ECLI:NL:PHR:2017:479

ECLI:NL:PHR:2017:479, Parket bij de Hoge Raad, 02-06-2017, 16/02963

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 02-06-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/02963
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2017:1357
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Procesrecht. Overeenkomst van opdracht. Vordering tot betaling voor werkzaamheden. Aanvulling feitelijke grondslag van de vordering. Art. 24 Rv.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bestaat uit drie cassatieklachten met toelichting en bevat tevens een verzoek aan de Hoge Raad met betrekking tot de proceskosten.

Onderdeel 1 is – in feite – gericht tegen rov. 10, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“Hoewel [verweerder] in punt 1 ID (nog) tot uitgangspunt nam dat de werkzaamheden waarvoor hij betaling verlangde, waren verricht voor de onderneming (dus KDL B.V.), heeft hij daarbij zijn vordering ingesteld tegen de natuurlijke persoon [eiser]. Al in de eerste aanleg - zie blz. 1 van de brief van 27 maart 2012 aan de rechtbank met de producties 5 t/m 25 - heeft [verweerder] zich er op beroepen dat de ‘Maart 2010’-factuur en zijn factuur van 30 juni 2011 voor ‘werkzaamheden maand juni 201F (hierna: de ‘Juni 2011 ’-factuur), hoewel zij beide waren gericht aan ‘Ketenzorg De Linge’, door [eiser] van diens privérekening zijn betaald (zie ook de punten 21 en 37 MvA), en niet van de rekening van een van de rechtspersonen. Ter comparitie in de eerste aanleg heeft [verweerder] het volgende opgemerkt (onderstreping hof):

‘De rekeningen zijn betaald door Ketenzorg de Linge Beheer B.V. en door [eiser] in privé. [verweerder] factureerde alles aan Ketenzorg De Linge. Dit is een overkoepelende naam die hij gebruikte voor alle stichtingen, BV’s etc. omdat de constructie vrij chaotisch was'.

Gelet op dit een en ander ligt in de stellingname van [verweerder] tevens - naast/subsidiair aan zijn in rov. 7 weergegeven betoog - besloten dat er tussen hem en [eiser] een overeenkomst tot stand was gekomen met de inhoud dat [eiser] in privé hoofdelijk, naast de desbetreffende rechtspersoon, jegens [verweerder] aansprakelijk was voor betaling van de vergoeding voor de door [verweerder] voor die rechtspersoon verrichte werkzaamheden. Dat [verweerder] zich tevens beroept op hoofdelijke aansprakelijkheid was kenbaar aan [eiser], en is bovendien door hem onderkend, getuige zijn verwijzing naar ‘anderszins aansprakelijk’ in punt 6 van de conclusie van antwoord en zijn betwisting van ‘bijzondere/andere afspraken’ in de punten 13 en 16 MvG. Dat [eiser] zich heeft gerealiseerd dat [verweerder] hem naast de rechtsperso(o)n(en) in kwestie in persoon aansprakelijk achtte, blijkt voorts uit het feit dat hij uitdrukkelijk heeft betwist dat sprake was van de aan hoofdelijke aansprakelijkheid verwante figuur van borgstelling (punt 16 MvG, zie voor de verwantschap artikel 7:850 lid 3 BW).”

Het onderdeel klaagt dat het hof in strijd met artikel 24 Rv de feitelijke grondslag van de vordering van [verweerder] heeft aangevuld en de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend, althans een onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerde beslissing gegeven, omdat – kort gezegd – de gedingstukken geen andere uitleg toelaten dan dat [verweerder] zijn vordering uitsluitend heeft gebaseerd op de gestelde opdracht van [eiser] aan hem.

Vaste rechtspraak is dat sprake is van een verboden aanvulling van de feitelijke grondslag indien de rechter zijn beslissing baseert op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. De wederpartij wordt dan tekort gedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te verdedigen. Dit brengt mee dat het een hof niet vrijstaat het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen op een grondslag die de oorspronkelijk eiser niet aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd.

Het hof is – in cassatie niet bestreden – in rov. 6 tot de slotsom gekomen dat de opdracht aan [verweerder] tot het verrichten van de hiervoor onder genoemde 1.4 werkzaamheden op KDL B.V. is overgegaan en heeft voorts in de rov. 7 en 10 overwogen dat [verweerder] (niettemin) zijn vordering heeft ingesteld tegen de natuurlijke persoon [eiser]. [verweerder] heeft deze keuze in eerste aanleg gemotiveerd met het door de rechtbank gehonoreerde betoog dat hij zowel werkzaamheden voor de rechtspersonen van [eiser] als voor [eiser] in privé verrichtte en dat [eiser] hiervoor opdrachten verstrekte, zodat [eiser] in persoon als zijn opdrachtgever is aan te merken.

De daartegen gerichte grief is door het hof in rov. 9 gegrond bevonden. Volgens het hof kan onder de in die rechtsoverweging geschetste omstandigheden niet worden aangenomen dat de werkzaamheden waarvoor [verweerder] betaling vordert, voor [eiser] in privé zijn verricht. Dit oordeel wordt in cassatie niet aangevallen, waarmee vaststaat dat de door [verweerder] gevorderde betaling betrekking heeft op in opdracht van en voor KDL B.V. verrichte werkzaamheden, en waarmee de door [verweerder] gestelde grondslag aan diens vordering is komen te vervallen.

Het hof heeft in de rov. 12-17 uit de daarin opgesomde gang van zaken afgeleid dat [verweerder] redelijkerwijs kon aannemen dat [eiser] zich als oprichter/eigenaar van zijn rechtspersonen persoonlijk hoofdelijk aansprakelijk achtte voor de schulden van die rechtspersonen en dat [eiser] van zijn kant had moeten begrijpen dat zijn gedragingen bij [verweerder] dit gerechtvaardigd vertrouwen konden opwekken. Op deze grondslag heeft het hof vervolgens het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

De vraag is evenwel of [verweerder] een en ander ook aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd.

Hoewel de uitleg van processtukken en de vaststelling van de strekking van een stelling of verweer een feitelijke beslissing is die in cassatie slechts marginaal op begrijpelijkheid kan worden getoetst, meen ik dat het hof met zijn interpretatie van de in rov. 10 genoemde stukken [verweerder] inderdaad een stelling heeft toegedicht die hij niet heeft ingenomen.

Het hof heeft beslissende betekenis toegekend aan (i) de brief van de advocaat van [verweerder] van 27 maart 2012 aan de rechtbank waarbij ten behoeve van de comparitie van 11 april 2012 23 producties zijn toegezonden; (ii) de verklaring van [verweerder] tijdens de comparitie en (iii) de (ond)erkenning door [eiser] dat [verweerder] zich in zijn conclusie van antwoord en memorie van grieven voor zijn vordering tevens op hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] beroept.

In de brief van de advocaat van [verweerder] van 27 maart 2012 aan de rechtbank is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“Naar aanleiding van uw vonnis van 4 januari 2012 zend ik u hierbij in tweevoud de conclusie van antwoord in reconventie, alsmede de volgende producties in tweevoud met het bijbehorende B-formulier, ten behoeve van de comparitie van partijen d.d. 11 april 2012:

(…)

6. Transactiegegevens van betalingen door [eiser] in privé aan [verweerder], ter zake van facturen aan ‘Ketenzorg de Linge’ over de maanden februari en juni 2011, alsmede de bijbehorende facturen;

(…)”

Ik kan uit deze ‘kale’ mededeling niet afleiden dat [verweerder] daarmee aan zijn vordering ten grondslag heeft willen leggen dat “tussen hem en [eiser] een overeenkomst tot stand was gekomen met de inhoud dat [eiser] in privé hoofdelijk, naast de desbetreffende rechtspersoon, jegens [verweerder] aansprakelijk was voor betaling van de vergoeding voor de door [verweerder] voor die rechtspersoon verrichte werkzaamheden”, zoals het hof in rov. 10 overweegt.

De verwijzing daarbij door het hof naar het standpunt van [verweerder] in zijn memorie van antwoord (onder 21 en 37) is m.i. niet ter zake dienend. In genoemde paragrafen adstrueert [verweerder] zijn onder het kopje “[eiser] gaf de opdracht” weergegeven standpunt dat hij wel heeft voldaan aan zijn stelplicht om aan te tonen dat [eiser] zijn opdrachtgever was, en niet een van de ondernemingen van [eiser]. [verweerder] heeft vervolgens andermaal het standpunt ingenomen dat [eiser] privé “de opdrachten heeft verstrekt” en heeft de (gedeeltelijke) betalingen door [eiser] in privé in het licht van dit standpunt geplaatst.

Ook uit de door het hof geciteerde opmerking van [verweerder] tijdens de comparitie in eerste aanleg kan m.i. niet worden opgemaakt dat hij de door het hof bedoelde overeenkomst als grondslag voor zijn vordering ziet.

[eiser] heeft overigens tijdens die comparitie verklaard dat hij soms rekeningen zelf betaalde “omdat dat de enige rekening was waar hij nog goed bij kon.”

M.i. kan evenmin uit de door het hof genoemde vindplaatsen in de processtukken van [eiser] worden afgeleid dat deze zich realiseerde “dat [verweerder] hem naast de rechtsperso(o)n(en) in kwestie in persoon aansprakelijk achtte.” In paragraaf 6 van de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie heeft [eiser] het volgende verweer gevoerd:

“Subsidiair voert [eiser] het volgende aan, voor het geval hij en niet Ketenzorg de Linge Beheer B.V. de opdrachtgever zou zijn of anderszins aansprakelijk zou kunnen zijn.”

Dit laatste wordt nergens uitgewerkt en blijft aldus ‘in de lucht hangen’.

De door het hof genoemde paragrafen in de memorie van grieven bieden m.i. eveneens geen aanknopingspunt zoals het hof meent. Paragraaf 12 handelt over administratieve werkzaamheden ten behoeve van de onderneming, waarna onder 13 wordt gesteld:

“In casu is ook niet gebleken van bijzondere afspraken, anders dan dat [verweerder] elke maand € 4.000,= plus BTW mocht declareren, onafhankelijk van de omvang van de verrichte werkzaamheden.”

Paragraaf 16 van de memorie van grieven is opgenomen onder het kopje “[eiser] kan geen opdrachtgever blijven;” en luidt als volgt:

“[verweerder] stelt dat [eiser] opdrachtgever zou zijn gebleven, ook al zou hij – in persoon – geen onderneming meer voeren. Die stelling is onhoudbaar, omdat het bepaald niet gebruikelijk is dat de administratiekosten van [verweerder] die de onderneming maakt, door een derde (in de persoon van [eiser]) zouden moeten worden betaald. Sterker nog, het dient geen enkel doel. [verweerder] moet stellen en bewijzen dat in casu expliciet andere afspraken zijn gemaakt dan hetgeen gebruikelijk is. Van een borgstelling door [eiser] is geen sprake. Bovendien had [verweerder] in dat geval eerst Ketenzorg De Linge Beheer B.V. moeten aanspreken, hetgeen [h]ij nooit gedaan heeft.”

Als deze paragraaf al enige duidelijkheid verschaft, dan is het dat [eiser] het standpunt inneemt dat [verweerder] juist niet heeft gesteld dat er een andere grondslag is voor een betaling door [eiser] privé van de schuld van de onderneming.

Mogelijkerwijs zou de door het hof aangenomen overeenkomst tussen [verweerder] en [eiser] met de inhoud dat [eiser] hoofdelijk aansprakelijk is, kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar m.i. kan uit de stukken niet worden afgeleid dat [verweerder] een en ander aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd.

Ik meen dan ook dat het hof art. 24 Rv onjuist heeft toegepast.

Nu onderdeel 1 slaagt, behoeven de klachten van de onderdelen 2 en 3 geen bespreking meer.

De Hoge Raad kan de zaak in conventie m.i. zelf afdoen.

Van de oorspronkelijk door [verweerder] ingestelde vordering tot betaling door [eiser] van een bedrag van € 28.232,75 heeft de rechtbank een bedrag van € 9.520,- toegewezen en het restant afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft [verweerder] geen hoger beroep ingesteld.

De door de rechtbank aangenomen grondslag voor toewijzing van het bedrag van € 9.520,- is naar het oordeel van het hof terecht bestreden, waarna het hof zelf een andere grondslag heeft bijgebracht. Nu ook deze grondslag m.i. wegvalt, komt geen enkel deel van de oorspronkelijk in conventie ingestelde vordering meer voor toewijzing in aanmerking en dient deze in haar geheel te worden afgewezen.

Het hof heeft de door [eiser] in hoger beroep bij wege van wijziging van eis in reconventie gevorderde verklaring voor recht afgewezen op de grond dat toewijsbaarheid van de vordering in conventie de afwijzing van de reconventionele vordering met zich brengt. Gelet op het voorgaande ligt de gevorderde verklaring voor recht dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld door op grond van een vernietigde grondslag beslag te leggen thans voor toewijzing gereed. Ik aarzel echter of Uw Raad de in hoger beroep gewijzigde verklaring voor recht geheel kan toewijzen nu daarin de onrechtmatigheid wordt gespecificeerd met de stelling dat [verweerder] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door zonder, althans met een vernietigde grondslag, eigendommen van [eiser] heeft laten verkopen en dat hij aansprakelijk is voor de daardoor geleden en nog te lijden schade. M.i. is deze gevorderde verklaring voor recht zodanig van gemengde aard dat nog enig feitelijk onderzoek moet plaatsvinden zodat verwijzing moet volgen.

Ik laat het aan Uw Raad om te beslissen op het onder 5 van de cassatiedagvaarding opgenomen verzoek tot compensatie van de kosten.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot:

- vernietiging van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 maart 2016 en van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2013 voor zover daarin het door [verweerder] in conventie gevorderde bedrag van € 9.520,- is toegewezen en tot afwijzing daarvan, alsmede tot;

- vernietiging van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 maart 2016 voor zover daarin de in hoger beroep gewijzigde reconventionele vordering is afgewezen en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?