1. De verdachte is bij arrest van 17 november 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen”, veroordeeld tot een geldboete van € 750,- subsidiair vijftien dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 9 februari 2012 (parketnummer 18-651125-10) aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat art. 14g, tweede lid, Sr in de weg staat aan het omzetten van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één maand in een taakstraf.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 3 november 2015 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De raadsman voert het woord ter verdediging en brengt daartoe het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
(…) Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf verzoek ik u deze om te zetten in taakstraf. Cliënt heeft zijn leven nu goed op de rails.”
5. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging het volgende in:
“Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 9 februari 2010 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, in de zaak met het parketnummer 18-651125-10. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf worden gelast. Gelet op het bepaalde in artikel 14g, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is omzetting daarvan in een taakstraf, zoals door de raadsman is verzocht, reeds daarom niet aan de orde.”
6. Bij het genoemde vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 9 februari 2012 is de verdachte ter zake van “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” gepleegd op 11 juli 2010 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en tot een werkstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek.
7. Art. 14g, tweede lid, luidt als volgt:
“In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te geven kan de rechter een taakstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, gelasten. De artikelen 22b tot en met 22k zijn van overeenkomstige toepassing.”
8. Art. 22b Sr luidt als volgt:
"1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:
a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;
b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250.
2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:
1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en
2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.
3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd."
9. Het hof heeft overwogen dat de omzetting in een taakstraf van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 9 februari 2012 aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand niet aan de orde is gelet op het bepaalde in art. 14g, tweede lid, Sr. Daarin ligt als kennelijk oordeel van het hof besloten dat het in het voornoemde tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 22b Sr in het onderhavige geval aan een dergelijke omzetting in de weg staat. Zulks ten onrechte gelet op het navolgende.
10. Bij wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven (Stb. 2012, 1, inwerkingtreding 3 januari 2012) is art. 22b Sr opnieuw ingevoegd. Die wet bevat in art. II een bepaling van overgangsrecht inhoudende dat de wet geen gevolgen heeft voor feiten die zijn begaan vóór de inwerkingtreding van die wet. In aanmerking genomen dat het feit ter zake waarvan de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 9 februari 2012 is veroordeeld, is gepleegd op 11 juli 2010 en dus vóór 3 januari 2012, heeft het hof ten onrechte de onmogelijkheid aangenomen tot de omzetting in een taakstraf.
11. Het middel slaagt dus.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 9 februari 2012 onder parketnummer 18/651125-10 aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG