“STRAFMAAT
Client is in de onderhavige strafzaak aangehouden op 21 juni 2011.
De redelijke termijn is in aanzienlijke mate geschonden. De datum waarop de criminal charge ex. Artikel 6 EVRM aan client kenbaar is geworden, kan worden gelijkgesteld met de datum van de aanhouding van client.
Overschrijding redelijke termijn
Standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden.
[…]
Het vonnis in eerste aanleg werd pas in februari 2014 uitgesproken.
[…]
Er zijn dientengevolge 4 jaren verstreken sinds de in verzekering stelling van client en de start van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep.
[…]
De rechtsgevolgen
[…]
De verdediging verzoekt Uw Gerechtshof het nadeel dat is veroorzaakt door de bij de bij het voorbereidend onderzoek begane onherstelbare vormverzuimen, waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, te compenseren middels een verlaging van de eventueel op te leggen straf (art. 359 a lid 1 onder a Sv).”
10. Het hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.
11. De Hoge Raad kan de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. Aangevoerd is dat de verdachte op 21 juni 2011 is aangehouden en dat dit het moment is waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is geschonden. Van dit ter terechtzitting niet betwiste uitgangspunt moet in cassatie worden uitgegaan.
12. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 4 februari 2014, en het hof op 17 september 2015. De redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van de zaak is overschreden ondanks de voortvarende wijze waarop de zaak in hoger beroep is behandeld. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.
13. Het middel is terecht voorgesteld.
14. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan wegens de geconstateerde inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden