“Ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding uit hoofde van artikel 278, eerste lid, beslissingen op verweren van de verdachte uit hoofde van artikel 283, eerste lid, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de telastlegging alsmede beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van artikel 287 of artikel 288 in stand."
5. In hoger beroep is de zaak van verdachte behandeld ter terechtzitting van het hof van 14 maart 2014 en in een andere samenstelling op 29 september 2015. Op verzoeken tot het horen van getuigen is beslist ter terechtzitting van 14 maart 2014. Het verzoek waarop het middel betrekking heeft is afgewezen. Het proces-verbaal van de zitting van 29 september 2015 bevat niet de vaststelling dat het onderzoek is hervat in de stand van de zitting van 14 maart 2014. De in het middel bedoelde afwijzende beslissing van het hof van 14 maart 2014 is een beslissing op de voet van de art. 328 en 331, eerste lid, jo. 315 jo. 415 Sv. Daarop heeft art. 322, vierde lid, Sv geen betrekking zodat, nu het onderzoek ter terechtzitting opnieuw is aangevangen, de bestreden uitspraak niet mede berust op de in het middel bedoelde beslissing.
6. Het middel is daarmee kansloos.
7. Het tweede middel klaagt over niet inachtneming van de art. 290 jo. 415 Sv, omdat de verklaring van de benadeelde partij is gebruikt bij de strafmotivering zonder dat de benadeelde partij voorafgaande aan die verklaring is aangemerkt als getuige.
8. Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 29 september 2015 houdt als verklaring van de benadeelde partij - zakelijk en verkort weergegeven - het volgende in:
“Ik ben arbeidsongeschikt geweest na dit voorval. Ik ben ook een winter lang overspannen geweest. Door hetgeen gebeurd is ben ik nog steeds onder behandeling van een psychiater. Ik ben nog nooit in mijn leven betrokken geraakt bij een vechtpartij. Er is ook door de verdachte aangifte gedaan. Het hele gebeuren heeft me emotioneel veel gedaan. Ik heb me wederom gevoegd voor het volle bedrag en blijf bij mijn vordering van € 567,00.”
9. Het bestreden arrest bevat de volgende strafmotivering:
“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft rijdend in zijn auto [slachtoffer] , die op een zebrapad liep, kennelijk over het hoofd gezien. Geschrokken door het gedrag van de verdachte heeft [slachtoffer] met zijn hand een tik op de auto van de verdachte gegeven. De verdachte is hierdoor in agressie ontstoken, is uit zijn auto gestapt en heeft [slachtoffer] een harde vuistslag op zijn oog gegeven. Het hof acht dit een ernstig feit. Waar het de verdachte had gepast volmondig zijn excuses te maken voor de door hem gemaakte verkeersfout en begrip op te brengen voor de geschrokken reactie van [slachtoffer] , heeft hij zich in het openbaar, terwijl zijn kinderen in zijn auto zaten, en anderen aanwezig waren, uiterst agressief gedragen. Dergelijk gedrag heeft, zoals ook in dit geval uit de verklaring van [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, nogal eens verstrekkende gevolgen voor de slachtoffers ervan en veroorzaken ook meer in het algemeen gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 september 2015 is de verdachte eerder ter zake van onder meer mishandeling onherroepelijk veroordeeld.
Naar het oordeel van het hof kan - ondanks het tijdsverloop - vanwege de ernst van het feit niet worden volstaan met de in eerste aanleg of de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Toepassing van art. 9a Wetboek van Strafrecht, zoals de raadsman heeft verzocht, komt dus ook niet in aanmerking. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren van na te melden duur passend en geboden.”
10. Het middel steunt op de opvatting dat hetgeen blijkt uit de verklaring van de benadeelde partij niet ten grondslag mag worden gelegd aan de strafoplegging. Ik stel voorop dat het slachtoffer in de onderhavige zaak optrad in de hoedanigheid van benadeelde partij en in die hoedanigheid de mogelijkheid had om zijn standpunt over de vordering tot vergoeding van de volledige materiele schade tot een bedrag van €566, - toe te lichten. Gelet op het eerste lid van art. 51e Sv kwam het slachtoffer het spreekrecht niet toe.
11. Een door de benadeelde partij naar aanleiding van ter terechtzitting aan hem gestelde vragen afgelegde verklaring kan van belang zijn voor de beantwoording van de in de art. 348 en 350 Sv bedoelde vragen. In dat geval dient de benadeelde partij op de voet van art. 290, vierde lid, Sv alvorens de verklaring wordt afgelegd als getuige te worden beëdigd. Het hof heeft in het onderhavige geval aan de verklaring van de benadeelde partij blijkens de strafmotivering betekenis toegekend voor de beantwoording van de vierde vraag van art. 350 Sv, terwijl van beëdiging als getuige niet blijkt.
12. De verlening van enige betekenis aan de verklaring van de benadeelde partij voor de strafoplegging behoeft niet zonder meer tot cassatie te leiden. Indien kan worden aangenomen dat het hof aan die verklaring zeer gering gewicht heeft toegekend, moet worden geoordeeld dat de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij zijn klacht. Of dat kan worden aangenomen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
13. In aanmerking kan allereerst worden genomen dat uit het proces-verbaal van de zitting van 29 september 2015 niet blijkt dat de benadeelde partij heeft verklaard naar aanleiding van specifieke vragen, maar dat hem enkel de mogelijkheid is geboden te reageren. Het lijkt mij duidelijk dat bij verklaringen die min of meer spontaan worden afgelegd in het algemeen tevoren minder goed valt te voorzien dat deze van belang (kunnen) zijn voor de beantwoording van de vragen van de art. 348 en 350 Sv. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt evenmin dat van de kant van de verdediging enig bezwaar is geopperd tegen de door de benadeelde partij afgelegde verklaring. Voorts geldt hier dat het hof de straf breed heeft gemotiveerd. Dat is ook in gevallen, zoals het onderhavige, waarin reeds een standaardstrafmotivering het arrest in cassatie onaantastbaar zou maken wat mij betreft zeker als positief te waarderen.
14. Het hof heeft een aantal factoren bij de strafmotivering betrokken. De gevolgen van feiten als het onderhavige zijn slechts één van die factoren. Het hof overweegt eerst in het algemeen dat gedrag als het bewezenverklaarde nogal eens verstrekkende gevolgen heeft voor de slachtoffers ervan en vervolgens in het bijzonder dat van dergelijke gevolgen hier sprake is. Tegen de vaststelling wordt in de toelichting op het middel niet geopponeerd, voor zover deze algemeen is, en dat algemene deel van de vaststelling vormt vooral het dragende deel van deze factor. Dat dergelijke gevolgen zich in dit geval blijkens de verklaring van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep ook daadwerkelijk hebben voorgedaan, voegt daaraan niet veel toe, doch vormt een bevestiging dat gedrag als dat van verdachte verstrekkende gevolgen kan hebben. Nog anders gezegd: het hof houdt bij de straftoemeting rekening met het beeld dat hij schetst van de gevolgen van agressief verkeergedrag en dat beeld wijzigt niet, maar wordt wel ondersteund door de verklaring van de benadeelde partij.
15. Nu de gewraakte verklaring van de benadeelde partij slechts een bevestiging vormt van een aantal bij de strafmotivering in aanmerking genomen factoren, concludeer ik mede in het licht van de overige omstandigheden dat het hof daaraan een zeer gering gewicht heeft toegekend. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij de tweede klacht.
16. De middelen falen en het eerste middel leent zich in ieder geval voor afdoening met toepassing van art. 81, eerste lid, RO, eventueel zelfs art. 80a RO. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG