5. In cassatie wordt zowel door de officier van justitie als namens de verdachte het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep ontvankelijk is, onder meer omdat in de beschikkingen van de rechter-commissaris en de rechtbank impliciet afwijzing van de vordering tot bewaring besloten ligt. Dat laatste is essentieel, omdat tegen afwijzing van de vordering tot bewaring voor de officier van justitie wel cassatie open staat (art. 446 Sv), tegen de beslissing van de rechtbank tot invrijheidsstelling niet.
6. Het ligt voor de hand in de beschikking van de rechter-commissaris impliciet de beslissing tot afwijzing van de vordering tot bewaring te zien. De bevolen onmiddellijke invrijheidsstelling valt immers niet te rijmen met toewijzing van de vordering tot bewaring, waarop de verdachte uitdrukkelijk is gehoord en waartegen namens hem bezwaar is gemaakt. Voor de beschikking van de rechtbank ligt dit lastiger. Weliswaar maakt de officier van justitie in zijn appelmemorie bezwaar tegen de (impliciete) afwijzing van de vordering tot bewaring door de rechter-commissaris, de rechtbank baseert de ontvankelijkheid van het beroep uitsluitend op art. 59a lid 1 Sv, de bepaling die het voor de officier van justitie mogelijk maakt in beroep te komen tegen een beslissing tot invrijheidsstelling van een in verzekering gestelde verdachte. Bovendien wijdt de rechtbank geen woord aan de vordering tot bewaring. Daar staat echter tegenover dat de officier van justitie ex art. 446 Sv hoger beroep toekomt tegen de beslissing tot afwijzing van de vordering tot bewaring, dat hij zijn hoger beroep blijkens de appelmemorie bepaald niet heeft beperkt tot de beslissing tot onmiddellijke invrijheidsstelling, dat de vordering tot bewaring ten tijde van de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op 13 oktober 2016 uitdrukkelijk ter sprake is geweest en dat de rechtbank het beroep ongeclausuleerd ongegrond heeft verklaard. Dat laatste betekent dat indien in de beschikking van de rechter-commissaris tot onmiddellijke invrijheidstelling de afwijzing van de vordering tot bewaring besloten ligt, het dictum van de beschikking van de rechtbank ook de ongegrondverklaring van het beroep tegen de (impliciete) beslissing op de vordering tot bewaring omvat. Tegen die laatste beslissing staat voor de officier van justitie beroep in cassatie open omdat zijn vordering (wederom) is afgewezen (art. 446 Sv). Ik acht de officier van justitie dan ook ontvankelijk in zijn beroep in cassatie.
7. In de schriftuur wordt ook een andere weg gewezen naar ontvankelijkheid van het cassatieberoep, te weten dat het verzuim om te beslissen op de vordering de officier ontvankelijk maakt in zijn cassatieberoep. Dit zal aldus moeten worden begrepen dat het niet aangaat de officier een rechtsmiddel te onthouden in geval waarin verzuim te beslissen op een vordering in feite neerkomt op afwijzing van die vordering en de officier van justitie door dat verzuim niet de mogelijkheid van cassatie mag worden onthouden, een mogelijkheid die hij wel zou hebben als de vordering was afgewezen. Deze gedachte doet denken aan het geval waarin is verzuimd op de vordering van de benadeelde partij te beslissen en daarmee haar in feite de mogelijkheid wordt ontnomen daarover in cassatie te klagen. Dan pleegt de Hoge Raad ambtshalve in te grijpen en de bestreden beslissing te vernietigen omdat is verzuimd op de vordering van de benadeelde partij te beslissen. Ook deze weg kan worden gevolgd. Noodzakelijk lijkt mij deze niet omdat de beslissing tot onmiddellijke invrijheidsstelling betekent dat de rechter-commissaris van oordeel is dat de vordering tot bewaring moet worden afgewezen.
8. Het middel klaagt in de eerste plaats dat de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris niet had mogen bevestigen omdat de rechter-commissaris heeft verzuimd te beslissen op de vordering tot bewaring.
9. Deze klacht gaat mijns inziens niet op omdat, zoals ik hiervoor uiteen heb gezet, in de beslissing tot onmiddellijke invrijheidsstelling de afwijzing van de vordering tot bewaring besloten ligt.
10. Voorts klaagt het middel dat de rechter-commissaris heeft verzuimd te motiveren waarom de vordering tot bewaring wordt afgewezen en de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris dus niet had mogen bevestigen.
11. Deze klacht is gebaseerd op de opvatting dat de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris heeft bevestigd. Dat is niet het geval. De rechtbank heeft op de door haar in haar beschikking uiteengezette gronden het beroep ongegrond verklaard.
12. Ten slotte wordt geklaagd dat, ervan uitgaande dat de rechtbank de vordering tot bewaring (impliciet) heeft afgewezen, de rechtbank heeft verzuimd te motiveren waarom die vordering dient te worden afgewezen.
13. Zoals ik hiervoor uiteen heb gezet moet ervan worden uitgegaan dat de rechtbank de vordering tot bewaring impliciet heeft afgewezen. Zij spreekt niettemin alleen over gebreken die kleven aan de (procedure van) inverzekeringstelling. Deze zijn echter niet zonder meer toereikend voor de afwijzing van een vordering tot bewaring. Zoals de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8537 kunnen gebreken van een aan een vordering tot inbewaringstelling voorafgaande inverzekeringstelling geen zelfstandige grond vormen voor afwijzing van deze vordering.
14. Mocht de ongegrondverklaring van het beroep door de rechtbank wel worden opgevat als bevestiging van de beschikking van de rechter-commissaris, dan kleeft aan die bevestiging een motiveringsgebrek als hiervoor uiteengezet. De rechter-commissaris noemt immers - evenals de rechtbank - als gronden voor de onmiddellijke invrijheidsstelling alleen gebreken die kleven aan de (procedure van) inverzekeringstelling.
15. Het middel slaagt ten dele.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin vervatte beslissing tot afwijzing van de vordering tot bewaring en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden behandeld en afgedaan, met afwijzing van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG