ECLI:NL:PHR:2017:497

ECLI:NL:PHR:2017:497, Parket bij de Hoge Raad, 09-05-2017, 16/02592

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 09-05-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/02592
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2017:1120
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:595 (verwerping klacht m.b.t. aanwezigheidsrecht) n.a.v. aanvullende CAG. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn h.b., omdat het te laat is ingesteld. Mededeling uitspraak e.a. in persoon uitgereikt aan verdachte? HR: art. 81.1 RO.

Uitspraak

2. Het eerste middel

Het middel klaagt over ’s hofs oordeel dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld omdat hij op 20 augustus 2015 bekend was met het vonnis van de politierechter, aangezien hem op die datum de mededeling uitspraak in persoon is uitgereikt.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het verstekvonnis nimmer aan de verdachte in persoon is betekend en dat de verdachte pas bekendheid met het vonnis had op 4 september 2015. Toen is direct hoger beroep ingesteld. Ter staving van die stelling wordt daartoe aangevoerd dat op de mededeling uitspraak (hierna: MU) onder de kop “uitgereikt aan naam:” (pag. 3 van de MU) niets is ingevuld, zodat niet kan blijken van ontvangstneming van de mededeling door de verdachte. Voorts is op de MU slechts het paspoortnummer van de verdachte vermeld, maar daarbij ontbreekt een handtekening van de verdachte.

Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep omdat het te laat is ingesteld en heeft daartoe het volgende overwogen:

“De verdachte was op donderdag 20 augustus 2015 bekend met het vonnis waarvan beroep, omdat hem op die datum de mededeling uitspraak van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2013, gewezen onder parketnummer 09-766087-13, in persoon is uitgereikt.

De verdachte had binnen veertien dagen daarna, uiterlijk op donderdag 3 september 2014, in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter op 4 september 2015 hoger beroep ingesteld, dus na het verstrijken van de termijn, zodat hij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

Bij de stukken van het geding bevindt zich bedoelde mededeling uitspraak betreffende het verstekvonnis. Die mededeling is volgens de daarvan deel uitmakende akte van uitreiking (zie p. 3-4) uitgereikt op het politiebureau aan de verdachte in persoon op 20 augustus 2015 te 16.10 uur door verbalisant [verbalisant], eenheid Den Haag. In die akte is (onderaan p. 3) onder ‘Uitgereikt aan’ achter ‘naam’ inderdaad, zoals de steller van het middel aanvoert, niets ingevuld, maar daar staat tegenover dat (bovenaan p. 4) achter ‘voornaam’ zowel de voornamen als de achternaam van de verdachte zijn vermeld. Vervolgens zijn op p. 4 ook de overige persoonsgegevens van de verdachte vermeld alsmede het paspoortnummer waarmee de verdachte zich volgens de akte heeft gelegitimeerd. Het stuk is tenslotte door de verbalisant gedateerd en voorzien van een ondertekening. Voor zover het middel klaagt dat uit de MU niet kan blijken dat de akte daadwerkelijk aan de verdachte is uitgereikt, miskent het dat de uitleg van de stukken van het geding is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het oordeel van het hof dat het verstekvonnis aan de verdachte in persoon is betekend acht ik, gelet op de inhoud van de akte van uitreiking, alleszins begrijpelijk. Het middel faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Het tweede middel

Het middel maakt niet duidelijk, ook niet wanneer het in samenhang met de toelichting daarop wordt gelezen, tegen welke beslissing van het hof het zich keert. Het middel maakt enkel melding van een faxbericht dat verstuurd zou zijn door de verdediging aan het hof kort na de terechtzitting in hoger beroep, waaruit naar voren zou komen dat de verdediging van de griffie heeft vernomen dat er geen zitting in de zaak tegen de verdachte plaatsvond. Voor een dergelijke – als ‘verweer’ aangeduide – stelling van feitelijke aard is in cassatie geen plaats ingeruimd. Derhalve kan het als ‘middel’ gepresenteerde betoog niet worden aangemerkt als een middel van cassatie in de zin der wet.

4. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 lid 1 RO bedoelde motivering.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze aanvullende conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?