12. Het eerste middel faalt.
13. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte en de dood van het slachtoffer onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
14. Vooropgesteld moet worden dat de beantwoording van de vraag of er causaal verband bestaat tussen de door de verdachte verrichte gedragingen – te weten het door hem en zijn mededader uitgeoefende geweld – en de dood van het slachtoffer, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van die bewezenverklaarde gedragingen aan de verdachte kan worden toegerekend. Indien de gedraging naar haar aard geschikt was om het uiteindelijke resultaat teweeg te brengen of het risico daarop in relevante mate heeft verhoogd, doorbreken tussenkomende andere factoren de causaliteitsketen niet. Dit wordt niet anders wanneer de nadien opgekomen omstandigheden in belangrijke mate tot het intreden van het gevolg hebben bijgedragen, of zelfs moeten worden aangemerkt als de rechtstreekse oorzaak van dat gevolg.
15. Bij invulling van het criterium van de redelijke toerekening kunnen de klassieke causaliteitscriteria, waaronder de ‘conditio sine qua non’ (waarbij het gedrag redelijkerwijs een onmisbare noodzakelijke voorwaarde voor het gevolg moet zijn geweest) en de ‘adequatietheorie’ (waarbij het gaat om de voorzienbaarheid van een bepaald gevolg) dienst doen. Over deze laatste theorie merkt De Hullu op dat de voorzienbaarheid vaak een belangrijke, meer positieve rol zal kunnen vervullen: doordat een gevolg voor een verdachte (redelijkerwijs) voorzienbaar was, wordt het doorgaans immers een stuk redelijker om hem dat gevolg toe te rekenen. Die voorzienbaarheid mag echter niet beslissend zijn; het gaat uiteindelijk om de redelijke toerekening. Het toerekeningscriterium wordt dus, naar gelang van de specifieke omstandigheden van het geval, wel ingekleurd met onder meer het 'conditio sine qua non-verband' of het criterium van de adequate voorzienbaarheid. Noodzakelijk is dit echter niet.
16. De overwegingen van het hof houden onder meer in dat, zoals hiervoor al naar voren kwam, het door de verdachten toegepaste geweld, dat naar de aard reeds geschikt was om de dood teweeg te brengen, ertoe heeft geleid dat de ruit waar het slachtoffer voor lag is gebroken en het slachtoffer door die ruit drie verdiepingen naar beneden is gevallen, dat zijn dood is veroorzaakt door de letsels tengevolge van deze val en zijn dood redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend. Door het hof is aldus eerst vastgesteld dat het handelen een onmisbare schakel is geweest tot de dood. Met andere woorden: de gedraging van de verdachte was een ‘conditio sine qua non’ voor de dood van het slachtoffer. Daarmee is voldaan aan, zoals de Hoge Raad het noemde, de “ondergrens van het causaal verband.” Vervolgens heeft het hof gewicht toegekend aan het feit dat dit gevolg voor de verdachte tevens voorzienbaar was en hem daardoor ook in redelijkheid kan worden toegerekend. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen de intensiteit van het toegepaste geweld en het feit dat de ruit aan de onderzijde geheel tot aan de vloer doorliep.
17. Het oordeel van het hof in het kader van de voorzienbaarheid wordt blijkens de toelichting door de steller van het middel betwist. Daartoe wordt aangevoerd dat het een draadglasruit en derhalve een relatief sterk ruit betrof dat bij verbreking niet snel zal leiden tot een opening van het glas.
18. Anders dan de steller van het middel wil, acht ik het oordeel van het hof dat voorzienbaar was dat het slachtoffer door het slaan en schoppen bij een ruit aan de rand van de verdieping door de ruit drie verdiepingen naar beneden is gevallen, gelet op de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden, niet onbegrijpelijk. Dat het een draadglasruit betrof maakt dit niet anders. Dat een dergelijk veiligheidsglas door (intensief) geweld niet zou kunnen breken en uit elkaar zou kunnen barsten, zie ik niet in. Dit heeft zich in casu immers ook voorgedaan. Daarbij is niet elke ruit van gelijke sterkte, zodat men zich erop berekend moet zijn dat een ruit bij geweldsinwerking zal kunnen breken. Dit oordeel is voldoende gemotiveerd en nadere motivering was in het licht van hetgeen is aangevoerd niet geboden.
19. Op grond van het voorgaande en gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, kon het hof tot het oordeel komen dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend.
20. Het tweede middel faalt.
21. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG