4. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling houdt de volgende mededeling van de officier van justitie in:
“De Blackberry heeft verdachte kapot gemaakt en in het toilet gegooid. Gelet hierop heeft de FIOD geen onderzoek meer kunnen doen aan de Blackberry; het toestel was kapot. Op de hem toegezonden afstandsverklaring heeft klager overigens niet gereageerd. De Blackberry en de gereedschapskoffer zijn inmiddels, krachtens een op de voet van artikel 117, tweede lid, Sv gegeven beheersbeslissing, vernietigd. Nu die – overigens terecht in beslag genomen – goederen feitelijk niet meer kunnen worden teruggegeven, dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
De rechtbank heeft in reactie hierop bij beschikking het volgende overwogen:
“De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer vast, dat bedoelde Blackberry en gereedschapskoffer op 21 maart 2016 onder klager in beslag zijn genomen en dat – nu niet is gebleken van een gegeven last tot teruggave en evenmin dat klager als daarop rechthebbende daarvan afstand heeft gedaan – het beslag nog voortduurt.
(…)
Anders dan de officier van justitie heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat het Openbaar Ministerie bij wijze van beheersbeslissing is overgegaan tot het vernietigen van de BlackBerry en de gereedschapskoffer niet maakt dat klager niet‑ontvankelijk moet worden verklaard.”
Uit namens mij bij het openbaar ministerie ingewonnen inlichtingen blijkt dat de hiervoor bedoelde inbeslaggenomen voorwerpen inderdaad zijn vernietigd. Ten aanzien van de gereedschapskist blijkt dat op 2 november 2016 door de hulpofficier van justitie in overleg met de officier van justitie is beslist dat diende te worden gehandeld als ware deze gereedschapskist aan het verkeer onttrokken. De beslissing vermeldt tevens dat het voorwerp moest worden vernietigd. Die beslissing berust kennelijk, anders dan de officier van justitie tijdens de raadkamerbehandeling meende, op art. 116 lid 2 onder c Sv. Deze bepaling staat de hulpofficier van justitie of het openbaar ministerie toe te gelasten dat met een inbeslaggenomen voorwerp wordt gehandeld als ware het aan het verkeer onttrokken, mits degene bij wie het voorwerp inbeslaggenomen is en die verklaart dat het hem toebehoort, schriftelijk afstand van het voorwerp heeft gedaan. In de onderhavige zaak is van een verklaring van afstand ten aanzien van deze gereedschapskist niet gebleken.
Ten aanzien van de BlackBerry telefoon geldt het volgende. Op 2 november 2016 is namens de FIOD naar de klager een afstandsverklaring ter tekening gestuurd, waarin staat vermeld dat hij afstand kan doen van – onder meer – de inbeslaggenomen BlackBerry telefoon. Op deze brief heeft de klager niet gereageerd. De telefoon is vervolgens vernietigd. Uit de mededeling van de officier van justitie tijdens de raadkamerbehandeling maak ik op dat de beslissing tot vernietiging van deze telefoon berust op art. 117 lid 2 Sv. Van een machtiging als bedoeld in dat artikel is echter niet gebleken.
Het vorengaande brengt mij tot de conclusie dat in cassatie niet vaststaat dat de voorwerpen zijn vernietigd op een wijze die in art. 134 lid 2 onder b en c Sv is voorzien. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het beslag ten tijde van de raadkamerbehandeling en de gegeven beschikking nog voortduurde en dat het enkele feit dat de inbeslaggenomen voorwerpen zijn vernietigd niet maakt dat de klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ook voor de Hoge Raad is er thans geen reden om de klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beklag. De klager heeft overigens ook nog steeds belang bij zijn klacht, nu art. 119 lid 1 Sv bepaalt dat als aan de last tot teruggave niet kan worden voldaan, de bewaarder over dient te gaan tot betaling van de prijs die het voorwerp bij verkoop zou hebben opgebracht.
5. Het eerste middel
Het middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van de rechtbank dat de klager en zijn raadsman behoorlijk zijn opgeroepen.
In de eerste plaats wordt gesteld dat de klager niet behoorlijk is opgeroepen, omdat de oproeping niet per aangetekende post aan hem is toegezonden. Ten aanzien van deze klacht geldt het volgende.
Art. 23 lid 2 Sv bepaalt dat de belanghebbende voor de raadkamerbehandeling moet worden opgeroepen. Een verzuim hiervan raakt een wezenlijke grondslag van de raadkamerprocedure en brengt nietigheid van het onderzoek mee, ook al is dat gevolg niet met zoveel woorden in de wet opgenomen.
De raadsman heeft gelijk voor zover hij stelt dat de oproeping van de belanghebbende voor de raadkamerbehandeling niet betekend hoeft te worden. Volstaan kan worden met toezending van die oproeping door middel van een gewone of aangetekende brief over de post (art. 585 lid 3 Sv). De wetgever heeft met betrekking tot de wijze van toezending de keuze gelaten aan de verzendende autoriteit; in de wet noch in lagere regelgeving is deze bepaling nader uitgewerkt. Bij de behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel stelde de minister zich in de memorie van antwoord op het standpunt dat aangetekende verzending gereserveerd diende te blijven voor “exceptionele gevallen”. De Commissie Moons stelde in 1993 een ietwat ruimere toepassing voor: “Het al of niet aantekenen wordt bepaald door de zorgvuldigheid die de verzendende autoriteit in acht moet dan wel wenst te nemen, gelet op de inhoud van de mededeling en de aard van de proceshandeling waarvoor de oproeping geldt.”.
Wat betreft de inhoud van de mededeling en de aard van de proceshandeling waarvoor de oproeping als bedoeld in art. 23 lid 2 Sv geldt, merk ik op dat deze oproeping geschiedt naar aanleiding van een door de klager zelf ingediend klaagschrift. De klager is reeds op de hoogte van (de rechtsgevolgen van) het jegens hem toegepaste dwangmiddel (beslag). Aard van de klaagschriftprocedure als bedoeld in art. 552a Sv is dat de klager als verzoekende partij met zijn klaagschrift wenst te bewerkstelligen dat de overheid – het openbaar ministerie – wordt verplicht jegens hem enige positieve actie te ondernemen. De oproeping als bedoeld in art. 23 lid 2 Sv heeft uitsluitend tot doel de klager op de hoogte te stellen van de plaats en de datum van de raadkamerbehandeling teneinde hem in de gelegenheid te stellen zijn (reeds schriftelijk kenbaar gemaakte) standpunt toe te lichten. Nu de klager in een dergelijke procedure de ‘vragende’ partij is, ligt het naar ik meen in zijn risicosfeer om van de oproeping op de hoogte te geraken door een juist postadres op te geven waarop hij kan worden bereikt. Gelet op de inhoud van de oproeping en de aard van de proceshandeling in een geval als het onderhavige meen ik derhalve dat met toezending per gewone post kan worden volstaan.
Steun voor de opvatting dat de oproeping voor de raadkamerbehandeling door toezending van een aangetekende brief moet plaatsvinden, heb ik ook in de jurisprudentie niet aangetroffen. Het vorengaande brengt mij tot de conclusie dat de stelling dat de oproeping als bedoeld in art. 23 lid 2 Sv per aangetekende post dient te geschieden, geen steun vindt in het recht. Het oordeel van de rechtbank dat de oproeping van de klager behoorlijk is geschied, berust derhalve niet op een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat die oproeping blijkens de stukken per gewone post is verzonden aan het door de klager opgegeven postadres (zie hetgeen hiervoor onder 3 (iii) is weergegeven). Dat de klager in cassatie stelt dat hij de oproeping niet heeft ontvangen, doet hier niet aan af.
In zoverre faalt het middel.
Voor zover het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de raadsman van de klager behoorlijk is opgeroepen, treft het wel doel. Aan de raadsman van de klager had op grond van art. 51 (oud) Sv (per 1 maart 2017 art. 48 Sv) een afschrift van de oproeping van de klager moeten worden verzonden, om hem op de hoogte te stellen van de tijd en plaats van de raadkamerbehandeling.
Uit de hiervoor onder 3 weergegeven stukken kan niet blijken dat een afschrift van de oproeping voor de behandeling van het klaagschrift aan de raadsman van de klager is verzonden. In cassatie moet er derhalve vanuit worden gegaan dat het voorschrift van art. 51 (oud) Sv ten aanzien van de raadsman van de klager niet is nageleefd, hetgeen – al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald – geacht wordt aan een geldige behandeling van het klaagschrift in raadkamer buiten tegenwoordigheid van de klager en diens raadsman in de weg te staan.
Het middel slaagt in zoverre.
6. Het vorengaande brengt mee dat het tweede middel geen bespreking behoeft.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG