“1 In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.
2 In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.”
6. Art. 3 Opiumwet luidt:
“Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.”
Art. 11 Opiumwet luidt voor zover van belang:
“2 Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
(…)
5 Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.”
Art. 1 lid 2 Opiumwetbesluit luidt:
“De hoeveelheid middelen, bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de wet, betreft 500 gram hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in de bij de wet behorende lijst II.”
7. Ten laste van de verdachte is in de zaak met het nummer 15/05068 bewezenverklaard, dat hij tezamen en in vereniging met anderen hoeveelheden van totaal 4002 hennepplanten heeft geteeld en aanwezig heeft gehad. Dit is een grote hoeveelheid in de zin van art. 11 lid 4 Opiumwet jo. art. 1 lid 2 Opiumwetbesluit. Op de bewezenverklaarde feiten staat dus een geldboete van de vijfde categorie. Dit betekent dat het hof niet heeft miskend dat alleen beslag op de voet van art. 94a, leden 1 en 2, Sv kan worden gelegd in geval van verdenking of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
9. Het tweede middel klaagt dat niet blijkt dat de beschikking overeenkomstig het bepaalde in art. 24 lid 1 jo 552 lid 6 Sv in het openbaar is uitgesproken.
10. Uit de stukken die de griffier van het hof op de voet van het bepaalde in art. 434 lid 1 Sv heeft gezonden aan de griffier van de Hoge Raad blijkt niet dat de beschikking in het openbaar is uitgesproken. De Hoge Raad kan dit gebrek herstellen.
11. Het middel is dus tevergeefs voorgedragen.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG