2. Beoordeling van de ontvankelijkheid
Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) diende [verzoekster] ervoor te zorgen dat het door haar verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de indiening van het verzoekschrift zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort.
Nu het verzoekschrift tot cassatie op 18 januari 2017 ter griffie is ingekomen, liep de termijn op 15 februari 2017 af. Door de griffie is geconstateerd dat het door [verzoekster] verschuldigde griffierecht aan het einde van deze termijn niet was bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad en evenmin ter griffie was gestort. Dat brengt, in beginsel, mee dat [verzoekster] op grond van art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in het door haar ingestelde cassatieberoep.
Voordat de Hoge Raad overgaat tot niet-ontvankelijkverklaring dient hij verzoekster in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht (art. 282a lid 2, laatste zin, in verbinding met art. 427b Rv).
Uw Raad heeft [verzoekster] op 24 februari 2017 die gelegenheid gegeven.
Bij akte “Uitlating ex art. 409a lid 2 Rv” van 10 maart 2017 heeft mr. Van Weerden geconcludeerd dat niet-ontvankelijkverklaring in dit geval achterwege behoort te blijven. Daartoe heeft hij twee gronden aangevoerd.
De eerste grond is dat hij het griffierecht tijdig heeft voldaan, althans heeft willen voldoen omdat hij, na ontvangst van de hiervoor genoemde nota van het LDCR van 21 januari 2017, op 27 januari 2017 het in de nota genoemde bedrag van € 325,- heeft voldaan. Bij de betaling is, naar later is gebleken, echter abusievelijk het kenmerk vermeld van een eerdere griffierechtnota (met betrekking tot een andere zaak), die reeds op 24 januari 2017 was voldaan. Op 20 februari 2017 heeft de advocaat een aanmaning, gedateerd 16 februari 2017, ontvangen ter zake van het in de onderhavige zaak verschuldigde griffierecht. Na controle is gebleken dat door terugstorting op 3 februari 2017 de verkeerd gekenmerkte betaling op de betaalrekening van het kantoor van de advocaat was geretourneerd, onder vermelding dat de andere nota reeds was voldaan, waarna hij op dezelfde dag (20 februari 2017) het in deze zaak verschuldigde griffierecht (nogmaals) heeft betaald.
Volgens mr. Van Weerden heeft hij dan ook met de betaling van 27 januari 2017 – zij het met het verkeerde kenmerk – het verschuldigde griffierecht tijdig voldaan, althans willen voldoen. Niet wordt aangevoerd op grond van welke rechtsregel de betaling van 27 januari 2017 kan worden toegerekend aan de onderhavige zaak.
Uit het griffiedossier blijkt dat op 24 januari 2017 en nogmaals op 30 januari 2017 door het LDCR een betaling van € 325,- van mr. Van Weerden is ontvangen met omschrijving “[...]”. Verder blijkt daaruit dat op 1 februari 2017 een bedrag van € 325,- is teruggestort met omschrijving, voor zover thans van belang, “[...] nota reeds betaald”.
Art. 6:43 BW schrijft voor op welke wijze een betaling die zou kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser dient te worden toegerekend. Op grond van het eerste lid van art. 6:43 BW geschiedt toerekening in dat geval op de verbintenis die de schuldenaar bij de betaling aanwijst. Lid 2 van die bepaling bevat vervolgens de criteria die gelden bij gebreke van zodanige aanwijzing.
Bij de betaling van 27 januari 2017 is het kenmerk vermeld van een eerdere griffierechtnota met betrekking tot een andere zaak, die reeds was voldaan. De verbintenis die bij de betaling was aangewezen, bestond dan ook niet meer.
In een uitspraak van de belastingkamer van de Hoge Raad van 21 oktober 2005, waarin een soortgelijk geval aan de orde was, werd als volgt overwogen:
“3.3 (…) Door de eerdere betaling van de nota met nummer 003 bestond te dier zake geen verbintenis meer. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat ten tijde van de tweede betaling slechts als schuld openstond het griffierecht ter zake van onderhavig beroep. Derhalve kon artikel 6:43, lid 1, BW geen (overeenkomstige) toepassing vinden. Voorts lag het onder deze omstandigheden zozeer voor de hand dat het door belanghebbende bij haar betaling vermelde notanummer op een vergissing berustte, dat de griffier die betaling redelijkerwijs niet zonder navraag bij belanghebbende te doen als een onverschuldigde betaling had mogen aanmerken, maar deze had moeten aanmerken als bestemd ter delging van de griffierechtschuld in verband met het onderhavige beroep. De betaling moet derhalve worden toegerekend aan de onderhavige griffierechtschuld. Het middel is in zoverre gegrond. (…)”
Commentator Fase merkt op dat de gerechten als gevolg van dit arrest niet zonder meer dubbele betalingen op griffierechtnota’s als onverschuldigd betaald kunnen terugstorten en dat zal moeten worden onderzocht of de betaling op een andere zaak betrekking kan hebben.
Mij lijkt dit een te ruime lezing van de uitspraak, omdat de Hoge Raad bij zijn beslissing tot uitgangspunt heeft genomen dat slechts één schuld openstond, te weten het griffierecht in de onderhavige zaak.
Dat staat in de onderhavige zaak evenwel niet vast. Gesteld noch gebleken is dat ten tijde van de – onjuist gekenmerkte – betaling nog slechts één (andere) schuld, te weten het griffierecht in de onderhavige zaak, openstond. Bij die stand van zaken valt dan ook niet in te zien dat het LDCR de betaling had moeten aanmerken als bestemd ter voldoening van de griffierechtschuld in verband met het onderhavige cassatieberoep.
Voor zover nodig heeft mr. Van Weerden daarnaast een beroep gedaan op de hardheidsclausule en daarvoor de volgende argumenten aangevoerd:
(a) voorafgaand aan 15 februari 2017 heeft hij voldoende betaald voor de beide genoemde griffierechtnota’s, zodat de Staat geen incassorisico droeg; hij wijst er ter vergelijking op dat bij een rekening-courant arrangement sprake is van een generiek voorschot;
(b) het was duidelijk dat de betaling was bestemd of geacht moest worden te zijn bestemd ter voldoening van de op dat moment openstaande nota;
(c) voor zover de Staat enig incassorisico droeg, is dat risico ontstaan door de terugstorting en het ontstaan van het risico valt niet (in overwegende mate) aan de advocaat te verwijten;
(d) van het LDCR had kunnen worden verlangd dat het had bevorderd dat de onderhavige situatie niet was ontstaan, bijvoorbeeld door de betaling (niet terug te storten maar) te verrekenen met de toen nog openstaande nota of de advocaat in de gelegenheid te stellen zich over de aanwending van de betaling uit te laten;
(e) het incassorisico heeft slechts gedurende vijf dagen bestaan, nu de advocaat na ontdekking van de vergissing nog dezelfde dag voor herstel heeft gezorgd; en
(f) deze situatie is wezenlijk anders dan die waarin in het geheel geen betaling van het verschuldigde griffierecht heeft plaatsgevonden.
Door toepassing van de in de wet opgenomen hardheidsclausule kan de rechter de processuele consequenties van niet-tijdige betaling van het griffierecht buiten toepassing laten indien hij van oordeel is dat toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijke situatie. De toepassing van de hardheidsclausule is daarbij niet beperkt tot de gevallen waarin de rechtzoekende verschoonbaar in verzuim is geweest. Ook andere redenen kunnen, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, reden zijn de hardheidsclausule toe te passen, waarmee de rechter maatwerk kan bieden.
Het is dus niet verwonderlijk dat de rechtspraak over toepassing van de hardheidsclausule een grote mate van casuïstiek laat zien.
Rode draad is evenwel de vaste rechtspraak – ik veralgemeen de uitspraken over de cassatieprocedure naar alle procedures met verplichte procesvertegenwoordiging – dat partijen worden vertegenwoordigd door een advocaat en dat deze op grond van zijn deskundigheid en kennis zonder meer geacht wordt op de hoogte te zijn van de termijn waarbinnen griffierecht dient te zijn voldaan en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan.
Dit brengt onder meer mee dat het niet tijdig ontvangen van een nota griffierecht, dan wel een herinnering of aanmaning tot betaling van het griffierecht, niet tot verschoonbare termijnoverschrijding leidt. In een dergelijk geval wordt van de advocaat verwacht dat hij zelf actie onderneemt om in het bezit te komen van voor de betaling benodigde gegevens. Deze verantwoordelijkheid brengt verder mee dat bepaalde eisen worden gesteld aan de wijze waarop de advocaat de financiële administratie met betrekking tot de door hem behandelde zaken inricht. Zo heeft Uw Raad onder meer overwogen dat de omstandigheid dat de persoon die op het kantoor van de advocaat is belast met de betaling van griffierechten enige tijd arbeidsongeschikt was, de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maakt en dat het tot de verantwoordelijkheid van de advocaat behoort in zodanig geval maatregelen te treffen waardoor wordt zorggedragen voor de (tijdige) voldoening van verschuldigde griffierechten. De financiële administratie dient voorts tot op zekere hoogte tegen misverstanden bestand te zijn. De omstandigheid dat de tijdelijke vervanger van de secretaresse van de advocaat kennelijk is uitgegaan van een betalingstermijn van vier weken gerekend vanaf de ontvangst van de nota en de nota heeft opgeborgen, waardoor deze de advocaat niet tijdig heeft bereikt, rechtvaardigde een beroep op de hardheidsclausule dan ook niet.
Dat het verschuldigde griffierecht in deze zaak niet tijdig is betaald, is in de eerste plaats het gevolg van het vermelden van een onjuist kenmerk (te weten het kenmerk van een griffierechtnota in een andere zaak, die enkele dagen eerder reeds was voldaan), hetgeen vervolgens heeft geleid tot terugstorting van de betaling op de rekening van de advocaat. Mijns inziens springt het in de hiervoor in de rechtspraak genoemde uitgangspunt – de bij de (cassatie)advocaat aanwezige deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure – in dit specifieke geval in mindere mate in het oog. De omstandigheid dat bij de betaling een onjuist kenmerk wordt vermeld, kan ook niet zonder meer worden voorkomen door de financiële administratie anders of beter in te richten. Mijns inziens ontbreekt in de gegeven omstandigheden dan ook een dwingende reden om de niet-tijdige betaling van het griffierecht [verzoekster] aan te rekenen. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring bij niet-tijdige betaling van griffierecht is bedoeld als prikkel tot naleving van voorschriften die vooral de strekking hebben het incassorisico van de Staat te beperken en dat het LDCR in het onderhavige geval aan het ontstaan van dit risico heeft bijgedragen door de hiervoor bedoelde terugstorting van de betaling op de rekening van de advocaat.
Gelet op het voorgaande levert niet-ontvankelijkverklaring m.i. onder de gegeven omstandigheden een onbillijkheid van overwegende aard op. Derhalve dient toepassing van de sanctie van art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv achterwege te blijven.
Ik wijs ter zijde nog op het volgende.
In de hiervoor onder 1.3 genoemde eerste aanmaning van het LDCR van 16 februari 2017 is mr. Van Weerden verzocht het verschuldigde bedrag binnen veertien dagen te voldoen. Niet is gesteld dat deze mededeling is opgevat als een verlenging van de termijn voor betaling van het griffierecht met veertien dagen, dat mitsdien met de betaling op 20 februari 2017 op tijd is betaald en dat, voor zover een en ander onjuist is, de aanmaning verwarringwekkende informatie vanwege de met inning van griffierechten belaste gerechtelijke administratie bevat, zodat reeds hierom toepassing van de sanctie van art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv achterwege zou moeten blijven.
3. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad toepassing zal geven aan de hardheidsclausule.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G