2. Bespreking van de prejudiciële vragen
De eerste door het hof aan de Hoge Raad voorgelegde vraag betreft de typering van een vonnis dat is gewezen in een geding waarin van de drie gedagvaarde partijen twee gedaagde partijen niet zijn verschenen en de zaak ten aanzien van de enige verschenen gedaagde partij na de comparitie van partijen wordt doorgehaald.
Art. 140 Rv regelt in het eerste en derde lid de situatie waarin sprake is van verschillende gedaagden van wie er tenminste een wel én een niet verschijnt en vervolgens vonnis wordt gewezen tussen alle partijen:
“1. Zijn er meer gedaagden en is ten minste een van hen in het geding verschenen, dan wordt, indien ten aanzien van de overige gedaagden de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, tegen dezen verstek verleend en tussen de eiser en de verschenen gedaagden voortgeprocedeerd.
3. Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.”
De rechter beoordeelt de vordering tegen de niet verschenen gedaagde(n) in één en hetzelfde vonnis als waarin de vordering tegen de wel verschenen gedaagde(n) wordt afgedaan. Het vervolgens tussen alle partijen gewezen eindvonnis wordt voor zowel de verschenen als de niet verschenen gedaagden als een vonnis op tegenspraak beschouwd, met als gevolg dat daarvan door een ieder, ongeacht zijn ‘status’ in het geding in eerste aanleg (verschenen of niet) hoger beroep dient te worden ingesteld. In zoverre vormt art. 140 lid 3 Rv, evenals art. 335 lid 2 Rv, een uitzondering op de hoofdregel van art. 143 Rv dat voorschrijft dat indien een gedaagde bij verstek wordt veroordeeld, hij daartegen (binnen vier weken) verzet kan doen.
De aan de ratio van art. 140 lid 3 Rv ten grondslag liggende veronderstelling is dat de verschillende verweerders niet zonder reden gezamenlijk werden gedagvaard en dat de connexiteit van de vorderingen daartoe aanleiding is. Vanwege deze connexiteit is het dan van belang dat de zaak één geheel blijft en dat op de samenhangende vorderingen, die deels op verstek en deels op tegenspraak worden behandeld, in gelijke zin wordt beslist. Door te bepalen dat tussen partijen één vonnis wordt gewezen, wordt voorkomen dat tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van eenzelfde rechtsbetrekking worden gewezen.
Het verschil met de onderhavige zaak is dat de enige verschenen gedaagde na de comparitie van partijen ‘uit het geding is verdwenen’ zodat jegens deze partij geen rechterlijke uitspraak is gevolgd.
De feitenrechtspraak en literatuur zijn verdeeld over de kwalificatie van het vonnis dat in een dergelijk geval is gewezen.
Rechtspraak
In vier gevallen werd het gewezen vonnis als een verstekvonnis opgevat, waarbij in de hierna als eerste twee beschreven zaken doorslaggevend werd geacht dat het uiteindelijke vonnis niet tegen alle oorspronkelijke partijen was gewezen.
(i) Verstekvonnis
In het in 1935 door de rechtbank Amsterdam berechte geval was vonnis gewezen tegen de niet verschenen gedaagde, terwijl de procedure tegen de wel verschenen gedaagde vóór het wijzen van vonnis was geschorst vanwege diens faillissement. De niet-verschenen partij kwam in verzet waarna de oorspronkelijk eiser als geopposeerde een niet-ontvankelijkheidsverweer voerde. De rechtbank oordeelde vervolgens dat het vonnis waartegen verzet was ingesteld als een verstekvonnis diende te worden aangemerkt omdat het niet was gewezen tussen alle oorspronkelijk gedaagden, zoals (het toenmalige) art. 79 lid 2 Rv veronderstelde, maar uitsluitend tegen de partij die in verzet was gekomen.
De rechtbank Zwolle gebruikte in 2006 hetzelfde argument. In die zaak waren twee partijen gedagvaard, waarvan er één niet in de procedure verscheen en waartegen verstek werd verleend. Vervolgens werd door de eisende partij de procedure ten opzichte van de verschenen gedaagde doorgehaald in verband met het bereiken van een schikking en werd vonnis gewezen tussen eiser en de niet verschenen partij. De rechtbank achtte deze laatste ontvankelijk in het tegen dat vonnis ingestelde verzet met als motivering dat, doordat de zaak tegen de verschenen gedaagde was doorgehaald, geen vonnis is gewezen waarbij de verschenen gedaagde (ook) partij was en er dus ook geen vonnis tussen alle partijen is gewezen. Het vonnis was derhalve een verstekvonnis waartegen verzet openstond, aldus de rechtbank.
Ook de rechtbank ’s-Gravenhage beschouwde in 2012 (alsnog) het gewezen vonnis als een verstekvonnis. Aanvankelijk had de rechtbank geoordeeld dat het vonnis dat was gewezen ten opzichte van de niet verschenen gedaagden, nadat de zaak ten opzichte van de verschenen gedaagden was doorgehaald, een vonnis op tegenspraak was. Een van de niet verschenen gedaagden ging echter in verzet en stelde daarbij dat het vonnis ten onrechte als vonnis op tegenspraak was aangemerkt. In de verzetprocedure oordeelde de rechtbank vervolgens als volgt:
“(…) 4.2 Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijk vonnis (zoals haar vonnis van 31 mei 2006 bij nader inzien) een verstekvonnis. (…) Daartoe is het volgende redengevend.
Zowel uit tekst als strekking van artikel 140 leden 1 en 2 Rv volgt dat na doorhaling van de procedure tegen de wel verschenen gedaagde(n) het vonnis tegen de niet verschenen gedaagde(n) waartegen verstek is verleend een verstekvonnis is. Er is immers naar de letter van de wettekst genomen geen sprake meer van de situatie als bedoeld in art. 140 lid 2 Rv, te weten een vonnis tegen de wel verschenen gedaagden. Naar de strekking genomen, beoogt art. 140 lid 2 Rv voorts om de onwenselijkheid van twee verschillende rechtsmiddelen tegen één vonnis te voorkomen: hoger beroep in de zaak tegen de wel verschenen gedaagden maar verzet in de zaak tegen de niet verschenen gedaagden. Die ratio van het voorkomen van “twee sporen” valt echter weg, indien het door een schikking niet meer tot een vonnis en een eventueel hoger beroep kan komen in de zaak tegen de wel verschenen gedaagden. (…).”
Voor de rechtbank was dus redengevend dat het vonnis niet tegen de verschenen gedaagden is gewezen, waarmee de ratio van het huidige derde lid van art. 140 Rv (het voorkomen van ‘twee sporen’) was weggevallen.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in 2013 in gelijke zin. Evenals in de zaak van de rechtbank Amsterdam uit 1935 was in deze door het hof berechte zaak sprake van een niet verschenen gedaagde en een wel verschenen partij die tijdens de procedure in eerste aanleg failliet ging waardoor de procedure van rechtswege was geschorst ten aanzien van die partij. Er werd, aldus het hof, niet voldaan aan art. 335 Rv omdat niet tegelijk eindvonnis was gewezen tegen alle gedaagden en niet meer behoefde te worden voorkomen dat de tegen het eindvonnis aan te wenden rechtsmiddelen uit elkaar gaan lopen met het gevaar van tegenstrijdige beslissingen.
(ii) Vonnis op tegenspraak
In twee gevallen is geoordeeld dat sprake is van een vonnis op tegenspraak.
Zo overwoog de rechtbank ’s-Gravenhage in 1978 dat de wetgever in art. 79 lid 2 (oud) Rv het niet en wel verschijnen van de wederpartijen op een lijn heeft gesteld en heeft bepaald dat het vonnis ook ten aanzien van de niet verschenen gedaagden geldt als op tegenspraak gewezen. Daaraan kan, aldus de rechtbank, niet afdoen dat de zaak tegen de verschenen gedaagden van de rol is gevoerd.
Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch nam in 2007 als ijkpunt voor de kwalificatie de vraag of tenminste één gedaagde op de inleidende dagvaarding is verschenen. Als dat het geval is, geldt de procedure als te zijn gevoerd op tegenspraak en dient het tussen partijen gewezen vonnis als een vonnis op tegenspraak te worden aangemerkt. In het karakter van de procedure komt, aldus nog steeds het hof, geen wijziging in geval tussen de verschenen gedaagde(n) en de eiser hangende de procedure in eerste aanleg een regeling tot stand komt en de zaak in verband daarmee wordt doorgehaald. Oftewel: eens op tegenspraak, blijft op tegenspraak.
Literatuur
In zijn proefschrift neemt Ynzonides, onder verwijzing naar het hiervoor onder 2.8 besproken vonnis van de rechtbank Amsterdam uit 1935, het standpunt in dat wanneer om welke reden dan ook uiteindelijk alleen ten opzichte van een of meer niet in de procedure verschenen gedaagden vonnis wordt gewezen, sprake is van een verstekvonnis waartegen verzet openstaat.
Ook Van Mierlo en Van Dam plaatsen bij art. 140 Rv de kanttekening dat in geval een regeling in der minne tussen de eiser en de verschenen gedaagde tot stand komt waarna tussen die partijen de procedure wordt geroyeerd en de procedure enkel wordt voortgezet tegen de niet verschenen gedaagde, het tegen deze gedaagde gewezen vonnis een verstekvonnis is.
Dit lijkt ook de mening te zijn van Van Schaick. Hij merkt op dat als ten minste één verweerder verschijnt, tegen de niet verschenen verweerder weliswaar verstek wordt verleend, maar dan ook jegens hem het vonnis als een vonnis op tegenspraak geldt, waartegen uitsluitend hoger beroep openstaat. Dit ligt slechts anders, aldus Van Schaick, “wanneer de wél verschenen verweerders zouden bewerkstelligen dat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen tegen hen niet toekomt, bijvoorbeeld doordat zij met succes stellen dat de rechtbank ter zake van de vorderingen tegen hen geen bevoegdheid heeft vanwege een arbitrageclausule”.
Von Schmidt auf Altenstadt, Sijmonsma en Gras zijn stelliger.
Volgens Von Schmidt auf Altenstadt brengt de tekst van art. 140 lid 3 Rv mee dat alleen sprake is van een vonnis op tegenspraak als bij één en hetzelfde vonnis uitspraak wordt gedaan ten aanzien van alle - verschenen en niet verschenen - partijen. Dat betekent in geval van een door de wel verschenen gedaagde getroffen schikking of als ten aanzien van hem de procedure wordt geschorst, het ten aanzien van alleen de niet verschenen gedaagde uitgesproken veroordelend vonnis moet worden gekwalificeerd als een verstekvonnis.
In zijn tezamen met Provaas geschreven artikel “Verschenen en verdwenen” neemt Sijmonsma tot uitgangspunt dat de bepaling van het huidige art. 140 lid 3 Rv (art. 140 lid 2 (oud) Rv) enkel ertoe strekt om te voorkomen dat tegen het vonnis verschillende rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. Op grond van deze zeer beperkte strekking alsmede op grond van de letterlijke lezing van het huidige derde lid van art. 140 Rv “waarin staat vermeld dat eerst sprake moet zijn van een vonnis dat tussen alle partijen is gewezen, en dat eerst in dat geval op het vonnis het etiket ‘op tegenspraak’ kan worden geplakt” is volgens Provaas en Sijmonsma een vonnis dat tussen eiser en de niet verschenen gedaagde B is gewezen, nadat de zaak tussen eiser en de wel verschenen gedaagde A ter comparitie is geregeld en de zaak ten aanzien van A ter rolle is doorgehaald, een verstekvonnis. De kwalificatie ‘op tegenspraak’ mag volgens schrijvers pas worden gegeven op het moment dat er een vonnis wordt gewezen tegen in elk geval één verschenen gedaagde.
Provaas en Sijmonsma bespreken ook het geval dat de zaak ten aanzien van A weer op de rol verschijnt en de procedure wordt voortgezet nadat de zaak tegen de niet verschenen B is geëindigd in een (verstek)vonnis en B de oorspronkelijk eiser in verzet heeft gedagvaard. Dan laat de doelstelling van art. 140 Rv zich volgens hen niet realiseren, maar “moeten wij dit zeldzame staaltje van discongruentie maar voor lief nemen”.
Sijmonsma acht het in zijn noot onder het hiervoor onder 2.9 al genoemde vonnis van de rechtbank Zwolle logisch dat de rechtbank heeft geoordeeld dat art. 140 lid 2 (oud) Rv niet geldt als de zaak tegen de verschenen gedaagde is doorgehaald voordat vonnis is gewezen. Naast vermelding van de in zijn met Provaas geschreven artikel genoemde argumenten - de letterlijke tekst van art. 140 lid 2 (oud) Rv en de beperkte strekking van het voorschrift maken dat het etiket tegenspraak pas kan worden opgeplakt in de fase van vonnis wijzen - , vraagt Sijmonsma zich in zijn noot nog af of het adagium “eens verschenen, geldt als verder verschenen” nog roet in het eten gooit. Dat doet het z.i. niet omdat dit adagium betrekking heeft op de verschenen partij - tegen die partij kan nooit meer een verstekvonnis worden gewezen - en niet op de kwalificatie van het vonnis.
Volgens Gras is de regel van art. 140 lid 3 Rv “een fictie met betrekking tot het meest principiële aspect dat de civiele procedure te bieden heeft: hoor en wederhoor”, dat tot grote onbillijkheid leidt en maar zeer ten dele kan bijdragen aan het voorkomen van mogelijke tegenstrijdigheid in uitspraken. Daarbij wijst hij er op dat tegenstrijdigheid niet verkeerd behoeft te zijn en ten tweede ook onvermijdelijk kan zijn.
Omdat ook het recht op twee instanties wordt geofferd, kan art. 140 lid 3 Rv z.i. maar beter vervallen. Gras is het dan ook eens met de beslissing van het hof nu ten opzichte van de wel verschenen partij in het dictum alleen werd bepaald dat van rechtswege een schorsing plaatsvond, zodat de ratio van art het derde lid van art. 140 Rv niet opgaat, en de zaken sowieso zullen uiteenlopen.
De Greve daarentegen is het eens met het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch uit 2007 (zie hiervoor onder 2.14) dat bepalend is of ten minste één gedaagde op de inleidende dagvaarding is verschenen, in welk geval de procedure geldt als te zijn gevoerd op tegenspraak, en het tussen partijen gewezen vonnis als een vonnis op tegenspraak dient te worden beschouwd waartegen uitsluitend hoger beroep openstaat. Hij pleit vervolgens voor zodanige wetswijziging dat ook een niet verschenen gedaagde aan wie de inleidende dagvaarding in persoon is betekend - en die in zijn visie er kennelijk bewust voor heeft gekozen niet te verschijnen - het rechtsmiddel van verzet te onthouden en nog alleen hoger beroep toe te staan.
De redactie van de Praktijkgids heeft de volgende opmerking op het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2012 (zie hiervoor onder 2.10) opgenomen:
“De uitspraak van de Rechtbank 's-Gravenhage doet wat gekunsteld aan. In art. 140 lid 2 Rv staat immers dat tussen partijen één vonnis wordt gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. Deze bepaling strookt niet met het eerste lid waarin staat dat als ten minste één gedaagde in het geding is verschenen tegen de niet-verschenen gedaagden verstek wordt verleend en tussen eiser en gedaagde verder wordt geprocedeerd. Dan volgt een vonnis op tegenspraak.
Art. 140 Rv ziet kennelijk niet op gedaagden die een schikking bereiken, omdat in zo'n geval geen vonnis volgt, maar de zaak wordt afgedaan met een vaststellingsovereenkomst. Dan vallen er partijen uit de procedure en blijft de procedure tegen de niet-verschenen gedaagde. De tegenstrijdigheid is dat de gedaagden die een schikking hebben getroffen wel verschenen zijn en dat aldus op grond van het tweede lid een vonnis op tegenspraak moet volgen.”
De redactie van de Praktijkgids meegerekend, is een ruime meerderheid in de literatuur voor de kwalificatie van verstekvonnis voor een vonnis dat uiteindelijk alleen jegens (een) niet-verschenen gedaagde(n) is gewezen, hetgeen ook in vier van de zes gepubliceerde uitspraken is aangenomen.
Ik merk daarbij wel op dat rechtspraak noch literatuur aandacht besteden aan het geval dat de procedure wordt doorgehaald of geschorst ten opzichte van de verschenen gedaagde(n) vóórdat er een eindvonnis is, maar nádat er een tussenvonnis met materiële beslissingen is gewezen ten opzichte van de verschenen en niet verschenen gedaagde(n). Ook de prejudiciële vragen gaan niet over deze situatie.
In de rechtsoverwegingen 3.8 en 3.9 van zijn arrest van 13 december 2016 heeft het hof de standpunten van partijen opgenomen. Kort samengevat komen deze er op neer dat [B] zich op het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 25 september 2007 beroept alsmede op de parlementaire geschiedenis, waaruit [B] afleidt dat volgens de wetgever het gevolg van het niet-verschijnen vaststaat voordat daadwerkelijk een vonnis wordt gewezen.
[A] en [C] haken aan bij het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 september 2012 en het arrest van het hof Amhem-Leeuwarden van 5 november 2013 en menen dat het vonnis van 16 februari 2011 moet worden opgevat als een verstekvonnis, zodat zij terecht zijn ontvangen in het verzet.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Vraag 1
Het bepaalde in het derde lid van art. 140 Rv is de uitkomst van een reeds lang geleden gemaakte keuze van de wetgever, die elders anders is uitgevallen.
Gelet op de ratio van het voorschrift, te weten dat door de mogelijkheid van het aanwenden van verschillende rechtsmiddelen tegenstrijdige uitspraken ten aanzien van dezelfde rechtsbetrekking worden gewezen, meen ik dat onder vonnis als bedoeld in het derde lid van art. 140 Rv uitsluitend dient te worden verstaan een vonnis waarin ten aanzien van alle partijen materiële beslissingen worden gegeven en waartegen een rechtsmiddel kan worden ingesteld, zoals een eindvonnis. Een vonnis waarin niet meer dan een comparitie van partijen is bepaald, is m.i. niet een dergelijk vonnis en hetzelfde geldt voor een vonnis waarin wordt bepaald dat een procedure (van rechtswege) is geschorst.
De keuze die het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft gemaakt (zie hiervoor onder 2.14), heeft de schoonheid van de eenvoud en biedt ook een oplossing voor de hiervoor aan het slot van 2.24 beschreven situatie, waarop ook de wetgever niet bedacht is geweest. In dat geval is immers zowel het tussenvonnis als het eindvonnis een vonnis op tegenspraak.
Toch acht ik niet doorslaggevend dat ten minste een gedaagde op de inleidende dagvaarding is verschenen. Als de verschenen partij(en) uit de procedure verdwijn(t)(en) dan wel de procedure jegens haar is geschorst zonder dat al materiële beslissingen zijn genomen, en vervolgens slechts tussen de eisende partij en een (of meer) niet verschenen gedaagde(n) vonnis wordt gewezen, dient art. 140 lid 3 Rv geen enkel praktisch belang meer, omdat het risico op tegenstrijdigheid van uitspraken in verschillende verzet- en appelprocedures zich niet kan voordoen. In dat geval weegt het belang van de niet verschenen gedaagde(n) op behoud van een instantie zwaarder dan de eenvoud van het systeem. Een vonnis dat (alleen) wordt gewezen tussen eiser en niet verschenen gedaagden moet in dat geval m.i. dus worden aangemerkt als een verstekvonnis.
Het voorgaande geldt m.i. dan ook indien er ten tijde van het tussenvonnis (waarin materiële beslissingen zijn opgenomen) nog (een) verschenen gedaagde(n) was (waren) en ten tijde van het eindvonnis uitsluitend (een) niet verschenen gedaagde(n). Ook in dat geval bestaat er immers geen risico op tegenstrijdigheid van uitspraken in verschillende verzet- en appelprocedures en prevaleert het belang van de niet verschenen gedaagde(n) op behoud van instantie. M.i. zou het tussenvonnis in dat geval de kwalificatie van het eindvonnis moeten gaan delen, en moet(en) de niet verschenen gedaagde(n) in staat worden gesteld om in het tegen het eindvonnis ingestelde verzet, ook op te komen tegen materiële beslissingen in het tussenvonnis.
Daar komt bij dat de fictie van art. 140 lid 3 Rv m.i. alleen ziet op het te wijzen vonnis en niet op het karakter van de procedure. Een procedure met verschillende gedaagden die deels zijn verschenen en deels niet, is ten aanzien van de verschenen gedaagde(n) een procedure op tegenspraak en ten aanzien van de gedaagde(n) tegen wie verstek is verleend, een verstekprocedure. Het karakter van de procedure - van verstek naar contradictoir - wijzigt voor een niet verschenen gedaagde alleen als die gedaagde gebruik maakt van de mogelijkheid zijn verstek te zuiveren voordat vonnis wordt gewezen.
De door [B] aangevoerde argumenten leggen naar mijn oordeel onvoldoende gewicht in de schaal. Er zijn meer processuele voorschriften die het instellen van een rechtsmiddel laten afhangen van de beoordeling van een vonnis, bijvoorbeeld het antwoord op de vraag of een vonnis een deelvonnis dan wel een tussenvonnis is of de regel dat appellabiliteit wordt beoordeeld aan de hand van de waarde van de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen. Ook dat laatste kan gedurende de procedure wijzigen, doch de rechtszekerheid is dan niet in het gedrang.
Het tweede argument, te weten dat art. 140 lid 3 Rv tevens tot doel heeft dat ernstige vertragingen in de procedure worden voorkomen, is m.i. onjuist. De enige ratio van het voorschrift is het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken doordat verschillende rechtsmiddelen zouden kunnen worden aangewend door de verschillende gedaagden.
Het voorgaande brengt m.i. mee dat in de situatie waarop de eerste prejudiciële vraag ziet, het vonnis moet worden aangemerkt als een verstekvonnis.
Vraag 2
Het hof heeft bij de formulering van vraag 2 de veronderstelling tot uitgangspunt genomen dat het vonnis als een vonnis op tegenspraak moet worden aangemerkt. Nu dat m.i. niet het geval is, behoeft vraag 2 geen beantwoording.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen in de hierboven onder 2.32 en 2.33 vermelde zin.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G