“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De inleidende dagvaarding is op 4 augustus 2015 aan verdachte in persoon betekend. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan worden gedacht aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend. In dat geval is de verdachte ontvankelijk in het door hem ingestelde rechtsmiddel indien hij, nadat een verhindering als hiervoor bedoeld is opgeheven, alsnog zo spoedig mogelijk hoger beroep heeft ingesteld of doen instellen.
In een situatie zoals de onderhavige, waarin duidelijk en gemotiveerd door de verdediging een beroep is gedaan op verontschuldigbare termijnoverschrijding onder meer vanwege de psychische problematiek van de verdachte, dient het hof te doen blijken een onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of en, zo ja, gedurende welke periode na het vonnis van de politierechter de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid heeft verkeerd dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld. Een termijnoverschrijding gedurende een zodanige periode zou de verdachte niet kunnen worden toegerekend. In een dergelijk geval is de verdachte ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep indien hij, nadat de verhindering zoals hiervoor bedoeld is opgeheven, alsnog zo spoedig mogelijk hoger beroep heeft ingesteld of doen instellen.
Uit het bestreden arrest blijkt niet ondubbelzinnig dat het hof een dergelijk onderzoek heeft verricht. Wel heeft de voorzitter van het hof als gezegd, in antwoord op het verweer en kennelijk mede ter motivering van de beslissing om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, aan de kwestie enige woorden gewijd, te weten: ‘Ook uw psychische toestand doet aan het voorgaande niet af. Alleen als ieder inzicht ontbreekt zou dat anders zijn. Er is mijns inziens geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding’.
Wanneer, zoals ik als uitgangspunt neem, de vorenbedoelde mededelingen van de voorzitter betrokken worden bij ’s hofs oordeel tot niet-ontvankelijkverklaring, meen ik echter nog steeds dat het hof zijn beslissing in het licht van hetgeen hiervoor onder 3.10 is vooropgesteld nader had dienen te motiveren. De raadsman heeft ter onderbouwing van het verweer dat de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet goed in staat was om zijn belangen te behartigen als gevolg waarvan dat hij niet tijdig hoger beroep heeft kunnen doen instellen, verwezen naar het reclasseringsadvies betreffende de verdachte van 1 oktober 2015, opgemaakt door [betrokkenen], beiden verbonden aan Reclassering Nederland. In dit rapport is te lezen dat de verdachte in 2012 in Sinai Centrum is behandeld wegens zijn psychotrauma en dat in 2012 in een medische verklaring werd gesproken van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met een identiteitsstoornis. Deze diagnose is inmiddels verouderd, zodat nieuw onderzoek is geïndiceerd om een actueel beeld te krijgen van verdachtes psychisch functioneren. Verder acht de reclassering in geval van een veroordeling een begeleidingstraject noodzakelijk, nu de combinatie van de toon van de brief die de verdachte aan het openbaar ministerie heeft geschreven, verdachtes houding ten aanzien van de samenleving en de reclassering, de aard van het ten laste gelegde feit, verdachtes religieus getinte uitingen en signalen van identiteitsproblemen zeer zorgelijk worden geacht. Tenslotte wordt geopteerd voor een nader onderzoek en een eventuele behandeling. Ook heeft de raadsman de veroordeling van de politierechter aangehaald waarbij aan de verdachte naast algemene voorwaarden tevens een bijzondere voorwaarde is opgelegd, te weten behandeling in een psychiatrische kliniek, indien dat nodig wordt geacht.
Het door het hof gehanteerde criterium, of omslagpunt, inhoudende ‘Alleen als ieder inzicht ontbreekt zou dat anders zijn’ lijkt mij niet toegesneden te zijn op de kwestie van het al dan niet verschoonbaar zijn van het termijnverzuim. De gehanteerde maatstaf wekt meer associaties op met de materieelrechtelijke vraag wanneer bij ontoerekeningsvatbare verdachten nog van opzet gesproken kan worden. Dan gaat het om het ontbreken van ieder inzicht in de draagwijdte en de mogelijke gevolgen van het handelen. Het neerleggen van een dergelijke hoge ‘drempel’ bij de vraag naar verschoonbare termijnoverschrijding lijkt mij in de buurt te komen van een onjuiste rechtsopvatting. Zo dat al niet de gevolgtrekking zou moeten zijn is aldus motiverende tevens niet inzichtelijk gemaakt wat de gedachtegang van het hof is geweest. Want ten aanzien waarvan volgens het hof ‘ieder inzicht’ ontbroken zou moeten zijn teneinde de termijnoverschrijding verschoonbaar te doen zijn is in het geheel niet duidelijk. Het hof heeft naar mijn mening aldus de mogelijkheid open gelaten dat de betekenis van de uitgereikte oproeping en/of het vonnis niet tot de verdachte heeft kunnen doordringen ten gevolge van een hem niet toe te rekenen geestesgesteldheid. Gelet hierop is het oordeel van het hof tegen de achtergrond van het ter terechtzitting gevoerde verweer met betrekking tot de psychische gesteldheid van de verdachte en de ter onderbouwing van dat verweer aangehaalde stukken, niet zonder meer begrijpelijk.
Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer aldus onvoldoende gemotiveerd verworpen en de verdachte ontoereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
Het middel slaagt.
4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, om opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG