het peloton zich na de eerste vordering voor de eerste linie prepareert. Het vormen van een linie valt niet onder het commando tot uitvoeren. Het daadwerkelijk uitvoeren van een charge gebeurt alleen op zijn commando. Het peloton wacht totdat drie maal een vordering is gegeven. In de nadere bewijsoverweging heeft het hof overwogen dat de mensen in de groep geen gehoor gaven aan de ‘vorderingen’ (meervoud) en dat daarna het bevel is gegeven een charge uit te voeren, waarbij de groep personen van de Passeerdersgracht naar de Prinsengracht werd gedreven. Gelet hierop moet worden aangenomen dat het hof, waar het in verband met zijn waarneming van de camerabeelden spreekt over de eerste ‘charge’ rond minuut 5:50, kennelijk heeft bedoeld vast te stellen dat de mobiele eenheid zich, nadat de eerste vordering is gedaan, heeft opgesteld in een linie. Door de eigen waarneming van het hof op deze manier verbeterd te lezen, komt de feitelijke grondslag aan de klacht te ontvallen, zodat deze faalt. Ook de laatste klacht, inhoudende dat de bewijsvoering op bovenstaand punt innerlijke tegenstrijdigheden bevat, faalt dan bij gebrek aan feitelijke grondslag.

28. De bewezenverklaring van het als eerste ten laste gelegde feit is naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed. Het middel faalt.

29. Het derde middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof, dat geen sprake is geweest van een manifestatie als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, onjuist, althans onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

30. Art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 luidt als volgt:

“De verboden gelden niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.”

31. De toelichting bij art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 bevat de volgende overweging:

“Samenscholingen of samenkomsten kunnen (mede) het karakter hebben van een betoging. Regeling daarvan behoort niet tot de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever. In het vierde lid zijn daarom uitgezonderd de samenkomsten waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is. De burgemeester moet eventuele maatregelen op die wet baseren. De wet kent aan de burgemeester onder andere bevoegdheden toe om bij ongeregeldheden maatregelen te treffen en bevat dienaangaande strafbepalingen.”

32. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman – kort samengevat – heeft betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is geweest van een manifestatie als bedoeld in de Wet openbare manifestaties en ingevolge art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 de in de eerste drie leden van art. 2.2 APV Amsterdam 2008 genoemde verboden in dat geval niet gelden.

33. Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“Het hof overweegt hiertoe het volgende. De aanleiding tot de samenkomst op de Passeerdersgracht was de aangekondigde ontruiming van de panden op de nummers 23 en 25. Nadat de politie een brief had gestuurd waarin de ontruiming werd aangekondigd, werd een oproep op het internet geplaatst. Op de website indymedia.nl was te lezen “De manifestatie zal doorlopen tot het moment waarop de ME tot inkeer is gekomen”. De organisator van deze samenkomst heeft niet ten minste 24 uur vóór de aanvang de burgemeester schriftelijk in kennis gesteld als bedoeld in artikel 2.32 van de APV Amsterdam 2008. Op de camerabeelden van 15 juli 2011 is vervolgens te zien dat er rookbommen werden gebruikt, dat er voor het pand op de Passeerdersgracht nummers 23 en 25 barricades waren opgeworpen door middel van tafels en stoelen op de rijweg, waardoor de openbare weg en de toegang tot de te ontruimen panden werden afgesloten, dat er door verschillende personen luchtbedden waren meegenomen naar de samenkomst en dat enkele personen waren gemaskerd of gehuld in bivakmutsen.

Het hof overweegt dat het meenemen van luchtbedden en het dragen van maskers of bivakmutsen slechts tot doel hebben om zich te beschermen - in het geval van een confrontatie met de Mobiele Eenheid (hierna te noemen: ME) - tegen wapenstokken of herkenning. Commissaris van Politie [verbalisant 2] heeft ter zitting toegelicht dat de samenkomst op de Passeerdersgracht en de barricade van de openbare weg en de toegang tot de te ontruimen panden, de ontruiming onmogelijk maakten. Nu tevens rookbommen werden afgestoken, concludeert het hof, alle voornoemde omstandigheden beschouwend, dat de samenkomst tot doel had een confrontatie met de ME op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te verhinderen. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen sprake was van een manifestatie in de zin van de WOM.

De gedragingen van de aanwezigen vallen dan ook onder de werking van artikel 2.2 van de APV Amsterdam 2008.”

34. De Wet openbare manifestaties strekt ertoe regels te stellen voor de uitoefening van de in de artikelen 6 en 9 GW beschermde grondrechten. De desbetreffende grondrechten luiden als volgt:

“Artikel 6

1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 9

1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. ”

35. In het oorspronkelijke voorstel voor de Wet openbare manifestaties was in art. 1, eerste lid, aanhef en onder a een definitie opgenomen van het begrip ‘manifestatie’. Deze luidde als volgt:

“manifestatie: toespraak, voordracht, bijeenkomst of optocht ter belijdenis van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging;”

36. Uit de nota naar aanleiding van het eindverslag blijkt dat alsnog is afgezien van het opnemen van een overkoepelend ‘manifestatie-begrip’ in de wet, teneinde meer differentiatie aan te brengen tussen verschillende soorten manifestaties. De opmerkingen in de parlementaire geschiedenis over dit begrip hebben hun betekenis echter niet verloren. De memorie van toelichting bij het voorstel bevat hierover onder meer de volgende passage:

“Onder manifestaties in de zin van het voorstel van Wet openbare manifestaties worden volgens artikel 1, eerste lid, onder a, begrepen: toespraken, voordrachten, bijeenkomsten en optochten ter belijdenis van godsdienst of levensovertuiging, vergaderingen en betogingen. Gemeenschappelijk kenmerk van deze manifestaties is dat zij strekken tot uiting van gedachten, gevoelens of overtuigingen in min of meer collectief verband.

Verschillen bestaan er in hoofdzaak naar gelang het doel en onderwerp van de manifestatie. Bij de door artikel 6 Grondwet beschermde manifestaties gaat het om de belijdenis, dat wil zeggen de uiting van godsdienstige, respectievelijk levensbeschouwelijke, gedachten, gevoelens of overtuigingen. Bij vergaderingen staat de gemeenschappelijke beraadslaging, in de vorm van discussie en eventueel besluitvorming, over een bepaald onderwerp voorop. Doorgaans zal dit onderwerp, bij de voor het publiek toegankelijke vergaderingen waar het hier om gaat, van politieke of maatschappelijke aard zijn. Is de vergadering aldus vooral gericht op interne menings- en besluitvorming, bij de betoging gaat het om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied.

Met betrekking tot betogingen zij voorts nog opgemerkt, dat acties, die niet of niet primair het karakter van gemeenschappelijke meningsuiting hebben, doch waarbij andere elementen, zoals bij voorbeeld feitelijke dwang, overheersen, geen betogingen zijn in de hier bedoelde zin. Dat kan bij voorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen, samenscholingen, volksoplopen en dergelijke.”

37. Uit het voorgaande blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een betoging in de zin van de Wet openbare manifestaties leidend is of de samenkomst strekt tot uiting van gedachten, gevoelens of overtuigingen in min of meer collectief verband. Ook uit de parlementaire geschiedenis van art. 9 GW blijkt dat het bij een betoging als bedoeld in art. 9 GW gaat om het uitdragen van een gemeenschappelijke mening door de deelnemers. Acties waarbij de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, zoals dat bij blokkades van wegen en waterwegen het geval kan zijn, zijn geen betogingen in de zin van art. 9 GW. Ook heeft de minister tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel voor de Wet openbare manifestaties opgemerkt dat hij zich kan voorstellen dat een samenkomst in het algemeen als een betoging kan worden beschouwd, maar dat elementen ervan wegens hun aard en effect – bijvoorbeeld een blokkade van een gebouw tijdens een betoging – niet als zodanig worden aangemerkt en dus niet onder de wettelijke bescherming van het recht tot betoging worden gebracht.

38. De grens tussen een samenkomst die meningsuiting tot doel heeft en een samenkomst als dwangmaatregel is niet altijd scherp te trekken. Een betoging van een bepaalde omvang kan met enige dwang gepaard gaan, terwijl dwang (deels) een doel van een betoging kan zijn. Schilder meent dat ook blokkadeacties kunnen worden aangemerkt als betogingen, tenzij men met de blokkade rechtstreeks een handeling of besluit probeert af te dwingen. Eenzelfde standpunt lijkt Loof te zijn toegedaan: wanneer de actie wordt gevoerd om rechtstreeks een bepaalde handeling of een bepaald besluit af te dwingen, dient de actie niet meer als middel om aandacht voor een bepaald standpunt of een bepaalde wens te krijgen, maar (ver)wordt deze tot een doel op zich. Van een betoging in de zin van de Wet openbare manifestaties kan dan niet meer worden gesproken.

39. De steller van het middel wijst ook op het internationale kader waarin het recht op betoging tot uitdrukking komt en noemt onder meer art. 11 EVRM, waarin de vrijheid van vergadering en vereniging is neergelegd. Omdat de vergadervrijheid moet worden beschouwd als één van de fundamenten van een democratische samenleving, mag dit recht volgens het Europese hof niet restrictief worden geïnterpreteerd. Onder de reikwijdte van deze bepaling vallen allerhande vormen van samenkomsten, waaronder demonstraties. Ook blokkadeacties kunnen daaronder vallen. De enkele omstandigheid dat er een risico bestaat op ongeregeldheden tijdens een betoging betekent niet dat aan die betoging de bescherming van art. 11 EVRM komt te ontvallen. Dat is evenmin het geval als enkele deelnemers aan de demonstratie gewelddadige intenties hebben of als er ‘marginal or sporadic’ gewelddadig of ander strafbaar gedrag wordt vertoond.

40. Deze uitgangspunten gelden echter slechts als sprake is van een vreedzame vergadering (‘peaceful assembly’) als bedoeld in art. 11 EVRM. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof omvat de notie van ‘peaceful assembly’ niet ‘a demonstration where the organisers and participants have violent intentions which result in public disorder’. Een samenkomst die met dergelijke ‘violent intentions’ is georganiseerd, zal met andere woorden niet worden beschermd door art. 11 EVRM. De Speciale VN-Rapporteur inzake de fundamentele vergadervrijheid en verenigingsvrijheid als bedoeld in de artikelen 21 en 22 IVBPR noemt een vergadering (‘assembly’) ‘an intentional and temporary gathering in private or public space for a specific purpose’ en geeft aldus een ruime definitie van dit begrip. Tegelijkertijd stelt hij vast dat ‘international human rights law only protects assemblies that are peaceful, i.e. those that are not violent, and where participants have peaceful intentions, which should be presumed’.Deze opvatting is ook in de geschiedenis van totstandkoming van de Wet openbare manifestaties en art. 9 GW terug te vinden. In de memorie van toelichting wordt in verband hiermee opgemerkt dat ‘acties, die niet of niet primair het karakter van gemeenschappelijke meningsuiting hebben, doch waarbij andere elementen, zoals bijvoorbeeld feitelijke dwang, overheersen, geen betogingen zijn in de hier bedoelde zin’.

41. In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat van een betoging als bedoeld in de Wet openbare manifestaties geen sprake is geweest, zodat ook de uitzonderingsbepaling van art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 niet van toepassing is. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof een onjuist criterium heeft toegepast bij de beantwoording van de vraag of het bepaalde in art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 in de onderhavige zaak van toepassing is. Het hof heeft overwogen dat de samenkomst tot doel had een confrontatie met de ME op te zoeken en de ontruiming van het pand aan de Passeerdersgracht (fysiek) te verhinderen. Het hof is daarmee niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘betoging’ als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, terwijl het evenmin het verdragsrechtelijk toetsingskader heeft miskend. Aan de orde kwam reeds dat wanneer bij een samenkomst andere elementen overheersen dan het uiten van een gemeenschappelijke mening en de organisatoren niet de intentie hebben om die gemeenschappelijke mening uit te dragen, maar om feitelijke dwang uit te oefenen, die samenkomst niet kan worden beschouwd als een betoging in de zin van de Wet openbare manifestaties. De bescherming van art. 11 EVRM strekt zich evenmin uit tot gevallen waarin bij de organisatoren en deelnemers sprake is van ‘violent intentions which result in public disorder’. Het hof heeft vastgesteld dat de samenkomst tot doel had een confrontatie met de mobiele eenheid op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te verhinderen. Het hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat in de oproep tot de samenkomst staat vermeld dat de manifestatie zal doorlopen tot het moment waarop de mobiele eenheid tot inkeer is gekomen, terwijl de organisator evenmin tijdig een kennisgeving op grond van art. 2.32 van de APV Amsterdam 2008 heeft gedaan. Op de camerabeelden is te zien dat er rookbommen worden gegooid, een vuurtje wordt gestookt en barricades zijn opgeworpen voor het te ontruimen pand door middel van tafels en stoelen op de rijweg. Dit alles vindt plaats reeds voordat de mobiele eenheid tot charges overgaat. Er was aldus sprake van een samenkomst die de voorgenomen ontruiming onmogelijk maakte. Ook waren voorbereidingen getroffen voor een confrontatie met de mobiele eenheid, zoals het nemen van luchtbedden en het dragen van bivakmutsen en maskers.

42. In het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden is het oordeel van het hof dat het primaire doel van de samenkomst was om de ontruiming van het pand te belemmeren niet onbegrijpelijk. De enkele omstandigheid dat de actie ook kenmerken had van een betoging doet hieraan niet aan af. Uit de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden kon het hof immers afleiden dat de intentie van de groep van aanvang af is geweest door de uitoefening van feitelijke dwang – en aldus met ‘violent intentions’ – de politie te beletten de aangekondigde ontruiming door te zetten. Onder die omstandigheden kon het hof oordelen dat van een vreedzame betoging geen sprake was. Het met het middel bestreden oordeel van het hof is aldus niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

43. Ook de omstandigheid dat in de toelichting op art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008 wordt gesproken over samenkomsten die mede het karakter van een betoging hebben, leidt niet tot een ander oordeel. In die toelichting wordt immers verduidelijkt dat de verboden uit art. 2.2 APV Amsterdam 2008 niet gelden voor samenkomsten ‘waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is’. Als de Wet openbare manifestaties op de desbetreffende samenkomst niet van toepassing is, gelden de verboden uit art. 2.2 APV Amsterdam 2008 wel.

44. De steller van het middel voert nog aan dat de omstandigheid dat de burgemeester niet tijdig in kennis is gesteld van de samenkomst er niet aan afdoet dat van een manifestatie sprake kan zijn. Zulks heeft het hof ook niet miskend; het heeft het gebrek aan notificatie kennelijk in zijn overwegingen betrokken ter onderbouwing van de stelling dat de organisatoren tot doel hadden de ontruiming te belemmeren. Dat stond het hof vrij.

45. Nu het oordeel van het hof dat van een betoging in de zin van de Wet openbare manifestaties geen sprake is niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is, geldt hetzelfde voor het daarin besloten liggende oordeel dat zich geen uitzonderingssituatie voordoet als bedoeld in art. 2.2, vierde lid, APV Amsterdam 2008. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

46. Het middel faalt.

47. Het vierde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het tweede cumulatief ten laste gelegde feit, mede in het licht van de verweren dat niet kan worden vastgesteld waar in de groep de verdachte zich bevond en dat medeplegen niet kan worden bewezen, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

48. Het hof heeft – voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang – ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij op 05 juli 2011 te Amsterdam op of aan de weg, te weten de Passeerdersgracht, heeft deelgenomen aan een samenscholing en op andere wijze de orde heeft verstoord, immers heeft verdachte deel uitgemaakt van een groep mensen (van ongeveer 150 personen), door en/of vanwege welke groep

- tafels en andere voorwerpen op de rijbaan van de Passeerdersgracht zijn geplaatst en die rijbaan werd geblokkeerd aan de zijde van op die dag door ambtenaren van politie te ontruimen panden (gelegen aan de Passeerdersgracht 23 en 25) en

- luide muziek werd voortgebracht en op andere wijze veel geluid werd geproduceerd en

- nadat er door de politie (drie maal) was gevorderd dat de groep zich moest verwijderen massaal werd gejoeld en geschreeuwd en

- flessen werden gegooid en

- werd gescandeerd: "Kraken gaat door" en "Jullie marionetten van de overheid" en

- terwijl die groep over de Passeerdersgracht door ambtenaren van politie werd verdreven en bewogen in de richting van de Prinsengracht werd gegooid met diverse voorwerpen, te weten een verfbom en andere voorwerpen en

- schopbewegingen werden gemaakt naar ambtenaren van politie.”

49. De uitdrukking ‘samenscholing’ is in de tenlastelegging en de bewezenverklaring kennelijk gebruikt in de betekenis die daaraan ingevolge de APV Amsterdam 2008 toekomt. Het eerste lid van art. 2.2 van de APV Amsterdam 2008 luidt als volgt:

“Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing of in groepsverband dan wel afzonderlijk onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.”

50. Uit art. 2.1, vierde lid, APV Amsterdam 2008 blijkt dat onder samenscholing wordt verstaan: ‘Het groepsgewijs bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen, kwade bedoelingen hebben of bedreigend overkomen’. Daarbij klinkt de negatieve invloed die van dergelijke samenscholingen op de openbare orde kan uitgaan als leidmotief. Mijn ambtgenoot Knigge merkt in dit verband op dat de term ‘samenscholing’ kan worden geassocieerd met dreigend oproer en de vrees voor massale ongeregeldheden. De Hoge Raad oordeelde in deze context dat er een veelheid aan verschijningsvormen is waarin zich verstoring van de openbare orde kan voordoen.

51. Uit de bewijsvoering in de onderhavige zaak volgt dat zich op de Passeerdersgracht voor de te ontruimen panden een groep mensen bevond die zich vrijwel onophoudelijk met elkaar verbonden, veel om elkaar heen liepen, veel en kort met elkaar woorden wisselden, liedjes zongen en leuzen scandeerden. De te ontruimen panden waren gebarricadeerd met tafels en stoelen die op de rijweg waren geplaatst, waardoor de openbare weg en de toegang tot de te ontruimen panden waren afgesloten. De leden van de groep gaven geen gehoor aan de vorderingen van de politie om zich te verwijderen. Voorts werden er flessen in de richting van het voertuig van verbalisant [verbalisant 2] gegooid. Uit de eigen waarneming door het hof van de camerabeelden blijkt dat er rookbommen en daarop volgende knallen zijn te zien respectievelijk te horen, terwijl ook een vuurtje op straat zichtbaar is. Dit alles vond plaats voordat de ME overging tot de eerste charge. Gelet op deze feiten en omstandigheden, waarvan de vaststelling in cassatie niet is betwist, is het oordeel van het hof dat sprake is van een samenscholing niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

52. Anders dan de steller van het middel aanvoert, staat in cassatie niet vast dat de samenkomst aanvankelijk vreedzaam verliep. De steller van het middel gaat er kennelijk vanuit dat zulks vaststaat omdat de raadsman “onweersproken” naar voren heeft gebracht dat tot het moment waarop de mobiele eenheid ingreep sprake was van een vreedzame demonstratie. Zo werkt het in het strafprocesrecht echter niet. Bovendien heeft het hof juist vastgesteld dat de samenkomst tot doel had een confrontatie met de mobiele eenheid op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te verhinderen, terwijl ook uit de waarneming door het hof van de camerabeelden blijkt dat al voordat de mobiele eenheid in beeld komt rookbommen en een vuurtje te zien zijn en knallen zijn te horen.

53. Ingevolge art. 2.2, eerste lid, APV Amsterdam is deelneming aan een samenscholing in de hiervoor bedoelde zin verboden. Vooropgesteld zij dat verschijningsvormen van deelneming buiten de in het algemene deel van het Wetboek van Strafrecht geregelde deelnemingsvormen om strafbaar kunnen zijn gesteld. De term ‘deelnemen’ komt binnen de context van de specifieke strafbepaling dan een eigen betekenis toe, die kan afwijken van de betekenis die aan de deelnemingsbepalingen in de artikelen 47 en 48 Sr wordt gegeven. Art. 2.2, eerste lid, APV Amsterdam 2008 vormt een dergelijke bijzondere verschijningsvorm van deelneming. De bepaling doet denken aan de in art. 186 Sr strafbaar gestelde deelneming aan een samenscholing. Ingevolge art. 186 Sr is sprake van deelneming aan een samenscholing als men, bij gelegenheid van een volksoploop, zich opzettelijk niet verwijdert onmiddellijk na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel. Deelneming heeft ook binnen de context van art. 186 Sr een eigen betekenis.

54. In zijn commentaar op art. 186 Sr schreef Noyon dat een volksoploop als bedoeld in art. 186 Sr niet bestaat bij elke verzameling van een menigte personen, maar wordt gevormd door een massa die de openbare orde verstoort. ‘Daartoe is echter weder niet noodig dat elk die deel van de menigte uitmaakt de bedoeling heeft de orde te verstoren; het vermeerderen van de massa welke de orde verstoort is reeds zich zelf het deelnemen aan den oploop; het zich er bij voegen is reeds opzettelijk zich bij den oploop aansluiten.’ Een vergelijkbare redenering dient te gelden wanneer het gaat om het bewijs van deelneming aan een samenscholing als bedoeld in art. 2.2, eerste lid, APV Amsterdam 2008. De in het middel naar voren gebrachte stelling dat voor het bewijs van deelneming aan een samenscholing is vereist dat de verdachte zelf een dreigende houding heeft aangenomen, kwade bedoelingen heeft gehad of bedreigend is overgekomen, vindt geen steun in het recht. Door te verwijzen naar rechtspraak van de Hoge Raad over deelneming als bedoeld in de artikelen 47 en 48 Sr en openlijke geweldpleging in vereniging (artikel 141 Sr) gaat de steller van het middel aldus voorbij aan de bijzondere betekenis die ‘deelnemen’ binnen de context van art. 2.2, eerste lid, APV Amsterdam 2008 toekomt. Ik wijs in dit verband op de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse, die over de verdenking van samenscholing in het kader van de APV Tilburg het volgende opmerkt:

“Van de verdenking van samenscholing zal sprake zijn indien er uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld kan worden afgeleid, en wel aan het bijdragen aan de dreiging die van een groep mensen uitgaat. Daarvan kan mijns inziens sprake zijn als men zich duidelijk als lid van een groep met kwade bedoelingen manifesteert. Denk aan het geval dat men meeloopt met een groep die kennelijk er op uit is een aanval op de politie in te zetten.”

55. In de vaststellingen van het hof ligt besloten dat de verdachte deel uitmaakte van een groep met kwade bedoelingen. Voor zover het middel de klacht bevat dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat niet is komen vast te staan dat de verdachte zelf een dreigende houding heeft aangenomen, kwade bedoelingen heeft gehad of bedreigend is overgekomen dan wel de onder de gedachtestreepjes bewezen verklaarde gedragingen heeft verricht, faalt het omdat het de lat te hoog legt. De klacht dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte zelf ‘op andere wijze de orde heeft verstoord’ treft op dezelfde grond geen doel. Uit de bewezenverklaring blijkt immers dat het hof als het gaat om het op andere wijze verstoren van de orde eveneens het oog heeft gehad op het in groepsgewijs verband begaan van die ordeverstoring, terwijl het bewijs van die ordeverstoring in het licht van de bewijsvoering voldoende met redenen is omkleed.

56. Ook het bewijs dat de verdachte aan de samenscholing heeft deelgenomen, kan uit de bewijsvoering worden afgeleid. Het hof heeft vastgesteld dat zich op de Passeerdersgracht een groep mensen bevond die om elkaar heen draaiden, dansten en elkaar in wisselende samenstellingen vasthielden. Vanuit die groep werd een verfbom in de richting van de ME-linie gegooid, werden diverse voorwerpen naar de agenten gegooid en werden schopbewegingen in hun richting gemaakt. Tot het moment van aanhouding bestond er voldoende tijd en gelegenheid om de groep te verlaten, maar was het niet meer mogelijk om zich nog bij de groep aan te sluiten. De groep is geleidelijk door de mobiele eenheid van de Passeerdersgracht richting de Prinsengracht gedreven en aldaar ingesloten. Toen de groep was ingesloten en de leden daarvan werden aangehouden, bleven de betrokkenen vrijwillig bij elkaar door met de armen in elkaar gehaakt op de grond te zitten. Ook de verdachte is op dat moment aangehouden. Het hof heeft overwogen dat niet is gebleken dat toevallige passanten bij de groep werden gebracht en werden gehinderd om de groep te verlaten. In het oordeel van het hof ligt voorts besloten dat van een vreedzame demonstratie geen sprake was, omdat het primaire doel van de organisatoren was een ontruiming te beletten. Gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, is het onder 2 bewezen verklaarde voldoende met redenen omkleed.

57. Het middel faalt.

58. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

59. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

60. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?