3. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel voor een bedrag van in totaal € 50.055,31 heeft verkregen uit het in de samenhangende strafzaak bewezen verklaarde “medeplegen van gewoontewitwassen”.
5. In de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het gerechtshof Den Haag bij arrest van 14 september 2016 de betrokkene ter zake van onder meer “medeplegen van gewoontewitwassen” veroordeeld. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld. Daarin is ten laste van de betrokkene onder 1 - kort gezegd - bewezen verklaard dat hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 19 november 2009 tezamen en in vereniging met anderen enerzijds geld voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen door geldbedragen via “money-transfers” te verzenden en te ontvangen en anderzijds de herkomst van geldbedragen heeft verborgen en heeft verhuld wie de rechthebbende op dat geld was door geldbedragen via “money-transfers” te laten verzenden en te laten ontvangen, terwijl de betrokkene en zijn medeveroordeelden wisten dat die geldbedragen (onmiddellijk of middellijk) afkomstig waren uit enig misdrijf.
6. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de op die terechtzitting overgelegde pleitnota, heeft de raadsman van de betrokkene primair bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene dient te worden geschat op een bedrag van € 38.380,47, aangezien alleen de bedragen die de betrokkene heeft ontvangen en de bedragen waarbij hij zelf betrokken is geweest meegerekend dienen te worden, waarbij rekening moet worden gehouden met dubbeltellingen en vergoedingen. Subsidiair heeft de raadsman zich aangesloten bij de berekening van de advocaat-generaal, inhoudende dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene € 66.176,- bedraagt. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat slechts de bewezen verklaarde “money-transfers”, waarvan vaststaat dat de betrokkene daarbij betrokken was, bij de berekening kunnen worden meegenomen.
7. Het hof heeft het wederrechtelijk voordeel, dat de betrokkene uit medeplegen van gewoontewitwassen heeft verkregen, geschat op een bedrag van (afgerond) € 50.000,-. Ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof in de bestreden uitspraak onder “berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel” het volgende overwogen:
“Het eerder genoemde door de rechtbank Rotterdam op 2 juli 2015 [bedoeld is 9 november 2012; AG] gewezen vonnis is inmiddels onherroepelijk. Ook in hoger beroep wordt er derhalve van uitgegaan dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen zoals door de rechtbank bewezenverklaard.
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de veroordeelde uit het onder 1 bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof - evenals de advocaat-generaal - uit van de onder feit 1, onderdeel A en B, bewezenverklaarde transacties. De transacties die door de veroordeelde zelf zijn verzonden en ontvangen (genoemd onder A in de bewezenverklaring) rekent het hof geheel aan de veroordeelde toe, met dien verstande dat in geval van spiegeltransacties (de transacties waar hetzij de opdrachtgever, hetzij de begunstigde een medeveroordeelde broer betreft) de helft van het bedrag aan de veroordeelde wordt toegekend.
Ter zake van de transacties waarbij de veroordeelde anderen geldbedragen heeft laten verzenden en ontvangen (genoemd onder B in de bewezenverklaring) stelt het hof per transactie een bedrag van € 75,- vast, overeenkomstig hetgeen de veroordeelde hieromtrent ter terechtzitting heeft verklaard.
8. Het hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene aan de volgende bewijsmiddelen ontleend:(i) Het arrest van het hof van 14 september 2016, waarbij de betrokkene wegens medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 19 november 2009 (feit 1) is veroordeeld en waarbij het blijkens de bewezenverklaring om de navolgende transacties gaat:
(ii) De op de terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2016 afgelegde verklaring van de betrokkene, voor zover inhoudende:
“Met de transacties voor anderen verdiende ik 50, 70 of 100 euro per keer.”
9. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de opvatting dat bedragen die voorwerp zijn van het bewezen verklaarde misdrijf witwassen reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen, niet juist is. Wanneer het hof de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseert op het bewezen verklaarde witwassen, dient het hof nader te motiveren waarom de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van dat feit. De enkele overweging dat die geldbedragen vermogensbestanddelen vormen die de betrokkene tot voordeel (kunnen) strekken, vormt nog niet een toereikende motivering.
10. In zijn hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de betrokkene uit het in de strafzaak bewezen verklaarde medeplegen van gewoontewitwassen daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
11. Dit oordeel berust kennelijk op de opvatting dat de in de bewezen verklaarde periode overgemaakte geldbedragen reeds wederrechtelijk verkregen voordeel vormden, aangezien deze bedragen voorwerp waren van het bewezen verklaarde “medeplegen van gewoontewitwassen”. In het licht van hetgeen hiervoor onder 9 is vooropgesteld, is die opvatting niet juist. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de betrokkene uit het in de strafzaak bewezen verklaarde gewoontewitwassen het door het hof geschatte bedrag daadwerkelijk aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Hieraan doet niet af dat de raadsman van de betrokkene in dit verband geen verweer heeft gevoerd.
12. Het middel slaagt.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG