B. De post crediteuren
12. Voorts komt het middel met diverse deelklachten op tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 ten aanzien van de post crediteuren.
13. Ten aanzien van de post crediteuren heeft het hof in het bestreden arrest het volgende overwogen:
“3.1.
De raadsman van de verdachte heeft met betrekking tot de post crediteuren aangevoerd dat verdachte niet met opzet cijfers anders heeft willen voorstellen dan in werkelijkheid. Ook was er geen sprake van voorwaardelijk opzet. De verklaring van de verdachte dat hij de waarde van het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren, levert hiervoor geen bewijs op. Immers, deze verklaring moet worden opgevat in de betekenis van het zo positief als mogelijk presenteren, in de zin van toelaatbaar. Nu opzet niet kan worden bewezen dient de verdachte daarvan te worden vrijgesproken.
3.2.
Uit het rapport van [D] registeraccountants en belastingadviseurs d.d. 24 maart 2006 (dossierpagina 56) blijkt dat de post crediteuren niet correct is weergegeven. De verdachte heeft dat ook erkend tegenover de politie (dossierpagina 257). Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte dat hij de waarde van het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren (dossierpagina 258) wel degelijk tot het bewijs van (voorwaardelijk) opzet kan worden gebezigd. Het achterliggende doel van de verdachte was immers het verkopen van aandelen in zijn vennootschap. In dat verband wilde hij de cijfers er zo goed mogelijk laten uitzien, aldus zijn verklaring bij de politie op 21 maart 2007 (dossierpagina 254). Hieruit leidt het hof af dat de verdachte de balanspost crediteuren in de jaarrekeningen te laag heeft opgevoerd en zich daarmee willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de jaarstukken vals zouden zijn. In die zin heeft de verdachte opzettelijk (in voorwaardelijke zin) gebruik gemaakt van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit (te weten: de waarde van de onderneming) te dienen als bedoeld in artikel 225, 2e lid, Wetboek van Strafrecht, zodat het verweer wordt verworpen.”
14. Allereerst wordt het oordeel van het hof niet betwist dat de balanspost crediteuren in de jaarrekeningen te laag zijn opgevoerd, maar wordt de betekenis die het hof heeft gegeven aan de verklaring van verdachte inhoudende dat hij de waarde van het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren, onbegrijpelijk geoordeeld. Deze of soortgelijke bewoordingen heeft verdachte blijkens zijn als bewijsmiddel 3 voor het bewijs gebezigde verklaring enkele keren gebruikt (p. 253, p. 254 en 258). Kennelijk betreft de klacht de waardering van de bewijsmiddelen. Selectie en waarderingskwesties zijn aan de feitenrechter, tenzij dergelijke kwesties worden ingekaderd in een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dat laatste wordt niet gesteld en daarvan is ook geen sprake.
15. Voor zover het middel betoogt dat de verklaring van verdachte dat hij het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren door knippen en plakken is gedenatureerd, faalt het eveneens. Verdachte heeft de op zich zelf niet betwiste bewoordingen niet steeds in precies dezelfde context gebruikt, maar in ieder geval onder meer in antwoord op de vraag of hij door de gebrekkige (valse) jaarrekening de waarde van de aandelen hoger wilde voorwenden. Dat is nogal algemeen. Dat het hof in zijn verklaringen niet uitsluitend heeft gelezen dat hij de post debiteuren zo positief mogelijk wilde presenteren (en niet het (gehele) bedrijf), is niet onbegrijpelijk. Gelet hierop is anders dan de steller van het middel meent van denatureren geen sprake.
16. De bewijsoverwegingen zouden vervolgens innerlijk tegenstrijdig dan wel in elk geval onbegrijpelijk zijn omdat het hof enerzijds heeft overwogen dat verdachte “de balanspost crediteuren in de jaarrekeningen te laag heeft opgevoerd” - hetgeen duidt op vol opzet - terwijl het hof vervolgens concludeert tot voorwaardelijk opzet door te overwegen dat “verdachte zich daarmee willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de jaarstukken vals zouden zijn”. Met de steller van het middel ben ik het eens dat de overwegingen van het hof aangaande de balanspost crediteuren wijzen op vol opzet van de verdachte, en dus niet op voorwaardelijk opzet. Mij ontgaat echter het belang bij dit middel. Tot cassatie kan het niet leiden.
17. Voorts klaagt het middel dat door het hof gebezigde (onderdelen van) verklaringen van verdachte (onder bewijsmiddel 3) niet redengevend kunnen zijn voor het bewijs. Het betreft de volgende (onderdelen van) verklaringen van verdachte:
“In de civiele procedure heeft u per brief al laten weten bekend te zijn met het feit dat er in de jaarrekening onverklaarbare fouten zijn geslopen. Met name was er geen aansluiting met de subadministratie betreffende crediteuren. A: ik heb erkend dat er onverklaarbare fouten in de jaarrekening zaten. Er zaten verschillen in de crediteurenbedragen tussen de jaarrekening en de sublijsten.”
En
“Bij de onderhandeling met de bank over een mogelijk rekeningcourantkrediet probeerde hij het bedrijf zo goed mogelijk te presenteren”.
En
“Ik wilde een koper vinden voor mijn bedrijf en de cijfers er zo goed mogelijk laten uitzien.”
18. Op grond van art. 359, derde lid, Sv moet de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, steunen op de inhoud van in de uitspraak opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Kennelijk heeft het hof de onder 17 weergegeven verklaringen van verdachte redengevend geacht voor de bewezenverklaring van feit 2 (en/of feit 3). Dat oordeel acht ik gelet op de verklaringen van verdachte in onderlinge samenhang bezien, alsmede de door het hof gebezigde bewijsconstructie, niet onbegrijpelijk. In zoverre kan de klacht evenmin tot cassatie te leiden.
19. De klachten die zien op de post ‘crediteuren’ zijn tevergeefs voorgesteld.
C. Het niet opgenomen zijn (in jaarrekeningen/balansen van een pandrecht
20. Voorts klaagt het middel dat de overweging van het hof dat verdachte had moeten begrijpen dat in een toelichting dan wel in een verklaring bij de financiële overzichten vermeld had moeten worden dat er een pandrecht was afgegeven ten bedrage van 150.000 voor een schuld van 49.000, omdat dat van belang was voor de waarde van de aandelen waarover verdachte onderhandelde met de koper, onbegrijpelijk is.
21. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:
“1.1.
Met betrekking tot de ten laste gelegde valsheid erin bestaande dat in de jaarrekeningen niet was opgenomen dat er een pandrecht was afgegeven heeft de raadsman het volgende aangevoerd.
De verplichting van artikel 2:375 3e lid Burgerlijk Wetboek (verder BW), inhoudende dat wordt aangegeven voor welke schulden zakelijke zekerheid is gesteld en in welke vorm dat is geschied, is niet van toepassing, nu zowel de jaarrekening van 30 november 2003 als de jaarrekening van 31 december 2003 niet kan worden aangemerkt als een jaarrekening als bedoeld in artikel 2:361 BW (balans- en verliesrekening met toelichting) en zoals bedoeld in de tenlastelegging.
De jaarrekening van november 2003 betreft een stuk bevattende tussentijdse cijfers, op welk stuk titel 9 van boek 2 BW niet van toepassing is, zodat deze jaarrekening niet valt onder het wettelijk begrip “jaarrekening”. Ook de jaarrekening van december 2003 valt niet onder het wettelijk begrip “jaarrekening”. Immers, aan deze jaarrekening ontbreekt de vereiste toelichting en voorts wordt dit stuk door de koper en de boekhouder Bos niet aangeduid als “jaarrekening”. De koper heeft het over “een concept jaarrekening” en Bos noemt het “een geconsolideerde balans”.
Voorts heeft bij de verdachte het opzet ontbroken, nu hij geen accountant is en geen enkele accountantskennis heeft, hetgeen ook niet van hem gevergd kan worden. Bij verdachte ontbrak het aan de wetenschap dat de stukken onjuist waren en dat een pandrecht in de jaarstukken vermeld zou moeten worden. Derhalve kan niet worden bewezen dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse stukken, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Het hof acht, anders dan de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat door verdachte opzettelijk valselijk in de jaarrekeningen of balansen d.d. 30 november 2003 en d.d. 31 december 2003 niet was opgenomen dat er een pandrecht was afgegeven.
Het hof overweegt allereerst dat het feit dat de overzichten van 30 november 2003 en van 31 december 2003, die verdachte aan de koper verstrekte, geen “jaarrekeningen” in de zin van het BW zouden zijn, niet afdoet aan de omstandigheid dat het financiële overzichten betreft op grond waarvan door partijen gesprekken werden gevoerd over de koop/verkoop van aandelen en van welke overzichten de verdachte de koper heeft voorgespiegeld dat het zou gaan om de juiste financiële informatie. Het hof leest de tenlastelegging dan ook in die zin dat met de in de tenlastelegging opgenomen zinsnede “(geconsolideerde) jaarrekening(en) en/of balans(en) per 30 november 2003 en/of 31 december 2003 (inclusief toelichting(en)/verklaring(en))” niet de wettelijke jaarrekeningen in de zin van titel 9 van het tweede boek van het BW worden bedoeld, maar dat het geschriften zijn die moeten worden beschouwd als financiële overzichten. De naamgeving daarvan is voor de strafrechtelijke beoordeling van de tenlastelegging van ondergeschikt belang.
Voorts is het hof van oordeel dat het afgeven van een pandrecht ten bedrage van 150.000 euro voor een schuld van 49.000 euro, door verdachte opgenomen had moeten worden in een toelichting dan wel in een verklaring gevoegd bij deze financiële overzichten. Verdachte had moeten begrijpen dat dat van belang was voor de waarde van de aandelen waarover de verdachte onderhandelde met [betrokkene], mede in het licht van de totale overnameprijs. De verdachte heeft echter verklaard dat hij bij die onderhandelingen de waarde van het bedrijf zo positief mogelijk wilde presenteren. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte, door het niet opnemen van het afgegeven pandrecht in een toelichting bij de jaarstukken (zijnde de financiële overzichten), zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de jaarstukken vals zouden zijn. In die zin heeft de verdachte opzettelijk (in voorwaardelijke zin) gebruik gemaakt van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit (te weten: de waarde van de aandelen van de vennootschap) te dienen als bedoeld in artikel 225, 2e lid, Wetboek van Strafrecht, zodat het verweer wordt verworpen.”
22. De klacht richt zich in de eerste plaats tegen een motivering van de bewezenverklaring welke niet te verenigen zou zijn met de motivering van een gegeven vrijspraak. De vrijspraak en motivering daarvan zijn echter niet aan het oordeel van de HR onderworpen, zodat de klacht in cassatie niet ten toets kan komen.
23. Voorts klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat een pandrecht van belang kan zijn voor de waarde van de aandelen, onjuist is. Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, kan een pandrecht van belang zijn bij het bepalen van de solvabiliteit en liquiditeit van een onderneming. Dat informatie omtrent een pandrecht van belang is voor de koper en van invloed kan zijn op de prijs die de koper bereid is (voor de aandelen) te betalen, staat mijns inziens reeds hierom buiten kijf. Immers, voor een illiquide onderneming zal een koper minder willen betalen dan voor een financieel gezonde onderneming. Het belang van informatie omtrent eventuele gestelde zekerheden - zoals een pandrecht - volgt ook uit art. 2:375, eerste en derde lid, BW, waarin expliciet de verplichting is opgenomen dat in de balans van een onderneming wordt aangegeven voor welke schulden zakelijke zekerheid is gesteld en in welke vorm dat is geschied. Weliswaar heeft het hof overwogen dat de balansen waarop het tenlastegelegde ziet niet zijn aan te merken als een balans en/of jaarrekening in de zin van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, maar dat neemt niet weg dat de in Boek 2 BW opgenomen bepalingen wel van belang kunnen zijn voor de vraag welke gegevens de verdachte in de balansen had moeten opnemen teneinde een getrouw beeld van de financiële situatie van de onderneming aan de koper te verstrekken. Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het eveneens.
24. Tot slot klaagt het middel dat het voorwaardelijk opzet van verdachte op de valsheid van de balansen met betrekking tot het niet vermelden van het pandrecht niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof heeft overwogen dat verdachte had moeten begrijpen dat het vermelden van het pandrecht van belang was bij het bepalen van de waarde van de aandelen waarover verdachte onderhandelde met de koper. Dat verdachte had moeten begrijpen is onvoldoende om minstens voorwaardelijk opzet aan te nemen omdat daarvoor nodig is dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
25. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende. Aan verdachte is onder 3 ten laste gelegd dat:
“hij in of omstreeks de periode van 1 november 2003 tot en met 15 april 2004 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene] als bestuurder/aandeelhouder van [E] BV heeft bewogen tot de afgifte van geld en/of tot het aangaan van een schuld (totaal ongeveer 67.000 euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk
- zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- (een) vals(e) of vervalst(e) jaarrekening(en) en/of balans(en) d.d. 30 november 2003 en/of 31 december 2003, in elk geval een of meerdere financiële overzichten, overgelegd waarin bij diverse posten (onder meer de posten belastingen en premies en/of voorraden en/of handelsdebiteuren en/of crediteuren) onjuiste bedragen waren vermeld (waardoor hij, verdachte, de indruk heeft gewekt dat de waarde van de door voornoemde [betrokkene] te kopen aandelen van [A] B.V. nagenoeg gelijk was met het bedrag van de koopsom van die aandelen) en/of (daartoe)
- een verklaring (van de boekhouder/opsteller) bij de jaarrekening(en) en/of balans(en) gebruikt heeft als ware deze waarheidsgetrouw en/of
- toegelaten dat in de notariële akte van de levering van aandelen d.d. 15 april 2004 (aan [betrokkene] voornoemd) was opgenomen dat de verkoper de koper garandeert dat de balans d.d. 31 december 2003 van [A] B.V. duidelijk en getrouw de grootte van het vermogen van de vennootschap per die datum en de verdeling van de actief- en passiefposten weergeeft en/of (vervolgens) deze akte (als verkoper) ondertekend (terwijl die balans niet de juiste gegevens met betrekking tot dat vermogen per die datum en of die verdeling van de actief- en passiefposten weergaf),
waardoor voornoemde [betrokkene] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte van geld en/of aangaan van een schuld.”
26. Daarvan is door het hof bewezenverklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode van 1 november 2003 tot en met 15 april 2004 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene] als bestuurder/aandeelhouder van [E] BV heeft bewogen tot het aangaan van een schuld (totaal ongeveer 67.000 euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk
- zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid valse jaarrekeningen of balansen d.d. 30 november 2003 en 31 december 2003 overgelegd waarin bij diverse posten (de posten belastingen en premies en crediteuren) onjuiste bedragen waren vermeld, waardoor voornoemde [betrokkene] werd bewogen tot bovenomschreven aangaan van een schuld.”
27. Het hiervoor genoemde feit is strafbaar gesteld in art. 326, eerste lid, Sr. Dit feit is als misdrijf aangemerkt en was ten tijde van het ten laste gelegde feit bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.
28. Het onderhavige misdrijf is volgens de bewezenverklaring begaan in de periode van 1 november 2003 tot en met 15 april 2004. Op grond van art. 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, Sr in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren (in totaal twaalf jaren). Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.
29. Het middel slaagt. Andere gronden dan de hiervoor onder 28 vermelde grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit en tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde de zaak wat betreft feit 2 opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG