“hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 20 februari 2010 te Groningen, en/of elders in Nederland en in Bulgarije
(…)
sub 3. - een vrouw ([slachtoffer]) heeft aangeworven en meegenomen met het oogmerk die vrouw in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling (…)”
5. Het tenlastegelegde sub 3 is toegesneden op art. 273f, eerste lid aanhef en onder 3, Sr. Deze bepaling luidde in de bewezenverklaarde periode als volgt:
"1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:
(...)
3°. degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling".
6. In aanmerking genomen dat handelen in strijd met art. 273f, eerste lid aanhef en sub 3, Sr wordt gekwalificeerd als 'mensenhandel' en wordt bedreigd met een gevangenisstraf van acht jaren, moet worden aangenomen dat de in het derde onderdeel omschreven gedragingen alleen strafbaar zijn als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Dit brengt mee dat die gedragingen eerst dan als 'mensenhandel' kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat voldaan is aan de voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. 'Uitbuiting' moet derhalve worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 3, Sr.
7. Uit de zeer uitvoerige bewijsvoering van de rechtbank die door het hof is bevestigd, volgt zonder meer dat het aanwerven en meenemen met het oogmerk het slachtoffer in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Uit de bewijsvoering komt immers naar voren dat het slachtoffer de seksuele handelingen verrichtte, terwijl ze alle dagen moest werken, werkdagen maakte van wel 16 uur, dat ze al het geld aan verdachte diende af te staan, dat ze zelfs als ze bloedingen had moest werken en dat ze (intensief) werd gecontroleerd. Ondanks dat deze ‘arbeidsvoorwaarden’ zich pas realiseerden nadat het slachtoffer zich in Groningen begon te prostitueren, kunnen zij het oordeel dragen dat het aanwerven en meenemen reeds is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. De verdachte spiegelde het slachtoffer weliswaar een rooskleurig beeld voor en regelde oppas voor haar kind, maar (vrijwel) onmiddellijk na de aanvang van haar werkzaamheden was er sprake van uitbuiting. Dat verdachte eerder iets anders voor ogen heeft gehad blijkt uit niets.
8. Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG