“hij op 25 mei 2011 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 394 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
(i) De op de terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2015 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
“Ik was huurder van de woning. Ik gebruikte destijds medicijnen. Ik kwam [betrokkene 1] tegen. Hij kon mijn geldproblemen oplossen.
Ik wist van de kwekerij in mijn woning. Ik zou bij de tweede oogst geld krijgen. Ik betaalde de huur van de woning.”
(ii) Een op 15 juni 2011 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
“V: In jouw woning is een hennepkwekerij aangetroffen wat kun jij erover zeggen?
A: Een jongen stelde voor om een hennepkwekerij te beginnen. Hij overtuigde mij om een hennepkwekerij te beginnen.
V : Hoe heet die jongen?
A: Ik noem hem [betrokkene 1]. Het is een Bulgaarse jongen. Ik heb voor u een kopie van zijn id-kaart.
V: Kun jij omschrijven hoe die kwekerij er uit zag?
A: Wat ik weet is dat het boven was.
A: Ik ben wel boven geweest. Ik heb buizen gezien.
V : Hoe is de elektriciteit aangelegd?
A: Ik heb gezien dat er vanaf de kast een kabel naar boven ging.
A: Ik ben één of twee keer in de woning geweest.
V : Wat zou jij eraan verdienen?
A: Weet ik niet. Hij zou dat berekenen. Hij zei tegen mij dat hij voor een deel mijn problemen zou kunnen oplossen.
V : Heb je enig idee wat een kwekerij zou kunnen opbrengen?
A: Er was afgesproken dat de kwekerij werd opgebouwd en dat de onkosten van de winst werden afgetrokken en dat wat overbleef zouden [betrokkene 1] en ik delen.”
(iii) Een proces-verbaal van politie van 15 januari 2013, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:
“Op 25 mei 2011 hebben wij, verbalisanten, de woning aan de [a-straat 1] betreden. Wij, verbalisanten, zijn de trap naar boven op gelopen en zagen op de eerste verdieping een in werking zijnde hennepkwekerij.”
(iv) Een proces-verbaal van politie van 30 mei 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
“Door mij, verbalisant, werd op 25 mei 2011 in de woning van perceel [a-straat] op de bovenetage drie ruimtes aangetroffen die kennelijk waren ingericht voor het telen van hennep. De gehele bovenetage deed dienst als hennepkwekerij.
Op het moment van ontdekken stonden in de drie kweekruimtes 394 hennepplanten. Door mij, verbalisant, is door middel van een MMC-cannabistest een gedeelte van de in beslag genomen hennepplanten getest. De test MMC verkleurde positief en gaf aan dat het plantenmateriaal hennep betrof.”
(v) Een “huurovereenkomst zelfstandige woonruimte”, voor zover inhoudende:
“[verdachte], geboren [geboortedatum] 1963, huurder (...)
Verhuurder verhuurt aan huurder die in huur aanneemt de woning, gelegen aan de [a-straat 1] te Arnhem (...)
De huurovereenkomst is met ingang van 1 september 2006 aangegaan voor onbepaalde tijd.”
7. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat er geen sprake is van medeplegen maar van medeplichtigheid. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Een ander kwam met een oplossing voor de financiële problemen van de verdachte. De verdachte heeft geen enkele bemoeienis gehad met de opbouw van de kwekerij en hij heeft niet geholpen bij de teelt van de hennep. Hij heeft alleen zijn woning ter beschikking gesteld en hij is slechts in de woning geweest om zijn post op te halen. Pas na de eerste oogst zou [betrokkene 1] de verdachte betalen.
8. Het hof heeft mede in reactie op dit verweer onder “bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde” het volgende overwogen:
“Verdachte heeft verklaard dat hij schulden had en dat hij daarom het voorstel van [betrokkene 1] om in zijn (verdachtes) woning een hennepkwekerij op te zetten, heeft geaccepteerd. Verdachte en zijn mededader hebben voorts afspraken gemaakt over het verdelen van de winst.
Gelet op dit gezamenlijk maken van plannen voor het opzetten van een hennepkwekerij, het gegeven dat verdachte zijn woning ter beschikking stelde voor het inrichten van die hennepkwekerij en het vooraf maken van afspraken over de verdeling van de winst, is het hof van oordeel dat er in casu sprake was van medeplegen van het telen van hennep.”
9. Voor het bewijs van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist. Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht. De omstandigheid dat de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, behoeft aan het bewijs van medeplegen niet in de weg te staan. Hetzelfde geldt zelfs indien de verdachte bij het feit niet lijfelijk aanwezig is geweest. Om van medeplegen van het opzettelijk telen van hennep te kunnen spreken is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte vereist, welke samenwerking moet zijn gericht op het telen van hennepplanten in de woning van de verdachte. Het bestaan van uitdrukkelijke afspraken tussen de medeverdachte en de verdachte is daarvoor niet doorslaggevend. De bewuste samenwerking kan ook stilzwijgend geschieden. Voorts kan de samenwerking bestaan uit de voorbereiding of de sturing op afstand.
10. In december 2014 heeft de Hoge Raad in een tweetal overzichtsarresten ten aanzien van gevallen waarin medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering aandachtspunten geformuleerd voor de beoordeling wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Daarbij heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat de kwalificatie medeplegen slechts dan is gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde (intellectuele en/of materiële) bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voorts is ingegaan op het verschil tussen medeplegen en medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en het helpen bij de vlucht, rust op de rechter de taak om in het geval hij toch tot een bewezenverklaring van medeplegen komt, dat in het kader van de bewijsvoering nauwkeurig te motiveren. Daarbij kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
11. In de hiervoor onder 8 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk telen van hennep, aangezien de verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 1] gezamenlijk plannen hebben gemaakt voor het opzetten van een hennepkwekerij, de verdachte zijn woning ter beschikking heeft gesteld voor het inrichten van die hennepkwekerij en de verdachte en [betrokkene 1] vooraf afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de winst.
12. In het licht van de bewijsvoering en hetgeen hiervoor onder 9 en 10 is vooropgesteld, heeft het hof zijn oordeel dat er sprake is van medeplegen onvoldoende gemotiveerd. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt niet dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de hennepteelt. Uit de voornoemde bewijsoverwegingen van het hof volgt slechts dat de bijdrage van de verdachte heeft bestaan uit het ter beschikking stellen van de door hem gehuurde woning aan [betrokkene 1], zodat in die woning een hennepkwekerij kon worden geïnstalleerd (bewijsmiddelen 1 en 2). Uit de bewijsvoering blijkt niet dat de verdachte op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan het opbouwen en onderhouden van de hennepkwekerij. Daaruit volgt dat de verdachte slechts één of twee keer in de desbetreffende woning is geweest (bewijsmiddel 2). Het ter beschikking stellen van zijn woning aan een ander in de wetenschap dat die ander deze woning zal gebruiken ten behoeve van een hennepkwekerij, is een gedraging die voorafgaat aan het feit en die in de kern met medeplichtigheid in verband kan worden gebracht.
13. Aangezien het hof niettemin tot een bewezenverklaring van medeplegen is gekomen, rustte op het hof de plicht dit oordeel nauwkeurig te motiveren. In dit verband heeft het hof in zijn bewijsoverwegingen, naast een verwijzing naar het ter beschikking stellen van de woning, overwogen dat de verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk plannen hebben gemaakt voor het opzetten van een hennepkwekerij en dat zij afspraken hebben gemaakt over het verdelen van de winst. Beide argumenten overtuigen niet. Het idee om een hennepkwekerij te beginnen was afkomstig van de medeverdachte, terwijl deze aan de verdachte had verteld dat hij op die manier zijn geldproblemen kon oplossen en hem daartoe een voorstel had gedaan (bewijsmiddelen 1 en 2). De enkele omstandigheid dat afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de winst, zegt bovendien onvoldoende over het gewicht van de bijdrage van de verdachte. Daarbij wijs ik erop dat ook de medeplichtige veelal een financiële bijdrage zal ontvangen voor zijn aandeel in het delict en dat daarover afspraken zullen zijn gemaakt. Niet uitgesloten is dat in voorkomende gevallen de financiële afspraken over de verdeling van de buit licht kunnen werpen op het gewicht van de bijdragen van de verschillende bij het delict betrokken personen. Over deze afspraken verschaft de bewijsvoering geen opheldering. Op de terechtzitting in hoger beroep (bewijsmiddel 1) heeft de verdachte verklaard dat hij bij de tweede oogst “geld” zou krijgen, terwijl hij bij zijn verhoor door de politie (bewijsmiddel 2) heeft verklaard dat hij niet wist wat hij eraan zou verdienen en dat [betrokkene 1] dat zou berekenen en dat de onkosten van “de winst” zouden worden afgetrokken en dat de verdachte en [betrokkene 1] “dat wat overbleef” zouden delen. Het hof heeft zich niet uitgelaten over de uitleg van de desbetreffende verklaringen. Betekent het delen van wat overbleef dat sprake was van gelijke delen en, zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de verklaring van de verdachte dat hij bij de tweede oogst geld zou krijgen? De - aan de feitenrechter voorbehouden - uitleg van deze verklaringen kan naar mijn mening evenwel in het midden blijven. Het antwoord op de vraag of de bijdrage voldoende significant is om als medeplegen te gelden, zal in de eerste plaats moeten worden gevonden door te beoordelen waaruit de bijdrage van de verdachte aan het feit daadwerkelijk heeft bestaan. De verdeling van de winst kan een indicatie voor het gewicht van ieders bijdrage vormen in gevallen waarin de bewijsvoering daarover overigens geen uitsluitsel biedt. In de onderhavige zaak volgt uit de bewijsvoering dat de bijdrage van de verdachte slechts heeft bestaan in het ter beschikking stellen van de door hem gehuurde woning. Een verdergaande bemoeienis met de hennepkwekerij die maakt dat zijn bijdrage van voldoende gewicht kan worden aangemerkt om als medeplegen te kunnen gelden, kan niet uit de bewijsvoering worden afgeleid. De door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat vooraf afspraken zijn gemaakt, heeft naar mijn mening geen toegevoegde waarde, omdat het initiatief tot het opzetten van een hennepkwekerij afkomstig was van [betrokkene 1] en uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het maken van plannen en afspraken op meer betrekking had dan op (de vergoeding voor) de specifieke bijdrage van de verdachte aan de hennepkwekerij, te weten het ter beschikking stellen van de door hem gehuurde woning. Aldus heeft het hof zijn oordeel dat er sprake is van medeplegen van het opzettelijk telen van hennep, mede gelet op hetgeen de raadsman van de verdachte dienaangaande heeft aangevoerd, onvoldoende gemotiveerd.
14. Voor zover het middel klaagt over de motivering van het oordeel van het hof, is het terecht voorgesteld.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG