ECLI:NL:PHR:2017:973

ECLI:NL:PHR:2017:973, Parket bij de Hoge Raad, 27-06-2017, 16/05545

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-06-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/05545
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2017:2500
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Profijtontneming en witwassen. W.v.v. vastgesteld o.b.v. geldbedragen die in bewezenverklaarde periode zijn overgeboekt na veroordeling t.z.v. medeplegen van gewoontewitwassen. Toereikend gemotiveerd vastgesteld dat betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen uit de door hem en zijn broers verrichte “money-transfers”? Hof heeft geoordeeld dat dit witwassen tot het door betrokkene wederrechtelijk verkrijgen van vermogen heeft geleid. ’s Hofs oordeel berust kennelijk op de opvatting dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen nu zij voorwerp van het bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen waren, reeds daardoor w.v.v. vormen. Die opvatting is niet juist (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BY5217). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen. Samenhang met 16/05546 P en 16/05547 P.

Uitspraak

6. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de op die terechtzitting overgelegde pleitnota, heeft de raadsman van de betrokkene primair bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene dient te worden geschat op een bedrag van € 38.380,47, aangezien alleen de bedragen die de betrokkene heeft ontvangen en de bedragen waarbij hij zelf betrokken is geweest meegerekend dienen te worden, waarbij rekening moet worden gehouden met dubbeltellingen en vergoedingen. Subsidiair heeft de raadsman zich aangesloten bij de berekening van de advocaat-generaal, inhoudende dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene € 66.176 bedraagt. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat slechts de bewezen verklaarde “money-transfers”, waarvan vaststaat dat de betrokkene daarbij betrokken was, bij de berekening kunnen worden meegenomen.

7. Het hof heeft het wederrechtelijk voordeel, dat de betrokkene uit medeplegen van gewoontewitwassen heeft verkregen, geschat op een bedrag van (afgerond) € 50.000,-. Ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof in de bestreden uitspraak onder “berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel” het volgende overwogen:

“Het eerder genoemde door de rechtbank Rotterdam op 2 juli 2015 [bedoeld is 9 november 2012; AG] gewezen vonnis is inmiddels onherroepelijk. Ook in hoger beroep wordt er derhalve van uitgegaan dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen zoals door de rechtbank bewezenverklaard.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de veroordeelde uit het onder 1 bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof - evenals de advocaat-generaal - uit van de onder feit 1, onderdeel A en B, bewezenverklaarde transacties. De transacties die door de veroordeelde zelf zijn verzonden en ontvangen (genoemd onder A in de bewezenverklaring) rekent het hof geheel aan de veroordeelde toe, met dien verstande dat in geval van spiegeltransacties (de transacties waar hetzij de opdrachtgever, hetzij de begunstigde een voor die transactie medeveroordeelde broer betreft) de helft van het bedrag aan de veroordeelde wordt toegerekend.

Ter zake van de transacties waarbij de veroordeelde anderen geldbedragen heeft laten verzenden en ontvangen (genoemd onder B in de bewezenverklaring) overweegt het hof, dat nu op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de veroordeelde daadwerkelijk zelf heeft beschikt over bedoelde geldbedragen, het hof het naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk acht dat de veroordeelde per transactie een bedrag van € 75,- heeft ontvangen.

8. Het hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene aan het volgende bewijsmiddel ontleend:(i) Het vonnis van de rechtbank van 9 november 2012, waarbij de betrokkene wegens medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 19 februari 2010 (feit 1) is veroordeeld en waarbij het blijkens de bewezenverklaring om de navolgende transacties gaat:

9. Voorts heeft het hof in de aanvulling met bewijsmiddelen onder “nadere overweging” nog het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting heeft de raadsman, overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities (p. 3), bepleit dat de veroordeelde zelf ter zake van de transacties met betrekking tot feit 1 onder B, een bedrag van € 9.191,62 heeft verdiend.

In het voordeel van de veroordeelde stelt het hof, mede gelet op de verklaringen van afzenders en begunstigden en het onderzoek ter terechtzitting, de schatting van het door de veroordeelde gekregen geld per transactie vast op een bedrag van € 75,-.”

10. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de opvatting dat bedragen die voorwerp zijn van het bewezen verklaarde misdrijf witwassen reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen, niet juist is. Wanneer het hof de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert op het bewezen verklaarde witwassen, dient het hof nader te motiveren waarom de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van dat feit. De enkele overweging dat die geldbedragen vermogensbestanddelen vormen die de betrokkene tot voordeel (kunnen) strekken, vormt nog niet een toereikende motivering.

11. In zijn hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene uit het in de strafzaak bewezen verklaarde medeplegen van gewoontewitwassen daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

12. Dit oordeel berust kennelijk op de opvatting dat de in de bewezen verklaarde periode overgemaakte geldbedragen reeds wederrechtelijk verkregen voordeel vormden, aangezien deze bedragen voorwerp waren van het bewezen verklaarde “medeplegen van gewoontewitwassen”. In het licht van hetgeen hiervoor onder 10 is vooropgesteld, is die opvatting niet juist. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de betrokkene uit het in de strafzaak bewezen verklaarde gewoontewitwassen het door het hof geschatte bedrag daadwerkelijk aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Hieraan doet niet af dat de raadsman van de betrokkene in dit verband geen verweer heeft gevoerd.

13. Het middel slaagt.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Het uittreksel justitiële documentatie betreffende de betrokkene van 27 juli 2016 houdt in dat het strafvonnis op 24 november 2012 onherroepelijk is geworden. Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt volgens het hof € 50.211,40, waarna het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld op een bedrag van € 50.000,-. Het hof heeft deze “kennelijke verschrijving” in de aanvulling met bewijsmiddelen onderkend en verbeterd (zie noot 1 van bewijsmiddel 1). Vgl. HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2718, rov. 3.3, HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1331, rov. 2.4, HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3485, rov. 2.3, HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3172, rov. 2.6, HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071, rov. 3.3, HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3051, rov. 2.4, HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2648, rov. 2.4, HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1559, rov. 2.4 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293 m.nt. Reijntjes, rov. 2.3. Vgl. HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2718, rov. 3 en HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3172, rov. 2.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?