3.1. Blijkens de in het dossier aanwezige stukken hebben de Amerikaanse autoriteiten via diplomatieke weg aan Curaçao verzocht om de uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van diens vervolging in de Verenigde Staten van Amerika wegens “conspiracy to import cocaine, and manufacture and distribute cocaine for unlawful importation into the United States”. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de procureur-generaal van Curaçao op 15 februari 2016 een verzoek tot het horen van de opgeëiste persoon en het geven van advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering als bedoeld in art. 13 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten gedaan. Dit verzoek is vervolgens behandeld ter terechtzitting van het hof van 1 maart 2016, bij welke gelegenheid de raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat in het Amerikaanse opsporingstraject door de ‘United States Drug Enforcement Administration’ gebruik is gemaakt van een ‘Confidential Witness’, die onder meer op Curaçaos grondgebied opsporingshandelingen heeft verricht die het karakter hebben van (politiële) uitlokking. Daarbij heeft de raadsvrouw tevens aangevoerd dat aan de hand van de zich in het dossier bevindende stukken niet kan worden nagegaan of de inzet van opsporingsbevoegdheden door de Amerikaanse autoriteiten rechtmatig is geweest en dat het uitleveringsverzoek om die reden niet toelaatbaar kan worden verklaard. Het bestreden advies houdt met betrekking het betreffende verweer van de raadsvrouw het volgende in:
“Artikel 6 EVRM
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de uitlevering ontoelaatbaar kan worden verklaard indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico op een flagrante inbreuk op een hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge artikel 1 EVRM op Curaçao rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de uitlevering in de weg staat. Volgens de raadsvrouw is in dit geval duidelijk sprake van politiële uitlokking, waardoor op grond van rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan de opgeëiste persoon van meet af aan het recht op een eerlijk proces is ontnomen en dus het vervolgingsrecht is vervallen. Nu niet kan worden getoetst of is gehandeld binnen de grenzen van de zogenoemde Tallon-criterium, is de vrees gerechtvaardigd dat op naleving van deze criteria na uitlevering onvoldoende acht zal worden geslagen, aldus de raadsvrouw.
De bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering moet oordelen en de autoriteit die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en zo ja onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan - in dit geval de Gouverneur van Curaçao - brengt mee dat de rechter op grond van zijn toetsing aan artikel 6 EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering (HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8326). Het Hof verwerpt dus het verweer dat vanwege een voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM moet worden geconcludeerd tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering.
Voor zover het betoog van de raadsvrouw duidt op een mogelijke toekomstige schending, geldt dat aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat (HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3540 en 3543).”
3.2. Een beroep op een dreigende (flagrante) schending van art. 6 EVRM kan door de uitleveringsrechter slechts gehonoreerd worden als er sprake is van een risico op een flagrante schending van art. 6 EVRM, waarbij in de eerste plaats moet blijken dat dat risico reëel is en in de tweede plaats moet komen vast te staan dat een effectief rechtsmiddel in de verzoekende staat ontbreekt.
3.3. De toelaatbaarverklaring van het hof getuigt van een juiste rechtsopvatting, voor zover het hof heeft overwogen dat aan de rechter, die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist, geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat. Het door de raadsvrouw bij het hof gevoerde verweer dat in casu door de ‘United States Drug Enforcement Administration’ gebruik is gemaakt van een ‘Confidential Witness’ die in Curaçao onrechtmatige opsporingshandelingen heeft verricht, betreft immers een verweer ten aanzien van de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van een vervolging in de verzoekende staat, dat door het hof niet inhoudelijk kon worden beoordeeld.
3.4. De raadsvrouw heeft bij het hof daarnaast volstrekt onvoldoende aangevoerd, op grond waarvan het hof had kunnen vaststellen dat de opgeëiste persoon in de Verenigde Staten na zijn uitlevering geen rechtsmiddel tegen de gestelde schending ter beschikking staat. Overigens wijst de steller van het middel in de onderhavige cassatieprocedure zelf op de in de Verenigde Staten van Amerika bestaande mogelijkheid voor verdachten om een beroep te doen op ‘entrapment’.
3.5. Het eerste middel faalt.
4. Het tweede en het derde middel behoeven geen uitgebreide bespreking. Het tweede middel heeft betrekking op het door de raadsvrouw gevoerde verweer dat de opgeëiste persoon niet schuldig kan zijn aan de drugsfeiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht omdat uit het overgelegde bewijsmateriaal niet blijkt dat hij wist dat de in Curaçao gekochte drugs bestemd waren voor import in de Verenigde Staten van Amerika. Het hof heeft dit verweer echter op niet onbegrijpelijk wijze verworpen met de overweging dat de verdediging er met dit verweer niet in is geslaagd de onschuld van de opgeëiste persoon onverwijld aan te tonen, terwijl het hof in het kader van de onderhavige uitleveringsprocedure niet tot nader onderzoek gehouden was. Voor zover door de steller van het middel in cassatie wordt betoogd dat het voorhanden bewijsmateriaal “op geen enkele wijze in enige aanwijzing aangaande bekendheid van rekwirant met de bestemming van de drugs [voorziet]”, merk ik nog op dat in de door de Amerikaanse autoriteiten overgelegde stukken met bewijsmateriaal wel degelijk wordt gesproken over de (Amerikaanse) bestemming van de in Curaçao gekochte drugs.
4.1. Het tweede middel treft dus zonder meer geen doel.
5. Dat het derde middel evenmin kan slagen, ligt reeds besloten in het falen van het eerste middel. In het middel wordt geklaagd over de overwegingen van het hof over het verweer van de raadsvrouw dat door de Amerikaanse autoriteiten geen stukken zijn overgelegd aan de hand waarvan de rechtmatigheid van de gebruikte opsporingsmiddelen kan worden beoordeeld en dat om die reden niet is voldaan aan de in art. 9, derde lid aanhef en onder b, van het Uitleveringsverdrag neergelegde eis van overlegging van het bewijsmateriaal tegen de opgeëiste persoon. Nu het hof met juistheid heeft geoordeeld dat de uitleveringsrechter in een procedure als de onderhavige geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring in de verzoekende Staat zelf, had het hof geen andere mogelijkheid dan het verweer te verwerpen zoals het dat heeft gedaan.
6. Alle voorgestelde middelen falen.
7. Ambtshalve wijs ik op het volgende. Het Gemeenschappelijk Hof heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard “voor de in het verzoek genoemde feiten”. Daarmee heeft het hof niet voldaan aan de eis om de feiten voldoende duidelijk te specificeren. In de bestreden uitspraak wordt weliswaar verwezen naar “het verzoek” maar het bevat ook de passage: “In het Affidavit is voldoende duidelijk omschreven ter zake van welke feiten de uitlevering wordt verzocht.” Een nadere omschrijving van de feiten waarvoor uitlevering kan worden toegestaan bevat het advies niet.
Het hof heeft klaarblijkelijk bedoeld de uitlevering toelaatbaar te verklaren ter zake van de feiten zoals omschreven in de Affidavit in Support of Request for Extradition van Susan G. Winkler , Assistant United States Attorney for the district of Massachusetts van 13 januari 2016.
De Hoge Raad kan dit verzuim herstellen.
8. Deze conclusie strekt tot:
- Toelaatbaarverklaring van de uitlevering voor de feiten zoals omschreven in de Affidavit in Support of Request for Extradition van Susan G. Winkler , Assistant United States Attorney for the district of Massachusetts. van 13 januari 2016.
- verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG