- een akte instellen hoger beroep van 22 april 2015, blijkens welke de verdachte in persoon ter griffie van de rechtbank Amsterdam is verschenen om hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis van de kantonrechter d.d. 9 april 2015 en welke akte is voorzien van een handtekening die klaarblijkelijk door de comparant, de verdachte, is geplaatst;
- een grievenformulier hoger beroep van 22 april 2015 dat, mede gelet op de naamstelling en de overige persoonsgegevens, kennelijk van de hand is van de verdachte en tevens is voorzien van een handtekening;
- een akte van uitreiking, gehecht aan de dubbel van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om op 15 september 2015 (13:55 uur) te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam, welke akte inhoudt dat de appeldagvaarding op 31 juli 2015 op het adres van de verdachte ([a-straat 1] Amsterdam) is uitgereikt aan de geadresseerde in persoon en voor ontvangst is getekend door de ontvanger;
- een akte van uitreiking van de schriftelijke mededeling van de uitspraak van het hof, inhoudende dat deze op 10 oktober 2015 op het adres van de verdachte ([a-straat 1] Amsterdam) is uitgereikt aan de geadresseerde in persoon. Deze akte is onder het cursiefje “Handtekening voor ontvangst” voorzien van een handtekening.
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 september 2015 is de verdachte aldaar niet verschenen en heeft de raadsman van de verdachte medegedeeld niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Het proces-verbaal vermeldt geen reden voor de afwezigheid van de verdachte. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat het hof verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, met bevel tot voortzetting van de behandeling van de zaak.
7. In de schriftuur wordt aangevoerd dat “requirant tot cassatie zich op het standpunt [stelt] dat de dagvaarding in hoger beroep niet in persoon is betekend en dat de geplaatste handtekening niet de zijne is”. Ten bewijze van de juistheid van deze stelling zijn een kopie van de identiteitskaart van de verdachte en een kopie van diens paspoort als bijlage 1 bijgevoegd.
8. Vooropgesteld zij dat aan een cassatieklacht over de betekening van een dagvaarding of oproeping slechts gegevens ten grondslag kunnen worden gelegd die blijken uit de stukken van het geding of die als vaststaand kunnen worden aangenomen op grond van eerst in cassatie overgelegde bescheiden, aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld.
9. Voor zover ik dat kan waarnemen en beoordelen, lijken de handtekeningen op het identiteitsbewijs en het paspoort sterk op de handtekening die op onderscheidenlijk de akte instellen hoger beroep, het grievenformulier en de akte van uitreiking van de mededeling uitspraak zijn geplaatst en iets minder op de handtekening die gezet is op de akte van uitreiking van de appeldagvaarding, doch is deze afwijking gering.
10. Voorts stel ik vast dat door de steller van het middel in het geheel niet wordt uitgelegd waarom het niet de verdachte zelf is of kan zijn geweest die voor ontvangst heeft getekend, en dat ook niet wordt verklaard wie – als het niet de verdachte zelf is geweest – dan wél de dagvaarding op het adres van de verdachte heeft aangenomen en daarbij een handtekening heeft gezet die dan ook nog eens zou moeten doorgaan voor die van de verdachte.
11. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de stukken van het geding niet het ernstige vermoeden wekken dat een ander dan de verdachte op diens adres de appeldagvaarding in ontvangst heeft genomen. Daaruit volgt dat het kennelijke oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon is betekend, niet onbegrijpelijk is en dat het middel geen doel treft.
12. Mitsdien moet ingevolge art. 432, eerste lid aanhef en onder a, Sv worden vastgehouden aan een cassatietermijn van veertien dagen te rekenen daags na de uitspraak. De verdachte heeft het cassatieberoep echter ingesteld op 13 oktober 2015.
13. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn cassatieberoep heeft ingesteld, kan hij niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
14. Deze conclusie strekt er dan ook toe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG