" Zaak A (parketnummer 13-660451-12)
Feit 1 primair
1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PLI34G 20121322 16-1 van 18 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (zaaksdossier pagina’s 1 t/m 4).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant:
Op 18 mei 2012 deed [betrokkene 1] , aangifte en verklaarde het volgende:
Ik was vandaag op 18 mei 2012 samen met een vriendje [betrokkene 3] in het Meerwaldpark te Amsterdam. Ik zag dat er op een bankje vier jongens zaten. Ik zag dat drie jongens naar mij toe kwamen. Ik had mij[n] telefoon in mijn hand. Ik zag en voelde dat één van de jongens mijn telefoon uit mijn hand trok. Ik ken deze jongen, hij is genaamd [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] , de verdachte). Ik vroeg of ik mijn telefoon terug kon krijgen. Ik zag en hoorde dat twee van de drie jongens zeiden dat ze de telefoon niet hadden. De twee jongens die mijn telefoon hebben zijn [verdachte] en [betrokkene 4] (het hof begrijpt; [betrokkene 4] ). Ik wilde natuurlijk mijn telefoon terug en vroeg steeds aan de twee om mijn telefoon.
Ik zag en voelde vervolgens dat [verdachte] mij met zijn hand bij mijn hals vastpakte. Ik voelde dat hij dit met kracht deed. Ik zag en voelde dat hij hierna met zijn andere hand mij op mijn wang sloeg. Ik voelde pijn op mijn wang. Ik voelde dat ik heel erg veel moeite had met ademhalen. Ik voelde dat [verdachte] met zijn hand mijn keel dicht kneep. Ten tijde dat [verdachte] mij bij mijn keel vasthield bedreigde hij mij. Ik hoorde dat hij zei: “Als je nu niet weggaat, dan haal ik mijn broer en knalt hij je hele familie af.” Ik hoorde later dat [verdachte] nog gedreigd zou hebben dat hij mij ging neersteken.
Registratienummer: PL134G 2012132216-1
Bijlage weggenomen goederen. Deze bijlage is onderdeel van het in de kop genoemde procesverbaal
Gestolen goed
Merk/type: Blackberry Curve 8520
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2012132216-2 van 18 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (zaaksdossier pagina’s 5 en 6).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 5] :
Op 18 mei 2012 heb ik afgesproken met een vriend, [betrokkene 4] , bij de Total. Toen ik bij de Total aankwam stonden er twee andere jongeren bij. Eentje heet [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] , de verdachte). Ik werd gebeld door [betrokkene 1] . [betrokkene 1] kwam naar de Total toe. Ik ben even naar de overkant gelopen. Toen ik terug kwam, hoorde ik [betrokkene 1] tegen de jongen zeggen, wie heeft mijn telefoon. Ik hoorde dat de jongens zeiden dat ze de telefoon niet hadden. Ik wist dat één van de jongens de telefoon moest hebben want [betrokkene 1] had zijn telefoon in zijn hand en opeens was hij weg. Ik hoorde [verdachte] zeggen, als [betrokkene 1] nu niet weggaat ga ik hem neersteken. Ik zag dat [verdachte] [betrokkene 1] bij zijn keel greep met veel kracht en met zijn andere hand sloeg hij [betrokkene 1] in zijn gezicht.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2012132216-10 van 19 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (zaaksdossier pagina’s 20 t/m 26).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte [verdachte] :
Op 18 mei 2012 was ik in Amsterdam. Ik heb met [betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 4] ) afgesproken. [betrokkene 5] (het hof begrijpt: [betrokkene 5] ) was er ook bij. Er kwam nog een Marokkaanse jongen bij. Hem ken ik niet. Hij speelde muziek af op zijn Blackberry telefoon. Een zwarte Curve. Ik had de telefoon bij mijn oor om de muziek te luisteren. [betrokkene 4] riep me. Ik liep naar hem toe. De telefoon had ik nog in mijn hand. De jongen die ik niet ken kwam daarna naar mij toe en wilde zijn telefoon terug.
Zaak B (parketnummer 13-741024-13)
Feit 1 primair
7. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL134.G 2013020321-1 van 25 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (zaaksdossier pagina’s 41 t/m 43).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant:
Op 25 januari 2013 deed [betrokkene 2] (adres: [a-straat 1] in Amsterdam) aangifte namens zichzelf en de benadeelde [betrokkene 10] en verklaarde het volgende:
Hierbij doe ik aangifte van diefstal uit een woning. Op 25 januari 2013 om 12.40 uur heeft aangever als laatste de woning verlaten. De woning was deugdelijk afgesloten. De buurman van nummer [2] (liet hof begrijpt: [a-straat 2] ) ontdekte de inbraak in woning op nummer [1] huis (het hof begrijpt: [a-straat 1] ). De buren zagen dat er twee jongens aan de achterkant van mijn woning in gingen. Iemand heeft via de achterzijde van de woning zich toegang verschaft tot de woning. De daders zijn de woning binnengekomen door middel van een deur en kennelijk door gebruik te maken van een onbekend voorwerp. De weggenomen goederen bevonden zich in de grote slaapkamer in kasten.
Er zijn van aangever vele munten weggenomen van de Nederlandse Antillen, Aruba. Totaal ongeveer 40 verpakkingen waarin meerdere munten zitten.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
8. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL134N 2013020321-30 van 20 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (zaaksdossier pagina’s 44 en 45).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant:
Op navolging van mijn vorige aangifte (het hof begrijpt: het proces-verbaal van aangifte met nummer PL134G 2013020321-1 van 25 januari 2013), verklaar ik, [betrokkene 2] , u nu het volgende. Op 25 januari 2013 is er bij mij ingebroken.
Ze hebben bij mij uit de slaapkamer spullen weggenomen. De spullen waren: een muziekdoosje, twee zilverkleurige horloges, een gecamoufleerde tas en 40 verpakkingen met munten. Op de voorzijde van de tas zit een goudkleurig anker-embleem.
9. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL134L 2013020231-6 van 25 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] (zaaksdossier pagina’s I t/m 3).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voorgenoemde verbalisanten:
Op 25 januari 2013 bevonden wij, verbalisanten, ons, met surveillancedienst belast, op de openbare weg te Amsterdam. Aldaar hoorden wij portofonisch dat er zou worden ingebroken in de [a-straat] te Amsterdam. Tevens werd er vermeld dat de daders twee jongens betroffen in het zwart gekleed en dat ze met een breekvoorwerp bezig zouden zijn. Tevens hoorden wij dat de jongens donkere petten zouden dragen, zwarte jassen droegen, spijkerbroeken en zwarte schoenen droegen. Tevens hoorden wij dat een van de jongens lichtgetint zou zijn en de ander een blanke huidskleur. Een van de daders zou grijze vakjes op zijn spijkerbroek hebben. Wij zagen twee jongens lopen. Wij zagen dat deze jongens nagenoeg volledig voldeden aan eerder genoemd signalement. Hierop hebben wij, verbalisanten, beide jongens staande gehouden. De jongen gaf op te zijn:
Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] .
Wij, verbalisanten, zagen en hoorden dat beide jongens zwaar ademden alsof zij een lichamelijke inspanning hadden geleverd zoals hardlopen. Wij zagen dat [verdachte] de rits van zijn jas opende en dat er een zwarte pet uit zijn jas op de grond viel.
Tijdens de fouillering vond ik, verbalisant [verbalisant 7] , bij [betrokkene 6] (het hof begrijpt: de medeverdachte) in zijn binnenjas een zaklampje en een paar handschoenen.
Verdachte [betrokkene 6]
- Zeer licht getinte huidskleur, bijna blank
- Zwarte jas
- Donkere broek
- Donkere schoenen
- Bruin petje
Verdachte [verdachte]
- Licht getinte huidskleur
- Zwarte jas
- Zwart petje, vanonder zijn jas.
Ik, verbalisant [verbalisant 8] , trof op het dak (het hof begrijpt gezien de plattegrond: op het dak van de [b-straat] nummer [1] ) een grote schroevendraaier aan met een rood handvat.
Bij de onderdoorgang tussen de [b-straat] en de Burgermeester van Leeuwenlaan lag een paar verfrommelde zwarte handschoenen.
De rugtas, de schroevendraaier en het paar handschoenen zijn inbeslaggenomen voor onderzoek. Goederen:
-Gereedschap, I stuk, schroevendraaier
- Tas, 1 stuk, rugtas met de buit erin
- Handschoen, 2 stuks
De [a-straat] ligt in het verlengde van de [b-straat] . Het is zeer aannemelijk dat de verdachten vanuit de plaats delict zijn weggerend de [b-straat] in en ondertussen daar de buit hebben achtergelaten en de schroevendraaier hebben weggegooid.
Er zal een plattegrond worden bijgevoegd waarop alle details worden weergegeven met betrekking op de inbraak en het aanhouden van de verdachte en hef aantreffen van de goederen (bijlage 1).
10. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL13W3 2013020231-15 van 25 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] (zaaksdossier pagina’s 14t/m 17).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voorgenoemde verbalisant:
Op 25 januari 2013 was ik belast met de surveillancedienst hondengeleiders. Ik kreeg de opdracht te gaan naar de [a-straat 1] alwaar een woninginbraak heterdaad gepleegd zou worden. Aanrijdend hoorde ik via de mobilofoon dat getuigen zagen dat er twee daders de woning uitvluchten. Hierop heb ik met mij[n] diensthond Diesel de vermoedelijke vluchtroute tussen de woning en de locatie van aanhouding afgezocht. De zoekroute en de genoemde acties zijn met cijfers aangeduid op een als bijlage bijgevoegde print van Google Maps (bijlage 2).
Gekomen bij de [b-straat] perceel [1] zag ik dat Diesel een melding gaf bij een groene rugzak in camouflagekleuren. Ik zag en hoorde namelijk dat Diesel luid begon te blaffen bij de rugzak. Ik zag dat op de rugzak een anker en zilveren rangonderscheidingstekens bevestigd waren. De politiesurveillancehonden zijn geleerd om voorwerpen met verse menselijke lucht te melden door middel van blaffen. Hierop heb ik de tas geopend om de inhoud te controleren. Ik zag dat zich in de tas een verzameling munten in een soort kartonnen houders bevond. Het leek op een verzameling munten.
11. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL134J 2013020321-19 van 25 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 10] en [verbalisant 11] (zaaksdossier pagina’s 18 t/m 28).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten:
Op 25 januari 2013 kregen wij de melding te gaan naar de [a-straat 1] te Amsterdam waar een melder zag dat twee jongens in een woning aan het inbreken waren. Onmiddellijk zijn wij ter plaatse gegaan. Het viel mij, verbalisant [verbalisant 10] , op dat er diverse voetsporen in de onmiddellijke nabijheid van de woning bevonden. Ik zag dat deze voetsporen te zien waren in de sneeuw. Ik zag dat de voetzoolafdruk een soort zig-zag visgraatmotief lieten zien.
Ik heb gevraagd om de zolen van de binnenkomende verdachten even te bekijken en omschreef de zoolafdruk die ik had gevonden.
Even later belde een collega mij terug met de mededeling dat één van de verdachten in deze zaak inderdaad een dergelijk motief zool onder zijn schoenen had. Ik heb van de gevonden zoolafdrukken foto’s genomen en deze bij dit proces-verbaal gevoegd (bijlage 3).
In de kamer op de eerste verdieping is hetzelfde zig-zag visgraatmotief te zien.
12. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL134G 2013020321 -29 van 26 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 12] en [verbalisant 6] (zaaksdossier pagina 30).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en,zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten:
Wij, verbalisanten, onderzochten de inbeslaggenomen tas met inhoud.
Hierin troffen wij de volgende goederen aan:
- 59 mapjes met diverse muntsets van o.a. Nederlandse Antillen
- 1 muziekdoosje
- 1 zwart sieradendoosje met daarin 2 losse zilverkleurige horlogebandjes en 2 uurwerken (Seiko en Casio).
13. Een proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL134L 2013020321-10 van 26 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 6] (zaaksdossier pagina 107).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten:
Object: tas
Aantal: 1
Bijzonderheden: rugtas met de buit erin
Eigenaar: [betrokkene 2] , [a-straat 1] te Amsterdam
14. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2013020321-28 van 25 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] (zaaksdossier pagina’s 46 en 47).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant:
De getuige, [betrokkene 7] , verklaarde het volgende:
Op 25 januari 2013 was ik aan het werk op de [a-straat] kruising Magnushof. Ik zag twee jongens langs rennen. Zij kwamen uit de Magnushof rennen de [a-straat] in. Ik kan ze als volgt omschrijven:
NN1
- Pet Burberry
- Rugzak groenig/bruinig van kleur
NN2
- Zwarte jas
Het was te zien dat de mannen echt haast hadden. De één struikelde bijna en de ander werd bijna aangereden. Het was opvallend hoe ze renden.
15. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL 134G 2013020321-13 van 25 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 14] (zaaksdossier pagina’s 58 en 59).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant:
De getuige [betrokkene 8] , adres [a-straat 2] te Amsterdam, verklaarde:
Ik zag twee personen in de achtertuin van mijn buren (het hof begrijpt: [a-straat 1] ). Ik zag dat een van die jongens een breekijzer vasthad. Vervolgens zag ik dat een persoon aan de deur trok terwijl de ander met een breekijzer probeerde de deur te forceren. Ik zag een persoon op de bovenste etage van de woning staan. Ik kan de twee jongens als volgt omschrijven:
NN1
- Zwarte jas met capuchon
- Zwarte broek
- In bezit van koevoet (het hof begrijpt: breekijzer)
NN2
- Zwarte jas met capuchon
- Zwarte broek
16. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL134G 2013020321-32 van 27 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12] (zaaksdossier pagina’s 32 en 33).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisant:
Ik, verbalisant, heb de schoenen bekeken die onder de verdachte [verdachte] in beslag waren genomen. Ik, verbalisant, zag dat de zool van de onderstaande schoenen:
Schoeisel (schoen), aantal 2, zigzag profielzool
eigendom van [verdachte] , sterke gelijkenissen vertoonde met het patroon wat door collega [verbalisant 10] is aangetroffen in de sneeuw rond de woning [a-straat 1] . Ik heb een foto gemaakt van deze schoenzolen ter vergelijking en deze foto is bij dit proces-verbaal gevoegd (bijlage 4).
25. Zoals hierboven in randnummer 9 al is vermeld, heeft het hof het subsidiaire verzoek van de verdediging tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de opgegeven getuigen – getuigen dus ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen – afgewezen omdat die verklaringen “in op wettelijke wijze opgemaakt proces-verbaal [zijn] opgenomen” en voorts “de door de verdediging genoemde argumenten onvoldoende reden [vormen] om tot bewijsuitsluiting over te gaan."
26. Allereerst zij hier opgemerkt dat de verklaring van de getuige [betrokkene 9] door het hof niet voor het bewijs is gebezigd, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist.
27. Wat betreft de in processen-verbaal neergelegde verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 5] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] dient gelet op het toetsingskader dat de Hoge Raad hanteert, en dat geënt is op de rechtspraak van het EHRM, het volgende te worden vooropgesteld. In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM. Van die ongeoorloofdheid is geen sprake indien de verdachte niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit laatste moet aldus worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Enkel wanneer voldoende steunbewijs in de hiervoor bedoelde zin ontbreekt, dient aan de verdachte die deze verklaring op haar betrouwbaarheid wenst te toetsen een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie te worden geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot (rechtstreekse) ondervraging van de getuige.
28. Gelet op deze vooropstelling merk ik ten aanzien van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 7] en [betrokkene 8] op dat deze blijkens de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal geen belastende inhoud voor de verdachte hebben. Zij verklaren immers niet over de betrokkenheid van de verdachte bij de in zaak B onder 1 tenlastegelegde woninginbraak. Getuige [betrokkene 7] geeft alleen een signalement van twee jongens die opvallend voorbij rennen, en getuige [betrokkene 8] verklaart slechts over de wijze waarop de woninginbraak heeft plaatsgevonden en omschrijft de twee daders.
29. De betrokkenheid van de verdachte bij de woninginbraak kan wel worden afgeleid uit de andere door het hof gebezigde bewijsmiddelen en dan met name uit het proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 9) waarin wordt uiteengezet hoe tot de staandehouding van de verdachte is gekomen en uit het proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 16) waarin wordt uiteengezet dat de zool van de schoen die de verdachte droeg, sterke gelijkenis vertoont met de aangetroffen schoenafdruk bij de woning waar is ingebroken, een daderspoor dus. Aldus is er voldoende steunbewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit en is mitsdien het gebruik van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 7] en [betrokkene 8] voor het bewijs niet onverenigbaar met art. 6, eerste en derde lid aanhef en onder d, EVRM.
30. Het middel faalt in zoverre.
31. Met betrekking tot de (in de processen-verbaal gerelateerde) verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] is de beoordeling van het middel minder eenvoudig. Beantwoord moet worden de vraag of de betrokkenheid van de verdachte bij de hem in zaak A onder 1 tenlastegelegde diefstal gevolgd van (bedreiging met) geweld in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verdachte belastende verklaringen die hij betwist.
32. In de bewijsconstructie van het hof zijn, naast een deel van de verklaring van de verdachte zelf, de verklaringen van de aangever [betrokkene 1] en de getuige [betrokkene 5] de enige bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal met geweld en bedreiging met geweld kan worden afgeleid. De verdachte weerspreekt echter dat hij de telefoon wederrechtelijk van [betrokkene 1] heeft afgepakt en dat hij daarbij geweld heeft gebruikt en/of bedreigingen heeft geuit. Het bewijs voor deze essentiële onderdelen van de bewezenverklaring steunt dus louter op de, met elkaar overeenstemmende, verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] . De verdediging heeft echter niet op enig moment in het strafgeding de gelegenheid gehad om hen als getuigen te (doen) ondervragen. Dat roept de vraag op of hun verklaringen à charge in dit geval voor het bewijs konden worden gebruikt, of dat zulks in strijd is met art. 6, eerste en derde lid aanhef en onder d, EVRM en de rechtspraak van het EHRM, waarbij dan met name moet worden gedacht aan zijn uitspraken in de zaken Al Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk en Schatschaschwili tegen Duitsland en het in deze uitspraken ontwikkelde stappenschema. Daarbij komt inmiddels nog de in noot 12 genoemde Nederlandse Keskin-zaak, waarin de verdachte wegens feitelijk leidinggeven aan oplichting is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, voornamelijk op grond van zeven getuigenverklaringen. De verdediging had in de appelschriftuur om het horen van deze getuigen gevraagd. Tevergeefs echter, het hof oordeelde dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd. Het daartegen gerichte cassatieberoep werd door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard (art. 80a RO). Keskin legde zich daar niet bij neer en diende een klacht in bij het EHRM: er zou geen sprake zijn geweest van een eerlijk proces, nu het hof de verklaringen van deze zeven getuigen à charge in beslissende mate voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl de verdediging niet in enig stadium van het strafgeding in de gelegenheid is gesteld deze getuigen te ondervragen. Het EHRM heeft in het kader van een communication op 28 juni 2016 in een Statement of Facts de Nederlandse regering om een reactie gevraagd. Die reactie volgde op 29 december 2016 in een Unilateral declaration. De Nederlandse regering is van oordeel dat de course of events niet in overeenstemming is met de vereisten van art. 6, eerste lid in verbinding met het derde lid onder d, EVRM en dat deswege sprake is van een schending van het EVRM.
33. Het is mij ambtshalve bekend dat mijn ambtgenoten Harteveld en Spronken ieder afzonderlijk uitvoerig zijn ingegaan op (kort gezegd) de Keskin-problematiek, met name in relatie tot de uitspraken van het EHRM in de zaken Al Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk en Schatschaschwili tegen Duitsland, in heldere conclusies die zij op 17 januari van dit jaar hebben genomen (rolnummer 15/01240 onderscheidenlijk 15/02318). Ik zal dat hier niet nog eens overdoen.
34. Ik heb mij afgevraagd of ik met het nemen van de onderhavige conclusie zou moeten wachten op de arresten die de Hoge Raad naar aanleiding van de conclusies van mijn ambtgenoten Harteveld en Spronken zal wijzen. Ik zie daarvan af en acht het meer zinvol om enige vaart er in te houden en vandaag conclusie te nemen, omdat ik niet precies weet wanneer de Hoge Raad in die zaken uitspraak zal doen en omdat de onderhavige zaak al enige tijd in cassatie loopt, waarbij nogmaals zij opgemerkt dat de Hoge Raad daarin al eerder (op 22 november 2016) arrest heeft gewezen (zie hierboven onder 2).
35. Ik kom tot een afsluiting. De bewijsconstructie van het hof in zaak A onder 1 bestaat niet uit slechts (in processen-verbaal gerelateerde) verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] , maar ook uit de verklaring van de verdachte zelf. Weliswaar betwist de verdachte dat hij de telefoon heeft afgepakt en daarbij geweld heeft toegepast of bedreigingen heeft geuit, maar zijn eigen, voor het bewijs gebezigde, verklaring ondersteunt hoe dan ook de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] in die zin dat de verdachte toegeeft dat hij de telefoon van de aangever in zijn hand heeft gehad en dat de jongen zijn telefoon terug wilde.
36. Naar mijn inzicht kan op grond van de huidige rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad en gelet op hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, worden gezegd dat het hof niet in strijd met art. 6 EVRM de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] , die elkaar over en weer ondersteunen, voor het bewijs heeft gebezigd, ook al is de verdediging niet in de gelegenheid geweest om hen als getuige te ondervragen. Daarbij heb ik mede in aanmerking genomen dat ten aanzien van de kwestie die het middel nu naar voren brengt in feitelijke aanleg eigenlijk geen verweer is gevoerd. Enkel is subsidiair het verzoek gedaan de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] van het bewijs uit te sluiten omdat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen.
37. Al met al neem ik (vooralsnog) het standpunt in dat het middel faalt.
38. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken van het geding te laat door het hof zijn ingezonden aan de Hoge Raad.
39. Namens de verdachte is op 16 januari 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 november 2015 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, zodat de inzendtermijn van zes maanden met vier maanden is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Ook dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit een en ander zal moeten leiden tot strafvermindering.
40. Het derde middel is terecht voorgesteld. De overige middelen falen. Naar mijn mening kan het eerste middel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
41. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
42. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG