3.1. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd is gekomen tot een bewezenverklaring van een belediging van een ambtenaar in functie.
3.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 26 november 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3], ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in dier tegenwoordigheid meerdere malen zijn middelvinger in de richting, van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft opgestoken en met de hand en de mond op en neer gaande pijpbewegingen heeft gemaakt in de richting van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3].”
3.3. Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Gevoerd verweer
Zowel de advocaat-generaal als raadsvrouw heeft aangevoerd dat, nu niet bewezen kan worden verklaard dat de aangevers werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, de verdachte zal moeten worden vrijgesproken van dat onderdeel van het tenlastegelegde feit.
Anders dan de raadsvrouw en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de politieagenten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ten tijde van het ten laste gelegde ook 'terzake van de rechtmatige uitoefening' van hun bediening waren. Daarvan is immers ook sprake wanneer een verbalisant gedurende zijn vrije tijd beledigd wordt in zijn hoedanigheid van politieambtenaar. Daarvan is in casu sprake. De verdachte heeft immers bij de politie verklaard dat hij de mensen die bij het uitroepen van de zaak ook opstonden herkende als politieagenten. De zaak waarvoor hij op dat moment terechtstond betrof een strafbaar feit tegen één van die agenten gepleegd.
Het hof verwerpt dan ook het verweer.”
3.4. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op de artikelen 266 en 267 Sr. Art. 266 lid 1 Sr luidt:
“Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
Art. 267 Sr houdt, voor zover van belang, in:
“De in de voorgaande artikelen van deze titel bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de belediging wordt aangedaan aan:
(…)
2°. een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
(…)”
3.5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat “het zo moge zijn dat, zoals het hof overweegt, er sprake is van een rechtmatige uitoefening van de bediening wanneer een politieagent in zijn vrije tijd wordt beledigd, maar dat dit onverlet laat dat de belediging moet zien op “de uitoefening van zijn functie” en dat het hof niet heeft gemotiveerd op welke wijze de belediging de rechtmatige uitoefening van de bediening in deze kwestie betreft”.
3.6. Voor zover het middel bedoelt te klagen dat ontoereikend is gemotiveerd dat de verdachte [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft beledigd “ter zake van” de rechtmatige uitoefening van hun bediening stel ik voorop dat de woorden “ter zake van (etc.)” in art. 267 Sr slechts aanwijzen wat tot de belediging aanleiding heeft gegeven. Anders dan uit een conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga zou kunnen worden afgeleid betekent dit mijns inziens niet dat uit de bewijsvoering moet blijken dat de aanleiding voor de belediging de specifieke - rechtmatige - uitoefening van de bediening van de ambtenaar zelf is, maar slechts dat (de aanleiding tot) die belediging een situatie betreft waarin de ambtenaar zijn bediening rechtmatig uitoefent. Als de wetgever wel een verdergaand verband tussen de aanleiding van de belediging en de (rechtmatige) uitoefening van de bediening van de ambtenaar zou eisen, zou i) dit tenlastegelegde bestanddeel zelden bewezen kunnen worden en ii) het verschil in betekenis tussen de beide in art. 267 sub 2 Sr neergelegde omstandigheden “gedurende” respectievelijk “ter zake van” wel erg groot zijn, nu het woord “gedurende” immers slechts op een temporeel aspect wijst. De belediging “ter zake van” moet kortom zien op de uitoefening van de functie van ambtenaar. Het is dus ook, anders dan de politierechter in de onderhavige zaak meende, bij het bestanddeel “ter zake van (etc.)” niet van belang of de ambtenaar op het moment van belediging wettelijke taken uitvoerde.
3.7. Gelet op het voorgaande heeft het hof, door te overwegen a) dat de verdachte de in de bewezenverklaring bedoelde personen voorafgaande aan het plegen van het feit had herkend als politieagenten en b) dat de bewezenverklaarde beledigingen plaatshadden tijdens een terechtzitting in een strafzaak waarin de verdachte terechtstond wegens het plegen van een strafbaar feit tegen één van die agenten, toereikend gemotiveerd dat de verdachte de in de bewezenverklaring bedoelde politieagenten heeft beledigd “ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening”.
3.8. Het middel faalt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG