6. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen, heeft de raadsvrouwe van de verdachte ten aanzien van de straftoemeting slechts verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met art. 63 Sr.
7. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen jeugddetentie, en ter motivering van de opgelegde straf onder “oplegging van straf” het volgende overwogen:
“De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een tabakswinkel. Bedrijfsinbraken zijn zeer ergerlijke feiten die naast financiële schade ook hinder en onrustgevoelens voor de benadeelden met zich brengen. Ter beveiliging hiertegen zien zij zich genoodzaakt kostbare maatregelen te treffen. Het hof ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting jeugd Amsterdam, welke dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en regelmatig worden geactualiseerd. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door een first offender. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 maart 2016 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk voor een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.”
8. De “Amsterdamse oriëntatiepunten jeugd” houden, voor zover hier van belang, het volgende in. Voor “diefstal met braak of verbreking (in vereniging)” uit een bedrijfspand (art. 311 Sr), gepleegd door een “first offender”, geldt als oriëntatiepunt tachtig uren werkstraf dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie.
9. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel de klacht de door het hof opgelegde straf zonder nadere motivering verbazing oproept, aangezien zowel de “Amsterdamse oriëntatiepunten jeugd”, waarnaar het hof in zijn strafmotivering heeft verwezen, als de landelijke oriëntatiepunten (“LOVS-oriëntatiepunten”) betrekking hebben op voltooide delicten, terwijl in de zaak tegen de verdachte geen voltooid delict maar poging (tot gekwalificeerde diefstal) bewezen is verklaard.
10. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl deze keuze geen motivering behoeft. De “Amsterdamse oriëntatiepunten jeugd” en de “LOVS-oriëntatiepunten” vormen geen recht in de zin van art. 79 Wet RO. In cassatie kan dan ook niet met vrucht over een onjuiste toepassing ervan worden geklaagd. Hoewel de feitenrechter niet is gebonden aan de “Amsterdamse oriëntatiepunten jeugd” en de “LOVS-oriëntatiepunten” en de uitleg van de oriëntatiepunten aan hem is voorbehouden, kan in gevallen waarin hij die oriëntatiepunten uitlegt en/of toepast in cassatie wel worden getoetst of de uitleg van de oriëntatiepunten en de toepassing ervan door het hof begrijpelijk zijn. Gelet op de rechterlijke straftoemetingsvrijheid en de aard van de oriëntatiepunten, heeft die toetsing evenwel een beperkt karakter.
11. In de oriëntatiepunten staat niet expliciet vermeld dat de desbetreffende oriëntatiepunten alleen gelden voor voltooide delicten, terwijl daarin evenmin een aparte regeling is opgenomen voor strafbare pogingen. Het verschil in strafmaximum tussen een voltooid misdrijf en een poging zal in de regel wel worden weerspiegeld in de straftoemeting. De oriëntatiepunten zwijgen daarover echter.
12. Daarbij komt het volgende. Uit de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen blijkt dat het hof bij de strafoplegging acht heeft geslagen op de “Amsterdamse oriëntatiepunten jeugd”. Daarmee is nog niet gezegd dat het hof de strafoplegging (uitsluitend) heeft gebaseerd op de desbetreffende oriëntatiepunten. Zo heeft het hof ook gerefereerd aan de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van de verdachte. Ook heeft het hof een uiteenzetting gegeven over de (nadelige) maatschappelijke gevolgen van bedrijfsinbraken, die het hof heeft getypeerd als zeer ergerlijke feiten.
13. In het licht van het voorafgaande en in aanmerking genomen de beperkte toetsing in cassatie, acht ik het oordeel van het hof dat mede gelet op de “Amsterdamse oriëntatiepunten jeugd” een onvoorwaardelijke werkstraf van tachtig uren passend en geboden is, niet onbegrijpelijk.
14. De strafoplegging is ook voor het overige toereikend gemotiveerd. Anders dan de steller van het middel aanvoert, wekt de opgelegde straf geen verbazing, terwijl de motivering daarvan evenmin onbegrijpelijk is. In aanmerking genomen dat door of namens de verdachte geen (responsieplichtig) straftoemetingsverweer is gevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.
15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG