5. Voorts zijn aan de cassatieschriftuur de volgende stukken gehecht:(i) Een afschrift van een brief van 16 juli 2015 van mr. Van Stratum, gericht aan de strafgriffie van het hof Den Haag, onder vermelding van de parketnummers in eerste aanleg van de strafzaak tegen de verdachte (09-077044-15 en 09/819079-13 (TUL)). Deze als stelbrief aan te merken brief houdt in dat mr. Van Stratum ook in hoger beroep als raadsman van de verdachte zal optreden in deze zaak, dat hij verzoekt om de toezending van de relevante processtukken, dat hij graag een last tot toevoeging voor de appelzaak ontvangt en dat hij verzoekt de komende terechtzitting in overleg met de verdediging te appointeren. (ii) Een “TX rapport” waaruit kan worden afgeleid dat deze brief op 16 juli 2015 om 21:56 uur per fax is verzonden naar het toenmalige faxnummer van de strafgriffie van het hof Den Haag.
6. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel de klacht dat het buiten aanwezigheid van de raadsman van de verdachte gehouden onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het arrest van het hof nietig zijn. Daartoe verwijst de steller van het middel naar de aan de cassatieschriftuur gehechte stelbrief en het daaraan gehechte “TX rapport”.
7. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat voorafgaand aan de behandeling van de zaak in hoger beroep een afschrift van de appeldagvaarding aan mr. Van Stratum dan wel aan een andere voor de verdachte optredende raadsman is gezonden. Op de terechtzitting in hoger beroep is noch de verdachte noch een raadsman verschenen. De aan de cassatieschriftuur gehechte stukken bevinden zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Aan de herkomst en de betrouwbaarheid van de desbetreffende stukken hoeft in redelijkheid niet te worden getwijfeld. Bij de cassatieschriftuur is niet een brief van de griffier van het hof overgelegd, waarin de ontvangst van de hiervoor onder 5 sub i genoemde stelbrief is bevestigd. Een dergelijke ontvangstbevestiging bevindt zich evenmin bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de stelbrief van mr. Van Stratum niet aanwezig was in het dossier dat het hof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige strafzaak in hoger beroep. De inhoud van het, hiervoor onder 5 sub ii weergegeven, “TX rapport” biedt echter voldoende grond voor het ernstige vermoeden dat die stelbrief wel door mr. Van Stratum voorafgaand aan de behandeling van de zaak in hoger beroep naar de griffie van het hof is gefaxt en ook op die griffie is ontvangen maar aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt.
8. Gelet op het voorgaande, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende, niet nader gemotiveerde oordeel van het hof dat art. 51, tweede volzin, Sv in hoger beroep is nageleefd, niet zonder meer begrijpelijk. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.
9. Het middel slaagt.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG